Het bezoeken en verzorgen van zieken

De mitswa (gebod) van het bezoeken van zieken staat centraal in de Joodse traditie, zoals blijkt uit de Talmoed (B.T. Nedariem 40a).
Rabbijn R. Evers

Rabbi Akiwa stelt daar dat degene die nalaat zieken te bezoeken is alsof hij hun bloed vergiet. Ook Rav Dimi stelt iets dergelijks: `Ieder die een zieke bezoekt bevordert daardoor dat deze blijft leven; een ieder die nalaat een zieke te bezoeken bevordert dat deze zal sterven’.

Omtrent de aard van de plicht van ziekenbezoek bestaat een meningsverschil tussen de middeleeuwse geleerden. Volgens Rabbenoe Jona (Berachot hoofdstuk 3) is ziekenbezoek een plicht uit de Tora; volgens Maimonides (Hilchot Aweel 14) is dit een mitswa ingesteld door de Rabbijnen. Ziekenbezoek wordt tevens beschouwd als een vorm van volgen in G’ds wegen (Dewariem 13:8): `Uw G’d zult u nawandelen’. Het volgen in G’ds wegen is niet eenvoudig. Toch geeft de Talmoed (B.T. Sota 14a) mogelijkheden aan om dit in de praktijk te brengen: men moet proberen de G’ddelijke eigenschappen te imiteren:”G’d bezocht de zieke Awraham (Bereesjiet 18:1), zo ook moeten wij zieken bezoeken”.

Het belang van bikoer choliem wordt in de Talmoed (B.T. Sjabbat 127a) als volgt verwoord: er zijn dingen waarvan de mens de vruchten geniet in deze wereld, waarvan de hoofdsom blijft staan voor de wereld die komen zal. De volgende zaken zijn eeuwigdurende verdiensten: eerbied voor vader en moeder, het verlenen van menslievende diensten, ’s morgens en ’s avonds bijtijds aanwezig zijn in het leerhuis, gastvrijheid, ziekenbezoek etc.

Geestelijk en lichamelijk
De mitswa van het bezoeken van zieken bestaat uit twee onderdelen:

• Zorgen voor alle behoeften van de zieke.
• Voor hem dawwenen (bidden).

Men mag niet met lege handen op ziekenbezoek gaan en men moet ervoor zorgen, dat het bezoek de zieke niet te zwaar valt. Indien te vrezen valt dat de zieke de bezoeker verdenkt van leedvermaak, dat de bezoeker zich verheugt over de ziekte van de patiënt, is het beter om niet op bezoek te gaan (Sjoelchan Aroech Joré Dé’a 335). De zieke moet baat hebben bij het bezoek. Indien de bezoeker geen goede bedoelingen heeft, of indien hij niet heeft gedawwend (gebeden) voor de zieke, heeft men de mitswa van bikoer choliem niet vervuld (Rema, Joré Dé’a 335:4).
De Chagamiem (Wijzen) hebben toegestaan zieken ook te bezoeken op Sjabbat. Ook is het toegestaan om een mie sjèbérach (zegen) te laten uitspreken in de synagoge voor een ernstige zieke.

Telefonisch ziekenbezoek
Een vraag, die binnen het kader van bikoer choliem tegenwoordig nogal eens gesteld wordt, luidt of men voor het vervullen van deze sociale mitswa persoonlijk bij de zieke op bezoek moet gaan of dat men deze mitswa (gebod) ook per telefoon kan vervullen. Moderne autoriteiten hebben hun licht over deze vraag laten schijnen. Rav Mosje Feinstein (Igrot Mosjé, Joré Dé’a I:223) meent, dat men de mitswa niet volledig vervult met moderne communicatiemiddelen, omdat de zieke doorgaans meer heeft aan een persoonlijk onderhoud dan aan een `telefoontje’.

Bovendien mag aangenomen worden, dat de bezoeker meer geneigd zal zijn te dawwenen (bidden) voor de zieke, indien hij hem ‘van aangezicht tot aangezicht’ gesproken heeft. De gebeden in de buurt van een zieke zijn krachtiger omdat de Sjechiena (G’ddelijke Aanwezigheid) sterker gevoeld wordt bij het van het ziekbed.De Zwitserse Rabbi Ja’akov Breish sluit zich aan bij de conclusie van Rav Feinstein en stelt nog, dat telefonisch ziekenbezoek zeker een `chessed’ (liefdedaad) is (Responsa Chelkat Ja’akov II:128).

