Orgaandonatie maakt inbreuk op integriteit van het lichaam

Enkele jaren geleden schreef rabbijn Evers een artikel over het zich tot orgaandonor verklaren. Hij pleit voor het betrekken van een rabbijn bij het definitief daartoe besluiten.

Deze maand mag iedere volwassen Nederlander op een registratieformulier van de overheid aangeven of hij post mortem orgaandonor wil worden. De beslissing heet vrijwillig, maar velen voelen zich moreel gedwongen om hier positief op tereageren. Voor het joodse bevolkingsdeel een moeilijke en zwaarwegende beslissing.
In mijn rabbinale praktijk worden sommigen zeer emotioneel. Zij willen hun lichaam ongeschonden aan de aarde kunnen toevertrouwen volgens de joodse ritus. Tenslotte overheerst nog steeds de pijn over de mannen, vrouwen en kinderen, die, in ieder opzicht geschonden, nog niet eens een graf als aandenken mochten nalaten. Anderen spreken van een inbreuk op hun privacy en morele chantage: als men niet “ja” zegt tegen donatie loopt men de kans onder aan de wachtlijst te komen met alle gevolgen van dien. Dit laatste punt heb ik in een persoonlijk onderhoud reeds tweemaal onder de aandacht van onze minister van justitie, Sorgdrager, gebracht. Ik legde haar voor, dat indien (religieus) gewetensbezwaarden niet zonder voorbehoud instemmen met orgaandonatie, zij formeel of informeel door de beslissers over de rangorde op de wachtlijsten voor orgaandonatie gediscrimineerd zullen worden. Zij deelde mijn bezorgdheid niet, maar zou dit punt ‘meenemen’. Tot op heden heb ik echter nog niets van haar kant vernomen.

Vraagtekens
Deze zeer kostbare overheidscampagne (circa 30 miljoen gulden) beoogt het donoraanbod uit te breiden en doet hierbij een sterk beroep op ieders maatschappelijke verantwoordelijkheid. Experts zetten grote vraagtekens bij het nut van deze campagne, omdat de meeste orgaandonoren ‘onbruikbaar’ zijn. Zelfs de ideale, jonge, hersendode donor moet aan zo veel criteria voldoen dat het niet waarschijnlijk is dat door deze campagne veel meer organen ter beschikking zullen komen. Orgaantransplantaties zijn voor rabbijnen filosofische en joods-juridische problemen. Binnen verschillende christelijke stromingen wordt het lichaam als een verachtelijke, nutteloze „zak vlees en beenderen” beschouwd. Dit gaat lijnrecht in tegen de joodse visie waarin het lichaam als een essentieel onderdeel van het mens-zijn wordt gezien. Onze materiële wereld vormt het einddoel van de schepping. Vele voorschriften uit de thora zijn ‘doe-opdrachten’ met fysieke objecten. We nemen schapenwol en produceren daar tsietsiet (schouwdraden) van, een koeienhuid om daarvan een thorarol te maken. De essentie van de joodse leer is gericht op het heiligen van het aardse en het lichamelijke. Het lichaam moet –samen met de G’ddelijke ziel– een “wandelende Tempel van gewijdheid” worden.

Heiligheid
De voortplantingsdaad wordt in de joodse wet streng geregeld, maar wordt binnen dat kader van wijding niettemin gezien als een daad van de grootste heiligheid, omdat men de Schepper bij het creëren van nieuwe aardse schepselen ‘imiteert’. Traditioneel bezit het lichaam een intrinsieke heiligheid, die ook na scheiding van lichaam en geest blijft voortbestaan. Het is dus niet zo dat het lichaam zijn gewijde status enkel en alleen aan de band met de ziel ontleent.
Deze opvatting over het lichaam staat in verband met de “tselem Elokiem”, de G’ddelijke gelijkenis, waarmee de mens geschapen werd. Het jodendom beziet de ziel en het lichaam als “parallellistische” eenheden: alle componenten van de ziel hebben een materiële tegenhanger in het lichaam. Het lichaam is een fysieke uiting en neerslag van hogere hemelse gegevens; die aansluiting bij het hogere vormt het basisgegeven van de joodse wet.

