Op Jom Kippoer, als de Hogepriester het Allerheiligste betreedt, moet hij speciale kleding aantrekken. De offers worden beschreven, waaronder 2 gelijke bokken, waarvan de ene geofferd wordt en de andere, met de zonden van het volk beladen, de woestijn wordt ingestuurd (de zondebok). Op Jom Kippoer moet men volledig vasten, mag men geen leer dragen, zich niet wassen en niet zalven en geen huwelijksrelaties hebben. Nogmaals wordt uitvoerig gewaarschuwd voor afgodische praktijken. Bloed mag men niet consumeren, want dat is met het leven verbonden. Diverse seksuele praktijken worden verboden – het volk moet heilig zijn en mag geen van de gruweldaden doen die in Egypte bedreven worden.
Naast de opdracht de Sjabbat te houden, wordt een groot aantal ge- en verboden vermeld die de omgang van mens tot mens regelen. Waaronder eerbied voor de ouders, niet stelen, liegen, laster verspreiden. Ook: eerlijk rechtspreken, een dove niet vloeken, geen wrok koesteren, de vreemdeling niet krenken want je bent zelf vreemdeling geweest in Egypte. Niet sjoemelen met maten en gewichten, kinderoffers zijn ten strengste verboden, geen waarzeggers raadplegen. Nog meer verboden seksuele relaties worden vermeld. Het Land, vloeiend van melk en honing wordt toegezegd, maar er moet onderscheid gemaakt worden tussen rein en onrein. “Wees heilig, want heilig ben Ik, G’d”.
►Kedosjiem tihjoe – heilig zullen jullie zijn. Zo opent parsjat Kedosjiem. Dat gaat overigens niet vanzelf.
Voor heiligheid zijn een goede omgeving en inspirerende ouders nodig.
Toen Rabbi Simcha Boeniem van Psjischa, een chassidische leider in Polen (1765-1827), nog jong was, dacht hij dat hij de wereld kon veranderen. Toen hij ouder werd, zag hij dat hij de wereld niet kon veranderen maar misschien wél zijn woonplaats. Daarna begreep hij, dat dát ook te veel was. ‘Ik zal mijn eigen wijk veranderen’, dacht hij bij zichzelf.
Toen hij zag dat ook dát niet lukte, zei hij ‘Ik zal mijn familieleden proberen te bewerken’ en toen ook dat niet ging, zei hij ‘Ik ga nu alleen nog maar mijzelf proberen te verbeteren’. Dit laatste is bijzonder belangrijk want wanneer wij onszelf verheffen zien we, dat onze omgeving plotseling ook meeverandert.
Gemeenschappelijke inspanning
De sidra Kedosjim moest besproken worden met de hele gemeente, alle Joden bij elkaar. Kedosjim betekent: “Jullie moeten heilig zijn”. Dit is het uiteindelijke doel van de Tora. Iemand kan alle Bijbelse ge- en verboden vervullen en toch nog steeds een “boef zijn binnen de grenzen van de Torawet”, een “nawal birsjoet haTora”.
Je kunt vroom zijn maar toch totaal buiten de Torabedoelingen leven. Zelfs glattkosjer voedsel kun je als een ‘chazzer’ eten. Dit is de belangrijkste opdracht van de Tora: heilig worden!
Daarom moest het in de gemeente worden besproken, omdat we nooit heilig op ons eentje kunnen worden.
In de Omertijd
Daarbij moeten we elke dag opnieuw beginnen. Daarom lezen we sidra Kedosjim ook in de omertijd, waarin Rabbi Akiwa centraal staat. Toen Rabbi Akiwa’s levenswerk van het opleiden van zijn 24000 leerlingen plotseling tot een einde kwam – ze stierven allemaal omdat ze elkaar niet konden waarderen en accepteren – begon Rabbi Akiwa gewoon weer opnieuw. Hij zag altijd het goede en het heilige in de wereld. Maar we hebben om heilig te worden een goede omgeving nodig. En die begint thuis. De joodse traditie staat en valt met eerbied en ontzag voor de overdragers van het Jodendom.
Vrezen en eren
“Iedereen moet zijn moeder en zijn vader vrezen” (Leviticus 19:3). In de Tien Geboden staat: ‘Eer uw vader en uw moeder’. Wat is het verschil tussen vrezen en eren? Vrezen betekent dat men de ouders niet mag tegenspreken en zelfs hun woorden niet mag bevestigen door te zeggen: “Wat mijn ouders zonet hebben gezegd, is juist”. Men mag niet op de speciale plaats of zetel van de ouders staan of gaan zitten. Zelfs wanneer ouders het kind in het openbaar beledigen, blijft het verboden hen terug te beschamen.
