CHOEKAT (wet): Met de as van de rode koe is het mogelijk rein te worden na contact met een dode. Mirjam sterft. Er is geen water. G’d gebiedt Mosjee tegen de rots te spreken. Mosjee slaat met zijn staf op de rots. Er komt veel water uit. Mosjee en Aharon mogen het Land niet binnen. De koning van Edom wil het volk niet doorlaten en dreigt met geweld. Men kiest een omweg. Aharon sterft op de berg Hor. Zijn ambt wordt overgenomen door zijn zoon Elazar. Wederom verzet het volk zich tegen Mosjee, waarna giftige slangen veel slachtoffers maken. Ook hieraan weet Mosjé een einde te maken. De Bnee Jisraeel trekken verder de woestijn door. Aangekomen bij het gebied van Sichon, koning der Emorieten, weigert deze doortocht. Na een oorlog neemt Israël het land van Sichon in bezit. Ook Og, koning van Basjan voert oorlog met de joden. Og verliest zijn land aan het volk.
BALAK (persoonsnaam): Balak verzoekt Bileam om het Joodse volk te vervloeken. Bileam raadpleegt G’d die toestemt op voorwaarde dat hij alleen zegt wat G’d hem ingeeft. Bileam berijdt zijn ezelin, die een Engel ziet die de weg verspert. Bileam slaat zijn ezelin drie keer, waarna de ezelin hem in mensentaal hierop aanspreekt. Daarop opent HaSjeem Bileams ogen en ziet ook hij de Engel staan. Koning Balak treft voorbereidingen om offers te brengen maar tot drie keer toe kan Bileam alleen maar een zegen geven. Nog voordat hij vertrekt profeteert hij over de slechte toekomst van Moab. Het Joodse volk begint ontucht te bedrijven met Moabietische meisjes en werpt zich neer voor hun afgoden. Alle schuldigen moeten worden opgehangen. Op een gegeven moment brengt Zimri, stamvorst van Sjimon, in het openbaar een Midjanietische vrouw naar zijn tent. Pienechas, een kleinzoon van Aharon doorsteekt beiden, waarna de plaag ophoudt, die 24.000 mensen het leven heeft gekost.
“Mosjee stuurde gezanten van Kadeesj naar de koning van Edom: ‘Zo zegt uw broeder Israël: U kent alle moeilijkheden die ons getroffen hebben. Onze voorouders daalden af naar Egypte en woonden lange tijd in Egypte en de Egyptenaren mishandelden ons en onze voorouders.” (20:14-15)
Rasji legt hier uit dat ‘mishandelden ons’ betekent dat ‘wij veel ongelukken hebben doorstaan’. De vraag is hier waarom de Tora benadrukt dat Egypte ons mishandeld heeft, terwijl Rasji benadrukt dat wij veel geleden hebben.
Wij gaan terug naar Rasji op 20:14: waarom vermeldt Mosjee de broederschap tussen Edom en Israël? “Hij zei hem: Wij zijn broers, nakomelingen van Avraham. Aan Avraham is gezegd: ‘Uw kinderen zullen vreemdelingen zijn in een land dat hen niet toebehoort’ (Bereesjiet 15:13). Op ons beiden rustte dus de plicht om die schuld te betalen om als vreemdeling in Egypte behandeld te worden. Wij, de afstammelingen van Ja’akov hebben die last aanvaard. Daarom hebben wij de belofte gekregen van het land Israël’.”
Daarom vermeldt de Tora de slechtheid van Egypte. Edom wordt eraan herinnerd, dat de Joden de klus hebben geklaard voor de Edomieten. Maar Rasji legt uit dat het erom gaat dat het Joodse volk zich heeft opgeofferd voor Edom en dat Edom daarom dankbaar mag zijn.
“Onze voorouders daalden af naar Egypte en woonden lange tijd in Egypte en de Egyptenaren mishandelden ons en onze voorouders.” (20:15)
Rasji verklaart op de woorden “en onze voorouders” dat `hieruit volgt dat de voorvaderen verdriet hebben in het graf wanneer er een straf over het Joodse volk komt’. Met de voorvaderen worden hier Avraham, Jitschak en Ja’akov bedoeld.
Waarom volgt Rasji niet gewoon de eenvoudige verklaring dat hier de voorouders worden bedoeld die ook hebben geleden onder de slavernij? Wat hier moeilijk is in de Tora-tekst, is dat de volgorde niet goed te begrijpen is. De Egyptenaren deden kwaad aan ons en onze voorouders. Het had eigenlijk omgekeerd moeten zijn qua tijdsvolgorde: “De Egyptenaren deden kwaad aan onze voorouders en aan ons.”