Inbreuk
Uit het voorgaande volgt dat het jodendom –ondanks de waarde die doorgaans aan levensredding wordt toegekend– in beginsel negatief staat tegenover orgaandonatie waarbij inbreuk gemaakt wordt op de integriteit van het aardse omhulsel. Het invullen van een donorcodicil roept daarom de nodige vragen op. In principe wordt het verwijderen van organen uit het stoffelijk overschot als een ontering van de overledene beschouwd. Rabbi Jechezkeel Landau (achttiende eeuw) stelt verder dat ieder deel van een dode begraven moet worden.
Volgens onze traditie lijdt de ziel eronder te moeten aanschouwen hoe het aardse component van de mens na het overlijden wordt onteerd. Dit laatste argument is van meer kabbalistische, mystieke aard, maar werd bevestigd door moderne onderzoekingen van de psychiater dr. E. Kubler-Ross, die terugkerenden uit een schijndood vroeg over hun ervaringen. Velen deelden mee dat de ‘losgeslagen’ ziel weet had van hetgeen met het lichaam gebeurde na de schijndood.

Afweging
Bij ieder geval van orgaandonatie moet dus een afweging gemaakt worden tussen noodzaak van levensredding volgens de joodse wet en de lijkschennis verbiedende bepalingen, die bijzonder zwaar wegen: anatomielessen om studenten vertrouwd te maken met de bouw van het menselijk lichaam schuiven de heiligheid en onschendbaarheid van een stoffelijk overschot niet terzijde. Het invullen van een donorcodicil als een blanco cheque wordt dus niet toegestaan.
Aan de huidige praktijken bij de uitvoering van orgaandonatie kleven nog andere bezwaren. Het doodscriterium vormt door de joodse wet het grootste probleem. Zou de overledene nog niet volledig dood zijn, dan moet het verwijderen van organen gelijkgesteld worden met moord op de donor. Aan de andere kant moeten de organen nog in goede staat zijn om voor transplantatie in aanmerking te komen. Is het mogelijk een moment te definiëren waarop de mens als zodanig reeds is overleden maar zijn organen nog levend of levensvatbaar zijn?
Het jodendom gaat ervan uit dat er geen exclusief doodscriterium bestaat. Hersendood alleen is onvoldoende. Volgens de halacha moet men letten op meer symptomen tezamen, zoals het ontbreken van iedere hersenactiviteit, geen reflexen, geen spontane bewegingen, geen ademhaling, hartslag en circulatie en het uitvallen van de bloeddruk.
Niettemin bestaan er omstandigheden waaronder orgaandonatie kan worden toegestaan vanwege het grote belang van levensredding. Deze beslissing is een afweging van vele halachische en medische factoren en kan slechts op individuele basis genomen worden in overleg met een gezaghebbende rabbinale autoriteit en een deskundig medicus.

Meebeslissen
Algemene richtlijnen ontbreken echter onder de huidige omstandigheden. Veel hangt ook af van de stand van de medische techniek. Mijn voorstel aan gelovigen is: stel in het registratieformulier dat een geestelijke moet meebeslissen als het moment van donatie daar is. Alleen zo kan men reeds nu rekening houden met toekomstige ontwikkelingen.

“Sterven gebeurt niet van het ene op het andere moment”

De socioloog Cor Hoffer heeft een boekje samengesteld waarin hij inzicht geeft in de verschillende visies die er bestaan over orgaandonatie. N.a.v. “Levensbeschouwing en orgaandonatie”, door Cor Hoffer; uitg. Dutch University Press, Amsterdam, 2002; ISBN 90 36 191 416; 83 blz.; € 17,50.  Rabbijn Evers bespreekt het boekje van Hoffer.

Cor Hoffer is er in zijn werk “Levensbeschouwing en orgaandonatie; vergelijking van joodse, christelijke, islamitische en humanistische opvattingen” in geslaagd de zaak fundamenteel en essentieel te behandelen. Orgaandonatie is zowel een emotionele als een overwogen, intellectuele beslissing voor ieder individu. In zijn kwalitatieve onderzoek signaleert Hoffer dat religie, levensbeschouwing en gevoelens dooreen lopen bij de uiteindelijke beslissing het donorcodicil in te vullen. Met name de levensbeschouwelijke visie is nogal eens in strijd met een klinische, utilistische optiek. Als het lichaam enkel gezien wordt als een verzameling van zelfstandige, uitneembare en reproduceerbare onderdelen zijn we te beperkt bezig.

