Sjemot/Exodus 27:20 – 30:10
TETSAWEE (beveel): Mosjee krijgt de opdracht ervoor te zorgen dat de Menora brandend gehouden wordt en Aharon en zijn zonen aan te stellen als priesters (kohaniem). Ook moeten er kleren voor hen geweven worden, die gedetailleerd beschreven worden: o.a. een borstschild, een voorhoofdsplaat, een schoudermantel (efod), een tulband en een gordel. Er moeten ook twee stenen waarin de namen van de stammen gegraveerd worden, aan de schouderstukken gehecht worden. Voorts een borstschild ‘’voor bijzondere beslissingen’’ met speciale stenen die Aharon op zijn hart moet dragen. Onderaan de mantel moeten belletjes aangebracht worden.Voor de aanvaarding van het priesterschap moeten er offers gebracht worden en de nieuwe priesters moeten zich zeven dagen voorbereiden, Aharon wordt ook gezalfd met olie, met een meeloffer, olie en wijn. Ook andere offers worden voorgeschreven.
►‘En u moet de Bnee Jisra’eel opdragen zodat zij voor u zullen nemen zuivere olijfolie, gestoten voor de luchter” (27:20).
Mosje wordt in de hele parsja niet met naam vermeld. Dit is een moesar haskeel, een les om over na te denken voor iedereen, die wat voor zijn omgeving wil betekenen. Bij het overdragen van het Jodendom gaat het niet om ons persoonlijk maar om de G’ddelijke boodschap. Daarom hoeft het ons niet te verbazen, dat de naam van de boodschapper er af en toe uitvalt.
► Daarom staat er ook “zodat zij voor u zullen nemen”. Licht ontstaat meestal pas nadat een brandstof verbrand is. In menselijk spirituele termen betekent dit, dat de mens zichzelf opoffert voor een goed doel. Mosje was bereid helemaal `te gaan’ voor Am Jisra’eel. Na het debacle met het gouden kalf – toen G’d een nieuw Joods volk uit Mosje wilde opbouwen – hield Mosje een vurig pleidooi ter verdediging van Am Jisra’eel. Hij besloot met de opmerking “Als U niet luistert, schrap mij dan uit het Boek, dat U geschreven heeft” (32:32).
► Mosje was bereid zich volledig weg te cijferen voor het Joodse volk. Daarom wordt de zuivere olijfolie voor Mosje, in zijn zechoet (verdienste) genomen om daarmee de Menora te branden.
► Hetzelfde zien wij vaak gebeuren in de Joodse geschiedenis. De Makkabiem waren bereid hun leven te geven voor het zuivere Jodendom. Daarom branden de Chanoekalampen nog steeds in het kielzog van hun bereidheid het Jodendom onder alle omstandigheden te verdedigen.
► Op een meer spiritueel niveau vinden we hetzelfde fenomeen bij Rabbi Sjimon bar Jochai. De Talmoed (B.T. Sjabbat 33b) vermeldt een discussie tussen Rabbi Jehoeda, Rabbi Jose en Rabbi Sjimon. Rabbi Jehoeda prees de grote werken van de heidense Romeinen. Rabbi Jose zweeg maar Rabbi Sjimon bar Jochai uitte zijn ontevredenheid over de Romeinen. Dat was levensgevaarlijk. Rabbi Sjimon bar Jochai moest toen vluchten voor de Romein en heeft samen met zijn zoon 13 jaar lang ondergedoken gezeten in een grot. Maar dat was niet voor niets. In zijn verdienste verscheen toen de Zohar, het grote mystieke licht, dat tot op de dag van vandaag het standaardwerk van de Kabbala is gebleven.
►“Om een eeuwig brandend licht aan te steken…Aharon en zijn zonen zullen het in orde brengen van avond tot ochtend voor Hasjeem (27:20-21). Bij Mosje staat het eeuwig brandend licht aan steken en bij Aharon staat het in orde brengen van avond tot ochtend.
