Kie Tisa 5770

Sjemot/Exodus 30:11 – 34:35

KIE TISA (als je neemt)
Er vindt een volkstelling plaats, waarbij arm en rijk ieder een halve sjekel betaalt. Betsaleel wordt aangesteld als architect. Op Sjabbat mag er niet aan het Heiligdom worden gewerkt. Mosjee is 40 dagen op de berg en ontvangt de Stenen Tafelen. Het volk denkt dat Mosjee niet terugkomt en eist van Aharon dat er een zichtbare god gemaakt wordt. HaSjeem is woedend en wil het volk doden en uit Mosje een nieuw volk geboren laten worden. Mosje gooit de Stenen Tafelen stuk en voltrekt samen met de stam Levie – die niet aan de afgodendienst heeft meegedaan – de doodstraf aan 3000 afgodendienaren. Mosje houwt nieuwe stenen uit waarop G’d nog eens de Wet schrijft: vernieuwing van het Verbond tussen G’d en Israël.

Toen zei Mosje tegen Aharon: ’Wat heeft dit volk u gedaan, dat je zo’n zware schuld over hen gebracht hebt?’ Maar Aharon zei: ’Wees niet boos; je weet zelf dat dit volk in het boze ligt. Zij zeiden tot mij: maak ons krachten, die voor ons uitgaan, want deze man Mosje, die ons uit het land Egypte heeft gevoerd, wij weten niet wat er van hem geworden is. Toen zei ik tot hen: wie heeft goud? Rukt het af! Ze gaven het mij en ik wierp het in het vuur en dit kalf kwam er uit’ (Exodus 32: 21 – 24).

►Aharon wist niet dat er een gouden kalf uit zou komen. Maar waarom heeft hij het goud in het vuur gegooid? Heeft hij niet meegewerkt aan een mogelijk ernstige misstap?
►Aharon voelde aan dat de mensen een groot probleem hadden met de afwezigheid van Mosje. Mosje was meestal in staat om het verdeelde volk tot een eenheid te brengen. Veertig dagen hadden ze het volgehouden. Nu het erop leek dat Mosje nooit meer zou terugkomen, verloren ze hoop en verbrokkelde hun eenheid. Aharon probeerde het gat, dat Mosje achterliet, op te vullen. Aharon begreep hun probleem. Zij zochten een middel om weer tot eenheid te worden. Aharon dacht dit te kunnen bereiken door een groot eenheidsproject te beginnen waar omheen het volk zich weer zou verenigen.

►Hij vroeg iedereen om goud bij te dragen en hij wilde hiermee één grote baar goud creëren. Ze zouden een eenheidsgift doen en daarbij symbolisch tot gemeenschap worden in de klomp goud, die al hun gaven verbond. Aharon was de ideale persoon om eenheid te smeden: ‘Wees van de leerlingen van Aharon, die vrede najaagt, mensen liefheeft en hen dichter bij de Tora brengt’ (Spreuken der Vaderen 1:12). Aharon doorzag de onzekerheid van het volk, probeerde de oorzaak te helen en hoopte dat de symptomen vanzelf zouden verdwijnen.

►Aharon stond perplex toen er een kalf uit het vuur kwam. Dit wordt toegeschreven aan de macabere krachten van zwarte magie van de vagebonden die meegetrokken waren met het Joodse volk uit Egypte. Vreemde elementen in een hechte groep kunnen vaak voor geweldige onenigheid zorgen. Aharons symbool van nationale eenheid werd gestoord door kwade krachten, die alleen uit waren op ruzie, verdeeldheid en haat. De meegetrokken avonturiers hadden hun eigen agenda. Aharon nam hun gouden sieraden en neusringen aan. Maar deze waren vergeven van de slechte intenties. En zo werd de eenheid van Aharon het struikelblok voor eeuwen.

►G’d heeft Aharon beloond voor zijn goede bedoelingen. Hij zou tot in lengte van dagen het hoofd zijn van de priesterlijke stam, die de offers mocht brengen voor het Joodse volk. Het is de taak van de Hogepriester om heel Israël tot een eenheid te smeden en te richten op de godsdienst. G’d beloonde hem voor eeuwig omdat Aharon via het gouden kalf had gehoopt hen weer te richten op de Eenheid van G’d.