Twee concurrerende principes
Religie, levensbeschouwing en emoties leiden tot een waaier aan opvattingen en voorkeuren inzake orgaandonatie. Toch worden duidelijke clusters van ideeën en gevoelens onderscheiden, die vaak met elkaar in botsing zijn. Orgaandonatie is voornamelijk problematisch omdat men moet kiezen tussen twee concurrerende principes, die in alledrie de godsdiensten, maar ook in het humanisme, een belangrijke rol spelen. Aan de ene kant staat de integriteit van het menselijk lichaam, waarbij door de religies wordt gesteld dat G’d daar de Eigenaar van is. Hierdoor bezit het lichaam een bepaalde heiligheid omdat het geschapen is naar G’ds beeld. Dit leidt tot een beperkt beschikkingsrecht vanuit de mens. Maar daartegenover staat dat alle grote godsdiensten het redden van mensenlevens ook een uitermate belangrijk goed vinden.

De lezer wordt geconfronteerd met een opmerkelijk fenomeen: hoe orthodoxer de religieuze beleving, hoe sterker het gevoel dat de integriteit van het menselijk lichaam belangrijker is dan het redden van mensenlevens. Een sociologisch punt betreft de waarde van de oordelen van religieuze leiders en gezagsdragers. In islam en Jodendom is het standpunt van “gezagsdragers” van invloed op de besluitvorming. In het Christendom ligt dat anders. Gezagsdragers doen centrale uitspraken, maar het accent blijft meer op de opvattingen van de gelovige zelf liggen.

Levensbeschouwelijke factoren
Cor Hoffer besluit zijn werk met een aanbeveling, omdat het beleid en de voorlichting inzake orgaandonatie tekortschiet. De overheid richt zich primair op zaken zoals het opheffen van het tekort aan medische informatie, het wegnemen van irreële angsten en het verbeteren van de organisatie. Maar dit beleid behoeft aanvulling. Levensbeschouwelijke factoren spelen een belangrijke rol bij de vraag of men zich laat registreren als donor. Kwalitatief sociaalwetenschappelijk onderzoek zou in ieder geval opheldering over deze factoren kunnen geven.

Zijn beschrijving van de Joodse visie op orgaandonatie is breed en doortastend. Opvallend is dat de orgaandonatie bij het leven door de rabbijnen wordt toegestaan als de donor maar geen levensgevaar loopt. Maar met orgaandonatie na het overlijden heeft het Jodendom meer problemen. Een groot halachisch (Joods-wettelijk) probleem vormt de vraag wanneer de dood intreedt De afgelopen vier decennia is hierover in Joodse kring uitgebreid, gediscussieerd. Aanvankelijk werd gesteld dat het verrichten van een harttransplantatie bijna te vergelijken was met een dubbele moord: op de donor, omdat zijn of haar hart nog klopte, en op de ontvanger, omdat bij deze een slecht functionerend hart werd omgeruild voor een hart met een onzekere toekomst.
Gelukkig is er inmiddels op het gebied van de harttransplantaties veel verbeterd. Toch blijft het doodscriterium moeilijk. De medische wetenschap heeft de neiging deze in de richting van het leven te verschuiven, omdat men op deze wijze meer donororganen ter beschikking krijgt.

Geleidelijk proces
Volgens de Joodse wet geschiedt het sterven niet van het ene op het andere moment: het is een geleidelijk proces. Dit zou kunnen betekenen dat, hoewel de hersenen ogenschijnlijk dood zijn, er toch nog leven aanwezig is. Hersendood alleen is dus onvoldoende voor de Joodse wet. De dood kan worden vastgesteld door na te gaan of de ademhaling definitief gestopt is en of de hersenstam, de centrale voor veel essentiële levensfuncties, onherroepelijk dood is. Het is belangrijk om alle omstandigheden uit te sluiten waarbif herstel nog mogelijk zou zijn: hormonale afwijkingen die de coma veroorzaken, ondertemperatuur (lager dan 35 graden Celsius), stofwisselingsafwijkingen en geneesmiddelen die de ademhaling beïnvloeden (zoals slaapmiddelen of spierverslappers). Niettemin is er geen eensgezindheid over het werkelijke doodscriterium. Zolang dit nog niet het geval is, blijven harttransplantaties een discussiepunt.

Reacties zijn gesloten.