Na Rasji is goed te begrijpen waarom er eerst de kinderen worden vermeld en daarna pas de voorouders. Door het lijden van de kinderen worden de voorouders a.h.w. `wakker’ en davvenen zij voor hun afstammelingen.
Hoe weet Rasji dat hier de voorouders Avraham, Jitschak en Ja’akov bedoeld zijn? Omdat hier staat: “En ze deden kwaad aan de voorouders van ons.” ‘De’ is een bepalend lidwoord en slaat op iets bekends. De enige voorouders, die bekend zijn van de Joden in Egypte zijn onze Aartsvaders.
“Toen zag de hele gemeente dat Aharon overleden was. Zij huilden om Aharon dertig dagen, het hele huis van Israël” (20:29). “Toen hoorde de Kena’aniet, koning van Arad, die in het zuiden woont, dat Israël kwam via de weg van de Atariem, zij streden met Israël en namen gevangenen” (21:1).
Rasji legt uit dat de Kena’anieten hadden gehoord dat Aharon gestorven was omdat de wolken van G’ds Majesteit verdwenen waren, etc. zoals besproken wordt in traktaat Rosj Hasjana (3a).
Moeilijk te begrijpen! De Tora zelf zegt heel duidelijk wat de Kena’anieten gehoord hadden: ‘dat Israël gekomen was via de weg van de Atarim.’
Hoe komt Rasji aan zijn verklaring dat zij zagen dat Aharon gestorven was en de beschermende wolken verdwenen waren?
Talmoed, de brontekst. Rasji verwijst naar de Talmoed waar staat ‘en de Kena’aniet, de koning van Arad, hoorde.’ Wat hoorde hij precies? Hij hoorde dat Aharon gestorven was omdat de beschermende wolken verdwenen waren.
De Kena’aniet begreep dat dit een teken was, dat zij oorlog mochten voeren met het Joodse volk. Dat is nou precies de betekenis van de vers ‘en de hele gemeente zag dat Aharon gestorven was’ (20:29).
Rav Abahoe zei: ’Lees niet ‘zij zagen’ maar ‘zij werden gezien’. Doordat de wolken van G’ddelijke bescherming optrokken, werd de hele gemeenschap blootgesteld aan het publieke oog. Deze verklaring gaat volgens Reesj Lakiesj, die zei dat het woordje ‘kie’ vier betekenissen heeft: ‘als’, ‘misschien’, ‘maar’ en ‘omdat’.
We lezen dus hier: ‘Het volk werd gezien omdat Aharon was overleden’. In de verdienste van Aharon waren de beschermende wolken neergedaald. Nu hij overleden was waren ze verdwenen.
Iets verder in Bemidbar (33:40) komt een vrijwel identieke vers voor: ’Toen hoorde de Kena’aniet, koning van Arad, die in het zuiden woont in het land Kena’an, toen de kinderen van Israël naderden.’
Nu blijkt dat de nadering van Israël slechts het tijdstip aangaf waarop de koning van Arad ‘wakker werd’. Waarom meende hij Israël te mogen aanvallen? Die vraag wordt niet direct beantwoord maar indirect. Aharon was overleden en daarom was het Joodse volk enigszins onbeschermd achtergebleven.
“Toen kwam G’d tot Bileam en zei: ’Wie zijn deze mannen bij u?’ (22:9).
Rasji legt uit dat G’d hem in de waan liet dat Hij feilbaar was. Bileam dacht na deze mededeling dat soms niet alles voor G’d duidelijk is. Bileam meende dat Hij niet alleswetend was.
Daarom meende hij een tijd te kunnen bepalen waarop hij het Joodse volk zou kunnen vloeken, zonder dat G’d dat zou kunnen tegenhouden.
Rasji maakt duidelijk dat Bileam in de waan gelaten werd dat G’d hem inderdaad moest vragen wie deze mannen waren.
Daarom ging Bileam naar Balak om het Joodse volk te vervloeken. Hij meende namelijk zich aan G’ds oog te kunnen onttrekken.
Om deze Rasji goed te begrijpen moeten we teruggaan naar het eerste boek van de Tora, Bereesjiet. In Bereesjiet 3:9 vraagt G’d aan Adam waar hij is. Rasji legt daar uit dat G’d natuurlijk wist waar Adam was. Maar Hij begon een inleidende conversatie met Adam, zodat Adam, na de zondeval, niet direct in verwarring zou raken van de G’ddelijke Openbaring. Hij wilde dat Adam uit zichzelf tesjoeva zou doen en tot inkeer zou komen.