De Talmoed vertelt (B. T. Sjabbat 7a) dat Mosje’s vurige wens was dat de Sjechina (de G’ddelijke Aanwezigheid) onder het Joodse volk zou rusten. Dit werd hem inderdaad gegund. Een bewijs, dat G’d te midden van zijn volk woonde, was het `westelijke licht’, het neer ma’aravie in de Menora. Dit brandde altijd en daar uit werden alle andere lampen van de Menora aangestoken.
► Het in orde brengen en het aansteken van de Menora waren het privilege van Aharon en zijn zonen. Maar het eeuwig brandende licht was verbonden met Mosje. Daarom staat hier dat men de zuivere olijfolie voor Mosje moest nemen. De Tora, die ook naar Mosje is genoemd, is een eeuwig stromende bron van inspiratie en de altijd brandende westelijke Menoralamp symboliseert deze Tora.
►“Maak heilige kleding voor uw broer Aharon tot eer en pracht” (28:2)
Schoonheid wordt in Tenach verbonden met koninklijkheid: “Uw ogen zullen een koning in zijn schoonheid zien” (Jesjaja 33:17). Uiterlijke fraaiheid drukt soms innerlijke schoonheid uit. Achter de adembenemende schoonheid van de Schepping gaat de grootsheid van de Schepper schuil. Schoonheid is vaak harmonie. Soms versluiert uiterlijk schoon innerlijke verdorvenheid. In het Jodendom betekent schoonheid harmonie tussen innerlijk en uiterlijk. De kleding van de kohaniem had een diepere bedoeling. En deze boodschap geldt ook voor het volk, dat een `koninkrijk van priesters’ (19:6) wordt genoemd.
►‘En u moet maken een borstplaat van recht (chosjen hamisjpat) een fabrikaat van nadenken’ (28:15)
Kleren van de kohaniem waren bedoeld als kappara (verzoening). Welke overtreding werd hier verzoend? Het moet een overtreding zijn waarbij de gedachte als handeling geldt. Dit vinden we slechts bij afgoderij. Daarom was het Efod (schort) bedoeld om kappara te geven voor afgodische gedachten en afgoderij.
► De borstplaat gaf kappara voor rechtsverkrachting. Vonnissen, rechterlijke uitspraken, zijn ter beoordeling aan de rechter. Een rechter kan alleen maar oordelen naar wat hij ziet. Rechtspreken blijft een subjectieve aangelegenheid. Wanneer een rechter beweert dat zaken juist of onjuist lijken is dat bijna niet te weerspreken. Alleen G’d, die de harten van de mensen beproeft, kan nagaan of het juist is wat de rechter zegt. Daarom lag de borstplaat van het recht op het hart van Aharon. Vonnissen zijn afhankelijk van gevoelens en ingevingen. Daarom moest de borstplaat kappara geven over de gedachten en interpretaties van de rechterlijke macht.
►De Talmoed (Sanhedrien 7b) stelt dat iedereen die een ongeschikte rechter aanstelt, het aangerekend wordt alsof hij een afgodenboom plant. De borstplaat moest vierkant zijn, omdat een rechter aan vier criteria van oprechtheid, eerlijkheid, geleerdheid en religieuze zuiverheid moet voldoen (18:21).
►De borstplaat werd dubbelgevouwen want verkeerd vonnissen heeft een dubbel effect. Het gaat fout met het vermogen van een van de partijen en ook de nesjama (ziel) wordt geschaad omdat men onterecht geld van anderen in bezit heeft.
Het was een ‘zeret’ (lang) omdat rechtsverkrachting tot een corrupte maatschappij leidt. Handhaving van zuiver recht wordt gezien als opbouwend en constructief. Daarom staat ook bij de Schepping het woord ‘zeret’ (zie Jesaja 40:12).