Verschillende ouders voorop
Eren betekent dat het kind de ouders verzorgt, van eten, drinken en kleding voorziet en erop let dat ze alles krijgen wat ze nodig hebben. Onze verklaarders vragen zich af waarom bij het vrezen de moeder eerst wordt genoemd en bij het eren de vader eerst. Het antwoord luidt dat zowel vader als moeder evenveel geëerd als gevreesd moeten worden. De Tora gaat alleen in tegen een natuurlijke tendens bij de kinderen. Kinderen zijn over het algemeen minder bang voor hun moeder dan voor hun vader en daarom wil de Tora, dat de moeder voorop staat wanneer we het hebben over vrezen en ontzag.
De Tora wil de juiste verhoudingen naar de ouders toe in balans brengen. Aan de andere kant houden kinderen doorgaans meer van hun moeder dan van hun vader en daarom wordt de vader voorop gezet bij het eren, dat een uiting is van liefde.
Toch bestaat er een hiërarchie. Wanneer er strijd is tussen de wensen van vader en moeder, gaan die van vader voor en wanneer er strijd is tussen de ouderlijke wensen en die van G’d, gaat G’d voor. Daarom staat er ook ‘En ieder zal zijn moeder en vader vrezen en jullie zullen Mijn Sjabbatdagen in acht nemen’ (19:3). Ook de ouders zijn G’d gehoorzaamheid verschuldigd. Daarom gaan de wensen van G’d boven die van de ouders.
Ware eerbied
In de Talmoed (B.T. Kedoesjiem 31a) wordt verteld over Dama ben
Netina – een heiden overigens – die zijn vader op buitengewone wijze eerde. Op een dag gebeurde het dat op het borstschild van de Hogepriester de jaspissteen ontbrak van de twaalf edelstenen. De Geleerden hadden vernomen dat er in Asjkelon een jaspis te koop was, die de verloren steen zou kunnen vervangen. Ze hadden er een fabelachtig bedrag voor over om dit bij Dama te kopen.
Maar de kluis was op slot en de sleutel lag onder het kussen van zijn vader. Zijn vader sliep en Dama was niet bereid zijn vader wakker te maken uit eerbied. Kijk, dat is echte eerbied!
De beloning kwam toch
Uiteindelijk begrepen de Chagamiem, dat ze onverrichter zake naar huis terug moesten keren. Een uur later werd de vader van Dama wakker. Hij rende achter de Geleerden aan en bood hen de jaspis voor het oorspronkelijke bedrag, dat de Chagamiem geboden hadden. Hoewel de Geleerden tot duizend goudstukken hadden opgeboden, wilde hij er niet meer dan honderd voor hebben, omdat hij de eer van zijn vader niet wilde verkopen voor negenhonderd goudstukken.
Zijn beloning niet lang op zich wachten. Een jaar later wordt in zijn kudde een rode koe geboren die zeer zeldzaam is. Één rode koe was voor een paar honderd jaar voldoende in de Tempeldienst (Bemidbar, hoofdstuk 19). Dama ging op bezoek bij onze Chagamiem. Zij betaalde hen precies duizend goudstukken, voor de rode koe, het bedrag dat hij het jaar ervoor was misgelopen. Zo werd hij voor de kibboed aw beloont! (B.T. Kiddoesjien 31a).
“Heb uw naaste lief gelijk u zelf” (19:18)
De Tora werd gegeven aan het Joodse volk maar delen ervan gelden ook voor andere volkeren. Zo geldt het renteverbod alleen binnen het Joodse volk. Zou dit ook gelden voor onze buren dan zou het Joodse bevolkingsdeel per saldo binnen de kortste tijd verarmen omdat wij aan anderen geen rente zouden mogen vragen terwijl anderen dat wel aan ons zouden mogen vragen. Als wij anderen onbaatzuchtig moeten liefhebben terwijl dat niet zou gelden vanuit die anderen tegenover ons dan zou een emotioneel scheve verhouding ontstaan. Velen zijn het niet met hem eens maar Opperrabbijn Joseef Tsvi Hertz van het Britse Gemenebest vindt aanwijzingen, dat de naastenliefde toch iets breder kan worden getrokken. Hij stelt, dat velen verbaasd zijn wanneer ze horen dat deze hoofdregel uit de Tora stamt. John Stuart Mill bijv. realiseerde zich pas op latere leeftijd dat deze regel lang voor het Nieuwe Testament bekend was.
De Targoem Jonathan vertaalt deze gouden regel van het Jodendom in negatieve zin: “Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet”. Dit herinnert ons en aan de bekende discussie tussen een heiden en Hilleel. De heiden wilde dat Hilleel de hele Tora aan hem zou onderwijzen terwijl hij op één voet stond. Hilleel deed dat en citeerde: “wat gij niet wil dat u geschiedt, doe dat ook de ander niet”. Dit is de hele Tora de rest is uitleg.