Rav J.J. Grünwald legt uit, dat bikoer choliem uit vier onderdelen bestaat:
1. Dawwenen (bidden) om barmhartigheid.
2. De ziekenkamer en omgeving schoonhouden en verzorgen.
3. Zorgdragen voor alle overige behoeften van de zieke.
4. De zieke steunen door persoonlijke aandacht en zorg.
Hoewel het eerste onderdeel van deze mitswa zonder de aanwezigheid van de zieke kan worden uitgevoerd, zijn de overige drie aspecten niet of nauwelijks op afstand te realiseren (Kol Bo II:1:1).

Volgens Rabbi Joseef Elijahoe Henkin vindt een zieke het niet altijd even prettig bezocht te worden. De mitswa is afhankelijk van zijn gemoedstoestand en wensen. Wanneer de zieke veel bezoek heeft, kan men het gebod ook vervullen door telefonisch contact. Rav Henkin legt dus de nadruk op de behoeften van de zieke (Moria 5734, 5:4:13). Rabbi Jitschak Ja’akov Weiss stelt, dat men de eerste keer moet proberen persoonlijk aanwezig te zijn. Daarna kan men deze mitswa voortzetten door opbellen (Responsa Minchat Jitschak II:84).
Rav Eliëzer Jehoeda Waldenberg meent, dat men er onder de huidige omstandigheden in goed geoutilleerde ziekenhuizen of met voldoende thuiszorg van uit mag gaan, dat de zieke in lichamelijk opzicht niets te kort komt. De overige aspecten acht Rav Waldenberg ook telefonisch mogelijk, zodat men dit gewichtige gebod `wellicht’ ook via de telefoon kan nakomen (Resp. Tsiets Eliëzer, V, Ramat Rachel:8).

Onderzoek
Het woord bikoer betekent letterlijk `onderzoek’. Sommigen zien in de term bikoer choliem dat het doel van ziekenbezoek is te `onderzoeken’ en na te gaan wat de zieke nodig heeft. Tevens heeft bikoer choliem tot doel de zieke aan te zetten tot onderzoek van zijn religieuze en intermenselijke gedrag.

Veel en nodeloos gepraat of toeloop van een grote groep mensen is voor een zieke niet altijd even prettig of wenselijk. De bezoeker doet er goed aan de zieke met zachte hand tot onderwerping en berusting in de wil van G’d te brengen, vertrouwen in G’d bij hem of haar op te wekken en voor te gaan in troostvolle gebeden. Indien de geestelijke rust van de zieke verstoord wordt door het bezoek heeft men niet alleen de mitswa (het gebod) niet gedaan maar pleegt men zelfs een overtreding. Allerlei ongevraagde raadgevingen (tenzij zij inderdaad heilzaam kunnen zijn voor de zieke) zijn uit den boze. Het is zeer onverstandig om zwaarmoedige gedachten te uiten in de ziekenkamer. Familieleden of de patiënt zouden hiervan in paniek kunnen raken.

Bezoek aan een terminale patiënt
Bij bezoek aan een terminale patiënt probeert men het gesprek zo te leiden, dat de patiënt over al zijn aangelegenheden nadenkt en zijn maatschappelijke zaken regelt. Geleende of in bewaring genomen goederen moeten aan de eigenaar worden teruggeven en de patiënt geeft in een zondebelijdenis – widoej – rekenschap van zijn levenswandel op aarde. Het maken van zowel een religieus als financieel testament voor de kinderen is een goede zaak. Een terminale patiënt hoeft men niet van zijn situatie op de hoogte te brengen maar men kan hem er op opmerkzaam maken, dat het afwikkelen van allerlei zaken op ieder tijdstip in het leven aanbeveling verdient, ook al is men niet stervende. In het Sja’aré Zedek Ziekenhuis in Jeruzalem had men de gewoonte om iedere ochtend de widoej (zondebelijdenis) met alle patiënten te zeggen, zodat niemand het gevoel zou hebben dat zijn leven binnenkort beëindigd zou zijn. Het is goed aan de zieken te vertellen, dat dit uitingen van nederigheid en berusting in de wil van G’d zijn.

Nadere voorschriften
Wanneer iemand op bezoek is bij een ernstig zieke patiënt, gaat hij bij voorkeur niet bij het hoofdeind of bij het voeteneinde van het bed zitten. Niet bij het hoofdeinde omdat daar de Sjechiena – de G’ddelijke Aanwezigheid – rust, en niet aan zijn voeteneinde omdat daar de Malach haMawèt – de doodsengel – postvat. Indien de zieke laag of op de grond ligt, mag de bezoeker niet op een stoel zitten boven het bed van de zieke. Wenst de patiënt echter, dat de bezoeker aan het hoofd- of aan het voeteneinde zit of boven hem zit, dan is dit zeker toegestaan. Iemand die normaal gesproken deze patiënt niet zou bezoeken, mag pas na de eerste drie dagen van de ziekte op bezoek gaan om de patiënt niet te stigmatiseren.