Morele en zedelijke verdorvenheid
Wat was de grote overtreding van het gouden kalf? Volgens Rabbi Jehoeda Hallevi, de `Koezari’, wilden de Joden zich niet losbreken van het Jodendom maar schonden zij slechts een van de verboden. G’d verbood beeldendienst. G’d beschrijft Zichzelf in de Tora als een ijverzuchtige G’d, die het universum alleen geschapen heeft en als exclusieve Almachtige erkend wil worden. Het Joodse volk was Hasjeem ontrouw en kreeg water, vermengd met het goudslijpsel van het kalf te drinken. Het doet allemaal sterk denken aan de procedure van het vloekbrengende water bij overspel.
►Maar er was een extra probleem bij het gouden kalf: “Het volk ging zitten om te eten en te drinken, en zij stonden op om in losbandigheid feest te vieren” (32:6). Volgens onze Chagamiem (Wijzen) is dit een uitdrukking van afgoderij, ontucht en bloedvergieten. Na overtreding van het beeldverbod ontstond er zedelijke en morele verloedering. G’d zegt tegen Mosje: ”Daal af want uw volk heeft zijn levenswandel verdorven” (32:7).
Op weg naar het Heilige Land wordt Am Jisra’eel doorlopend gewaarschuwd tegen de verdorvenheid van de Kena’anitische volkeren. Afgoderij leidt tot grove aardse uitspattingen, geestelijke verwildering en losbandigheid. Het doel van Tora en mitsvot (de geboden) is juist om ons te verheffen.

►De verzoening
Na het debacle met het gouden kalf ontstond weer een hechte band tussen Am Jisra’eel en Hasjeem (G’d). Mosje vraagt Hasjeem vergiffenis en G’d voldoet zelfs gedeeltelijk aan Mosje’s eerdere verzoek “Laat mij toch Uw heerlijkheid zien” (33:18). “Nu daalde Hasjeem in een wolk af en plaatste Zich daar bij hem, en riep met name Hasjeem. Hasjeem trok aan zijn gezicht voorbij en riep: ”Hasjeem, Hasjeem, almachtige G’d, albarmhartig en algenadig, langmoedig en oneindig in genade en trouw, vergevingsgezind…” (34:7).

►G’d maakt Zijn eigenschappen bekend
Hasjeem toont Mosje Zijn eigenschappen. Maar dit is geen zweverige ontmoeting met G’d, geen spirituele egotripperij maar een confrontatie met de ethische kant van de mens, die via zijn G’ddelijke nesjomme (ziel) tot hem komt: “Net zoals Hasjeem barmhartig en genadig is, moet jij dat ook zijn”. Maimonides vraagt zich in zijn More Nevoechiem (Gids van de verdwaalden) af hoe men het Opperwezen kan beschrijven met menselijke termen. Barmhartigheid is een menselijke emotie, die ons soms doet afwijken van de waarheid of de realiteit. Maimonides legt uit, dat G’ds eigenschappen eigenlijk menselijke percepties zijn van hoe G’d inwerkt op de wereld. Als alles lief, perfect en harmonisch verloopt, lijkt G’d ons rachoem toe, medelijdend en barmhartig. Maar als het tegenzit dan lijkt Hasjeem `pokeed avon’ G’d die de zonden van de mens gedenkt.
►Toch zijn de overgrote meerderheid van G’ds eigenschappen in de Tora medelijdend en barmhartig. Slechts af en toe straft G’d. Volgens Maimonides moeten de eigenschappen van een ideale leider G’ds eigenschappen volgen. Hij moet relatief weinig straffen, alleen wanneer het echt niet anders kan.
Een andere uitleg wil, dat Hasjeem hier Mosje leerde hoe hij moest davvenen (bidden) en G’d moest aanroepen. Wij kunnen Hasjeem alleen door Hemzelf kennen. Anders blijven onze gedachten over Hasjeem slechts projecties vanuit ons beperkte wezen op het Opperwezen. G’d moest het ons Zelf leren.

►Melk en vlees: maak het niet te bont
Het verbod om melk en vlees te mengen blijft ‘een chok’ – een onbegrijpelijk voorschrift uit de Tora: ”Je mag het bokje niet koken in de melk van zijn moeder” (Exodus 34:26). De gevolgen van deze drie kleine zinnen uit de Tora zijn enorm voor het Joodse huishouden. Er ontstaan gewoon twee volledig gescheiden keukens. Sommige spijswetten lijken begrijpelijk. We mogen geen roofdieren eten omdat wij hun eigenschappen niet willen overnemen. De mens wordt wat hij eet, nietwaar?
Wanneer melk en vlees per ongeluk samen worden gekookt, moet het vernietigd worden. We mogen er niet van genieten. De Tora gaat erg ver met het verbieden van een mengsel van vlees en melk. Maar de Talmoed en de Joodse praktijk gaan nog verder.
►Een bekende Sefardische Rabbijn heeft eens de volgende uitleg gegeven. G’d heeft de wereld geschapen met de bedoeling dat de mens deze zou heiligen. G’d heeft zich teruggetrokken uit Zijn schepping en is onzichtbaar. Deze `tsimtsoem’ leidde tot een grote G’dsverduistering. G’d heeft Zichzelf beperkt en maakt Zich onzichtbaar achter Zijn fysieke schepping. De bedoeling is dat de mens de G’ddelijke vonk in alles wat hij tegenkomt, ontdekt, die naar buiten brengt en openbaart.