Rabbi Akiva verklaarde “heb u naaste lief gelijk uzelf” in de eerste eeuw (n.d.g.j.) tot een van de hoofdregels van het Jodendom. Zijn tijdgenoot Ben Azai verwijst naar Genesis 5:1: “Dit is het boek van de mensengeneraties. Op de dag dat G’d de mens schiep, heeft Hij hem in de gelijkenis van G’d gemaakt”.
Wat is de grond van broederschap? Dat alle mensen geschapen zijn naar G’ds beeld. Daarom zijn alle medemensen gelijkwaardig. Iedereen heeft evenveel recht op naastenliefde.
De moraliteit van de Tora is niet gebonden aan fysieke grenzen. Het geldt voor iedereen. Rabbi Jehoeda Hechassied uit de twaalfde eeuw zegt “dat G’d op de dag van het oordeel alle volkeren ter verantwoording zal roepen voor het schenden van het gebod “Gij zult uw naaste lief hebben als u zelf” – omdat zij zich daar meestal niet aan gehouden hebben. Rabbi Jehoeda Hechassied was een mysticus. Hij vatte alles samen wat de profeten uit Tenach in hun tijd gezegd hadden over de rijken, die de armen verdrukten of de volkeren die elkaar niet menselijk behandelden.
Aanvallen op het Jodendom.
Uit sommige kringen horen wij nog wel eens de kritiek dat het woord Re’a (naaste) alleen zou slaan op onze Joodse medeburgers. Re’a betekent in de Tora ook een naaste van een ander geloof, een ander volker of een ander ras. Zo staat er vlak voor de uittocht uit Egypte in Exodus (11:2) “laat iedere man van zijn buurman en iedere vrouw van haar buurvrouw juwelen en zilver lenen”. Hier slaat het niet op Joden maar op Egyptenaren. Ieder schepsel heeft recht op menselijke waardigheid.
Wij lezen in Wajikra 19:34: “de geer die bij jullie woont zal voor jullie zijn als de inboorling en je zult hem liefhebben als u zelf, want jullie waren geriem in het land Egypte”. Slaat dit op een vreemdeling van Joodse of van niet Joodse oorsprong, dwz. mensen, die in de loop van de tijd Joods zijn geworden?
De Joden in Egypte, waarover de pasoek spreekt, waren vreemdelingen. Zij dienden niet dezelfde goden als de Egyptenaren. In Egypte waren zij de allochtonen. Strikt doorgeredeneerd spreekt de pasoek Leviticus 19:34 over de vreemdeling die bij alle volkeren niet welkom was, geen vrienden had en niet of nauwelijks kon rekenen op bescherming en onderdak. De Joden in Egypte werden verdrukt.
Negatieve parafrase
Hilleel parafraseerde de regel “hebt uw naast lief gelijk u zelf” op een negatieve manier “wat gij niet wil dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet”.
Wat gij niet wilt wat u geschiedt, is echter een omschrijving, een andere manier om het gebod van “heb u naaste lief gelijk u zelf” te verduidelijken. Maar dat wil niet zeggen dat het Jodendom de naastenliefde op een negatieve manier benadert.
De oudste geschriften hebben het al in positieve zin over de naastenliefde zoals bijvoorbeeld Rabbi Elazar ben Arach stelt in Pirkee Avot: “laat de eer van je naaste je zo dierbaar zijn als je eigen eer”. Nieuw Testamentici claimen het auteursrecht over ”heb u naaste lief gelijk uzelf”. Het monopolie hierop stamt echter uit het Jodendom.
Doorlopende afweging
Het Jodendom is realistisch en begrijpt, dat de menselijke maatschappij een doorlopende afweging van eigenbelang tegenover andermans belangen eist.
Hilleel zei het al: “als ik niet voor mezelf ben, wie zal dan voor mij zijn en als ik alleen voor mezelf ben wat ben ik dan?”.
Het Jodendom kent geen gelofte van armoede waarin men alles weggeeft aan een anderen. Nergens in de Tora staat dat wij de naasten meer moeten lief hebben dan onszelf. En uiteindelijk moet men in eerste instantie voor het eigen leven kiezen. Het Jodendom gaat uit van een gezonde balans van belangen.
De Talmoed schetst een moeilijke keuze (Bava Metsia 59b). Wanneer wij met z’n tweeën door de woestijn lopen en we hebben maar één kruik water die van mij is, moeten we dan beiden drinken zodat we elkaars dood niet hoeven aan te zien of mag de eigenaar van de kruik water deze geheel opdrinken en overleven ten koste van de ander.
De Talmoed citeert twee meningen. Ben Petora stelt, dat beiden de kruik water moet opdrinken zodat de een de ander niet hoeft te zien sterven. Maar Rabbi Akiva zegt: “Nee, je eigen leven gaat voor. Het heeft geen zin om twee mensen te laten sterven wanneer dat feitelijk niet nodig is, hoe cru dit ook moge klinken. Heb je naaste lief zoals jezelf is realistisch hoewel het een duidelijk maximum vormt.