► Soms wordt kleding van middel tot doel. Toen de Franse minister van Defensie in 1912 de kleding van de Franse soldaten wilde aanpassen aan de moderne gevechtsomstandigheden en de schutkleur groen voorstelde, reageerden de Franse parlementsleden furieus: “De rode soldatenbroek, dat is Frankrijk!”. Het hoeft geen betoog dat dit overdreven chauvinisme vele dappere jongens het leven heeft gekost.
Ook de mode neemt een belangrijke plaats in in ons leven. Als een buitenaards wezen zou landen in een van de bekende hoofdstraten van onze hoofdsteden, zou hij aan zijn planeet van oorsprong kunnen melden, dat hij te midden van een eldorado aan kleding- en voedselwinkels terecht is gekomen.
► Maimonides legt aan het begin van zijn voorschriften over afgoderij uit hoe de beeldendienst is ontstaan: “In eerste instantie bogen de mensen voor natuurkrachten en hogere machten als dienaren van G’d. Maar na verloop van tijd vergaten zij hun Opperste Baas en werden ze als zelfstandige goden geëerd”.
Ook is opvallend hoe snel velen zijn uitgekeken op hun uitgebreide garderobe. “Ik heb niets om aan te doen” betekent meestal, dat men uitgekeken is op kleren van een maand geleden.
De Tora geeft richtlijnen hoe wij minder snel verveeld kunnen raken van onze kleding en hoe het mogelijk is om de innerlijke diepgang van kleding weer in het vizier te krijgen.
Kleding is meestal ter verfraaiing van de fysieke mens bedoeld. In de Tora verfraait het de psyche. Kleding verzoent en brengt ons dichter bij G’d.
► ‘En maak een zuiver gouden Tsiets, voorhoofdsplaat’ (28:36).
De voorhoofdsplaat gaf kappara voor onbeschoftheid en onbeschaamdheid. Maar in de Tora staat zeer duidelijk dat de voorhoofdsplaat kappara geeft voor de onreinheid van offers.
Het antwoord is dat onreinheid bij de offers, in menselijke termen vertaald, onreinheid in de geest betekent. Eén van de duidelijkste vormen hiervan is ontucht. Ontucht beheerst het denken, vertroebelt de geest en verlaagt `s mensens kedoesja. Daarom stond ook op de voorhoofdsplaat:‘Kodesj Lasjeem’ – heilig voor Hasjeem. Beide zaken liggen aangeduid in de Tsiets. De zuiver gouden plaat zelf gaf kappara voor de onreinheid van de offers maar het feit dat het op het voorhoofd geplaatst moest worden was om ook voor brutaliteit en ontucht verzoening te doen.
► Daarom was aan de voorhoofdsplaat een hemelsblauwe draad bevestigd, te vergelijken met het hemelsblauw van de Tsietsiet. Ook de Tsietsiet waren bedoeld tegen ontuchtige gedachten. In de voorhoofdsplaat zaten dus drie anti-ontucht aspecten. Op de voorhoofdsplaat zelf stond ‘Kodesj Lasjeem’. Ten tweede is er de hemelsblauwe draad en bovendien droegen de kohaniem een tulband die kappara gaf voor hoogmoed en zelfwaan. Hoogmoed is de voorbode van ontucht. Alleen een verwaand en trots mens meent, dat zijn passies belangrijker zijn dan de heiligheid van het huwelijksleven.
► ‘En je moet het hemd met linnen vakjes maken en ook de muts moet je van linnen maken en de riem moet je van borduurwerk maken’ (28:39).
De Chagamiem stellen (Erechien 16a) dat het hemd kappara geeft voor moord. Het moest helemaal van linnen zijn, want vlas was het offer van Kaïn. Kaïn was de eerste moordenaar in de geschiedenis. Zijn woede werd opgewekt doordat G’d zijn vlasoffer niet accepteerde. Het offer van broer Abel werd wel geaccepteerd. Daarom doodde Kaïn Hewel.