►Na zijn schepping kreeg de mens de opdracht om dat G’ddelijke licht terug te brengen op de materiële wereld. Door heiliging en uitvoering van de mitsvot met fysieke objecten worden ze weer verbonden met het Oneindige Licht en verheven boven hun puur materiële dimensies. Hierdoor openbaart men G’ds Aanwezigheid in de wereld.

►Stelt u zich een cirkel voor die aan de bovenkant open is. Laat de open ruimte aan de bovenkant het scheppingsmoment voorstellen. De cirkel symboliseert het pad waarop wij moeten gaan tot wij de Schepper weer kunnen aanschouwen met de Masjie’ach aan het einde van deze wereld. Schematisch betekent het dat we weer in die open ruimte terecht komen. De schepping is dan voltooid door de ‘big crunch’ waarin alles weer verdwijnt in G’d, net zoals het daaruit voort is gekomen.

►Behalve het levenspad symboliseert de cirkel tevens de beperkingen van deze wereld. Men moet niet buiten de cirkel komen omdat men dan de band met de G’ddelijke Oorsprong verbreekt. Buiten de cirkel verliest de materie contact met het Opperwezen. Het kan niet meer terug naar zijn oorspronkelijke Bron. Daardoor kan het nooit aan zijn scheppingsdoel beantwoorden en eindigt het in chaos.

►De lijn van de cirkel is de scheiding tussen wat toegestaan en wat verboden is. Alles binnen de cirkel kan weer terug gebracht worden tot zijn oorsprong en is dus toegestaan. Hoe materiëler en fysieker de schepping ontwikkeld is, des te onafhankelijker is ze en des te dichter ligt ze bij de buitenlijn van de cirkel. Alles was minder zelfstandig is, is duidelijker afhankelijk van G’d en bevindt zich in het midden van de cirkel, niet ver verwijderd van de oorspronkelijke Bron. De dierenwereld werd vlak voor de schepping van de mens gecreëerd. Hoe onafhankelijker, hoe meer beweeglijk en zelfstandig. ‘Planten hebben nog niets te vertellen’. Maar kleine insecten kunnen al autonoom bewegen.

►Na de mens zijn zoogdieren het hoogst ontwikkeld in materiële zin. Maar het dier is niet begiftigd met een menselijke ziel. Hij kan dus niet in contact komen met geestelijke werelden of met G’d. Het dier kan niet boven de natuur uitkomen. Het dier loopt dus aan de grens van onze denkbeeldige cirkel, kan deze makkelijk overtreden en in spirituele chaos veranderen. Het zou wildgroei betekenen. Teveel ontwikkeling verbreekt de band met de Oorsprong.
Een superdier wordt nog materiëler, aardser, fysieker, meer grof en materialistischer dan de huidige fauna.

►Dierlijk vlees moet geen supervlees worden. Voor de groei van het dier is moedermelk onmisbaar. Alle ingrediënten zijn daarin aanwezig. Daarom is het ook gevaarlijk om melk en vlees te mengen. Melk zorgt voor groei en dieren kunnen doorgroeien maar dit zou indruisen tegen het doel en de grenzen van de Schepping. Daarom is het niet alleen verboden om melk met vlees te eten. Ook het mengsel moet vernietigd worden. Het bestaan van een dergelijk mengsel zaagt aan de fundamenten van G’ds scheppingsplan.

►Een bekende Asjkenazische Rabbijn legt “kook geen bokje in de melk van zijn moeder” met een iets andere nuance uit. Vlees is het dierlijk leven, dat van generatie op generatie voortgeplant wordt. Melk voedt het jonge dier. Melk en vlees symboliseren voortplanting en voeding. Bij dieren zijn beide levensaspecten niet te scheiden. Dieren eten en vermenigvuldigen zich instinctmatig. De mens heeft echter een hogere roeping. Hij mag deze twee aspecten niet door elkaar halen. Zelfs hogere en lagere dierlijke driften moeten wij sublimeren. Wij moeten al onze activiteiten op Hasjeem (G’d) richten en het Hogere in onze activiteiten openbaren. Deze verheven plicht wordt gesymboliseerd door het verbod van het mengen van melk en vlees. Daarom staat dit verbod ook bij de eerste vruchten en de “regaliem” pelgrimsfeesten, om duidelijk te maken dat wanneer wij toegeven aan onze animale instincten, de heiligheid uit het Joodse volk verdwijnt, de wijding van de feesten stopt en Hasjeems zegening ophoudt.

Comments are closed.