Bij een plotseling hevige ziekte mag men hem echter direct bezoeken. Een oude Joodse traditie stelt, dat men een zieke niet gedurende de eerste drie uur van de dag en ook niet gedurende de laatste drie uur van de dag bezoekt. De reden hiervoor wordt in de Talmoed aangegeven: `Omdat de ziekte ’s ochtends minder zwaar drukt en het bezoek daarom niet om barmhartigheid zal smeken en omdat ’s avonds zijn ziekte zeer zwaar op hem drukt en hij en de bezoekers wellicht alle hoop zullen opgeven (B.T. Nedariem 41). Maimonides (Hilchot Aweel 14) geeft nog een andere reden: op die tijdstippen verzorgt men de zieken.

Rijk en arm
De mitswa van bikoer choliem strekt zich uit tot alle sociale lagen, rangen en standen. Men mag zich niet beperken tot welgestelde of belangrijke personen. Ook onbemiddelden en minder belangrijke personen moet men bezoeken. Zo vertelt de Talmoed (B.T. Nedariem 39) over Rabbi Akiwa, dat hij het niet beneden zijn waardigheid achtte om een van zijn ernstig zieke leerlingen te bezoeken. Daar deze laatste geen ziekenverzorger had, verpleegde de geleerde hem zelf. Hij maakte de kamer waarin de zieke lag schoon en verfriste de lucht; zijn leerling werd beter.

De leerling was zijn meester bijzonder dankbaar en zei: `Mijn leraar, u heeft mij het leven gered!’ Rabbi Akiwa ging hierna naar het Beet haMidrasj, de leerschool, en stelde als regel, dat `hij, die een zieke niet bezoekt als het ware bloed vergiet’.
Rabbi Jehoeda Hèchassied schrijft in zijn middeleeuwse werk Sefer Chassidiem (Par. 361): `Indien er twee zieken te bezoeken zijn, van wie de een arm en de ander rijk is, terwijl velen de rijke bezoeken, moet u naar de arme gaan om hem te bezoeken; hieromtrent wordt gezegd: “Gelukkig is hij, die nadenkt over de arme” (Psalm 41:2).

Religieuze inzet
Maar ook het religieuze aspect blijft belangrijk. Rabbi Chanina stelde in naam van Rav: `Hij, die in staat is voor een zieke te dawwenen (bidden) en dit niet doet is een zondaar’, zoals de profeet Samuël op het eind van zijn leven zei (I Samuël 12:23): `Verre zij het van mij dat ik tegen G’d zou zondigen door op te houden te dawwenen’. Zelfs voor zieke vijanden moeten wij dawwenen (bidden), zoals koning David ons daarvan het voorbeeld gaf, toen hij zei (Tehilliem, Psalm 35:11-15): `Misdadige getuigen staan op, zij vragen mij naar wat ik niet weet, zij vergelden mij goed voor kwaad, ik word van kinderen beroofd. Maar mij aangaande – toen zij ziek waren, was een rouwgewaad mijn kleed, ik verootmoedigde mij met vasten en mijn gebed keerde in mijn boezem weder; als gold het mijn vriend of mijn broeder, zo liep ik rond; in het zwart gaande als in rouw over een moeder, zo boog ik mij neer. Doch toen ik strompelde verheugden zij zich en liepen te hoop’.

Levensgevaar
Indien er een besmettelijke ziekte is uitgebroken en de mensen bang zijn om patiënten te bezoeken, is het afhankelijk van de omstandigheden of ziekenbezoek verplicht is. In de Talmoed (B.T. Bawa Kamma 60) wordt gesteld dat, indien er in de stad een ernstige besmettelijke ziekte is uitgebroken men de plaats moet verlaten, omdat bij epidemieën geen onderscheid gemaakt wordt tussen goede en slechte mensen; allen kunnen getroffen worden. Als algemene regel geldt in dit soort gevallen, dat het verboden is om op een wonder te vertrouwen en zichzelf in gevaar te brengen.
Desalniettemin bestaat de overweging, dat indien er hoop is, dat de patiënt genezen kan worden door de assistentie van een van de bezoekers, men verplicht is om te helpen, wanneer de patiënt zonder hulp zeker zal overlijden, en het voor de verpleger twijfelachtig is of hij besmet zal worden. Zo zou men verplicht kunnen zijn de twijfel rond het eigen leven ten achter te stellen aan een gewisse dood van de patiënt. Maar bij levensgevaar voor de verpleger, is hij niet verplicht zijn leven in de waagschaal te stellen om een derde te redden. Bij mogelijk levensgevaar met een kans van 50% voor de verpleger geldt hetzelfde.

Reacties zijn gesloten.