►De mitsnefet, tulband moest van linnen zijn omdat het kappara gaf voor hoogmoed. Deze leek op een kroon, die heerschappij en macht symboliseert. De awneet, riem geeft kappara voor de gedachte van het hart. Daarom was de riem 32 el lang (‘hart’ is in Hebreeuwse getalwaarde 32).
►Slechte gedachten tellen soms zwaarder dan werkelijke overtredingen. Wanneer men werkelijk een avera (overtreding) heeft begaan, heeft men er verder geen behoefte meer aan. Maar een foute gedachte blijft zeer lang doormalen, als een riem om de lendenen gewikkeld is. De riem geeft kappara voor verkeerde gedachten.
►De broek van linnen gaf kappara voor incest. ‘Bad – linnen’ in het Hebreeuws betekent ook: ‘zich afzonderen’. Incest pleegt men in afzondering. De kleren van de kohaniem gaven verzoening voor acht overtredingen. Vier waren zwaar: afgoderij, ontucht, moord en kwaadsprekerij en vier hebben verstrekkende gevolgen, want rechtsverkrachting leidt tot een volslagen corrupte maatschappij. Hoogmoed, slechte gedachten en brutaliteit zijn de basis voor zeer veel overtredingen.
►De Talmoed (Sjabbat 31a) vertelt dat er eens een Geer (proseliet) bij Hilleel kwam:‘Ik wil Joods worden als men mij Koheen Gadol maakt, zodat ik al diens kleren kan dragen. Was deze man vreemd omdat hij alleen maar Joods wilde worden om deze kleren te dragen? Waarschijnlijk had hij door wat voor effecten het dragen van deze kleren had. Hij voelde dat hij al deze averot had begaan en wilde nu met een schone lei beginnen.
Achasjewerosj
► Waarschijnlijk was dit ook de bedoeling van Achasjwerosj toen hij bij zijn grote diner alle kleren van de Hogepriester aandeed (vgl. Megilla 12a).
Achasjwerosj probeerde hiermee twee misstanden rechtzetten. In de Talmoed wordt gesteld, dat wanneer men een grote maaltijd maakt, een bepaalde aanklacht in de Hemel wordt ingediend in de trant van: ’Zie, daar beneden wordt een grote maaltijd aangericht maar men heeft niets voor de Hemel bestemd’ (dit gebeurde zelfs bij Avraham toen hij een Beriet-Mila-maaltijd maakte voor zijn zoon Jitschak).
►Achasjwerosj was bang dat men in de Hemel ontevreden zou zijn over zijn immense maaltijd. Daarom dacht hij dat te kunnen ondervangen door zijn maaltijd in een bepaald opzicht gelijk te maken aan offers op het altaar in de Tempel. Dat zou hem dan de kappara geven. Daarom gebruikte hij bij zijn maaltijd ook de dienstvoorwerpen uit de Tempel als drinkgerei en bestek. Bovendien trok hij priesterkleren aan en zorgde hij ervoor dat er meer te eten dan te drinken was (gelijk de offers op het altaar) en noemde hij zijn dienaren naar de offers. Hij meende hierdoor G’ds woede af te wenden. Hij hoopte op kappara door middel van de kleren.
De priesterkleding verzoent acht overtredingen. Achasjwerosj had gezien hoe zijn voorganger Belsjatszar (zie het schilderij van Rembrandt) gestraft werd toen hij de Tempelvoorwerpen misbruikte. Daarom dacht hij het beter te doen en tijdens zijn maaltijd zoveel mogelijk gelijkenis met de Tempel te creëren. Hij dacht dat hij tijdens die maaltijd zou functioneren als de Hogepriester in de Tempel en zo verzoening met de Hemel zou bewerkstelligen. Hij meende daardoor de Hemelse aanklacht te ontlopen. Zijn dienaren gaf hij namen naar de offers. Zo meende hij gevrijwaard te zijn voor de Hemelse aanklacht dat hij hier op aarde een grote maaltijd maakte maar niet aan de Hemel had gedacht.