Iets verder in Bereesjiet (4:9) vraagt G’d aan Kain waar zijn broer Abel was. Ook hier zegt Rasji dat G’d Kain niet plotseling wilde overvallen met een Openbaring. Hij wilde dat Kain tot inkeer zou komen en zou zeggen:’Ik heb hem vermoord en gezondigd tegenover U.’
G’ds Openbaring is overweldigend en kan iemand totaal immobiliseren en choqueren. Bij Adam en Kain was het misdrijf al geschied. Daarom wilde G’d tesjoeva zien. Maar hier had Bileam nog niets mis gedaan. Bileam had alleen een plan. Waarom G’d hem dan op het verkeerde been zette, was om Bileam’s vrije keus te waarborgen.
In het Jodendom staat de vrije keus volledig centraal. Tot nu had G’d Bileam’s plannen steeds weersproken. G’d had hem gevraagd om het Joodse volk niet te vervloeken. Bileam was overweldigd door deze G’ddelijke Openbaring en had geen keuzevrijheid meer. G’d wilde zijn keuzevrijheid weer herstellen door hem in de waan te laten dat hij het Joodse volk zou kunnen vloeken.
Hetzelfde zien we bij Farao. Farao zag de grootste wonderen. Daarom was hem nauwelijks enige vrije keus gelaten. G’d herstelde Farao’s keuzevrijheid door zijn hart te verstokken.
“Toen zei G’ds engel tot Bileam: ’Ga met de mannen mee maar de zaak die Ik tot jou zal spreken die zul je uitspreken.’ Bileam ging met de vorsten van Balak mee” (22:35).
Rasji geeft hier als commentaar dat `G’d de mens laat gaan op de weg die hij wil gaan’.
Rasji heeft hier niet zozeer problemen met de tekst maar veel meer met de opeenvolging van de gebeurtenissen.
In eerste instantie was het duidelijk dat G’d niet wilde dat Bileam met de vorsten van Midjan zou meegaan (22:12). Toen volgde de opstandige ezel en G’ds engel blokkeerde hem de weg. Plotseling zegt de engel dat Bileam toch mag meegaan met de mannen van Balak. Is G’d van gedachten veranderd?
Nee, het gaat om behoud van de vrije wil. De mens kan zijn eigen weg kiezen. G’d legt niemand een strobreed in de weg. Dit kan zowel ten goede als ten kwade worden uitgelegd. Ook op het kwade pad zal G’d de mens niet stoppen door een teken uit de Hemel. De verklaarders vragen zich af waarom Rasji pas hier (in 22:35) deze verklaring geeft.
Al eerder (22:20) geeft G’d in feite al toestemming aan Bileam om mee te gaan met Balak. De oudste Joodse bronnen leggen nu juist op pasoek (vers) 22:20 uit, dat G’d de mens laat gaan op de weg die hij verkiest. Waarom wacht Rasji hiermee tot de pasoek 22:35?
Het antwoord ligt in het verschil tussen de Hebreeuwse woorden ‘et’ en ‘im’. Beide betekenen ‘met’, maar ‘et’ duidt alleen op fysieke nabijheid, terwijl ‘im’ duidt op psychische eenheid.
Wanneer de Tora het woordje ‘im’ gebruikt in deze context van Bileam en Balak, zegt Rasji heel duidelijk dat zij met dezelfde intentie heengingen, om het Joodse volk te vervloeken.
Bij nauwkeurige analyse van de tekst, staat er dat G’d in eerste instantie Bileam alleen toestemming geeft om de vorsten van Balak fysiek te begeleiden, maar niet meer.
Toen G’ds engel Bileam toesprak, zei hij ’ga met deze mannen mee’, en gebruikt de Tora het woordje ‘im’, waarin wordt aangeduid dat G’d Bileam zelfs toestemming geeft om hun doel te ondersteunen.
Het is pas in deze pasoek (vers) dat Rasji uitlegt dat de mens vrij wordt gelaten op de weg die hij zelf verkiest. Want pas hier (22:35) wordt duidelijk dat G’d hem de vrije keus laat in het slechte wat hij zelf uitkiest.
Rasji’s benadering van de Tora-tekst is anders dan die van de Midrasj. De Midrasj leert ons ideeën en idealen en zoekt daarbij de eerste woorden van de Tora die deze ideeën kunnen ondersteunen.
Ook al zijn deze woorden wellicht niet het beste steunpunt voor het idee of ideaal dat de Midrasj wil uitdragen.
Rasji daarentegen let heel erg op het taalgebruik van de Tora en zal een commentaar uit de oude bronnen van Talmoed en Midrasj pas aanwenden wanneer de Tora-tekst zelf daartoe aanleiding geeft.
De parsja verklaringen zijn deze week gebaseerd op “What’s bothering Rashi?” van A. Bonchek.
Sjabbat Sjalom.
