Beha’alotecha 5770

BEHA’ALOTECHA (bij het aansteken): Toen de tijd gekomen was voor het Pesachoffer bleken sommige mannen onrein. Zij krijgen verlof voor een inhaalmogelijkheid, het Pesach sjenie. De stammen trekken op of blijven op hun plaats als de wolk of de vuurzuil optrekt of pas op de plaats maakt. Het optrekken geschiedt volgens een vastgestelde volgorde. Er moeten twee zilveren trompetten gemaakt worden. Alle verschillende tonen hebben een speciale betekenis.

Bij het vertrek richting Israël vraagt Mosjé zijn schoonvader mee te gaan. Jitro wil echter naar zijn eigen land terugkeren. Als het volk klaagt omdat ze geen vlees kunnen eten en het Egyptische menu in de herinnering roept, breekt een Hemels vuur uit. Mosjé is wanhopig en beklaagt zich om de zware last die het volk op hem legt. HaSjeem besluit de leiderslast te verdelen over 70 oudsten. Het volk wordt beloofd dat ze een maand lang vlees zullen eten, totdat het hun neus uitkomt omdat ze G’d versmaad hebben. Inderdaad komen geweldig veel kwartels neer maar de G’ds woede treft het volk zwaar. Mirjam spreekt met haar broer Aharon kwaad over Mosjé; HaSjeem maakt duidelijk dat Hij direct met Mosjé, een zeer bescheiden mens, spreekt. Mirjam wordt melaats en Mosjé davvent (bidt) voor haar.

“Mirjam en Aharon spraken over Mosje vanwege de Ethiopische vrouw, die hij gehuwd had want hij had een Ethiopische vrouw getrouwd. Zij zeiden: `Heeft Hasjeem dan alleen met Mosje gesproken? Hij sprak toch ook met ons? G’d hoorde dit’. De man Mosje was de bescheidenste mens, die op aarde leefde” (12:1-2).

Rasjie legt hier uit, dat wij het bericht over een Ethiopische vrouw niet letterlijk moeten nemen. Mosje had maar een vrouw, Tsippora, en die was een Midjanitische. Nu kan Ethiopische ook zwart betekenen en zou men kunnen vertalen, dat Mirjam en Aharon spraken over de zwarte huidskleur van Tsippora. Sommige Midjanieten waren kennelijk heel donker (Ibn Ezra). Daar het Jodendom niet racistisch is – iedereen kan Joods worden – en uit de context niet blijkt, dat Mirjam aanmerkingen maakte over Tsippora’s zwarte uiterlijk neemt Rasji hier aan, dat zij spraken over Tsippora’s uitzonderlijke schoonheid.

Black is beautiful. Volgens Rasji spraken Mirjam en Aharon over het feit, dat Mosje geen contact meer had met zijn vrouw en zich volledig gewijd had aan zijn G’ddelijke openbaringen.
Hoe wist Mirjam, dat Mosje zich had afgescheiden van zijn vrouw? Mirjam stond naast Tsippora toen het nieuws rondging, dat Eldad en Medad profeten waren geworden. Vertwijfeld riep Tsippora uit: “Wee de vrouwen van deze profeten. Als hun mannen verbonden raken met profetie, zullen zij geen aandacht meer hebben voor hun vrouwen gelijk mijn man Mosje, die geen contact meer met mij heeft”.
Mirjam ving dit geshockeerd op en vertelde het aan Aharon. Zij onderhielden Mosje hierover maar zonder kwade bedoelingen. Zij meenden, dat dit indruiste tegen de Tora, de Leer van Mosje, die altijd aandacht voor het aardse had gepredikt.

Tsippora’s schoonheid
Mirjam en Aharon roemden daarom Tsippora’s schoonheid. Het woord `koesji’ moet men in overdrachtelijke zin begrijpen: ”Net zoals iedereen het eens is over de zwarte huidskleur van een Ethiopier, zo ook was iedereen het eens over Tsippora’s schoonheid, die niet alleen lichamelijk maar ook geestelijk van aard was. Tsippora was de perfecte vrouw, zowel in aardse als in spirituele zin”.
Dat Mosje geen contact meer had met Tsippora lag niet aan haar uiterlijk of innerlijk. Het was puur vanwege zijn intense contacten met het Opperwezen, dat Mosje zich had afgescheiden van zijn vrouw.
Daarin waren Mirjam en Aharon zijn minderen. Zij realiseerden zich kennelijk niet, dat Mosje hen ontstegen was. Zoals vaak bij subtiele lasjon hara (kwaadsprekerij) projecteert men de eigen omstandigheden en eigenschappen op anderen. Mirjam en Aharon beroemden zich er op, dat zij ook met het Opperwezen spraken maar toch een gewoon huwelijks leven leidden. Maar zij vergisten zich in het profetisch niveau van hun jongere broer Mosje.
Rasji’s verklaring past goed in de context want de episode over het huwelijksleven van Mosje en Tsippora volgt direct op het profetische optreden van Eldad en Medad. Zijn verklaring verdraagt zich echter wat minder goed met de letterlijke betekenis van het woord `koesji’, dat overigens in gematria, getallenwaarde ook `mooi van uiterlijk’ betekent.

Rasjbams verklaring
Rasji’s kleinzoon, Rabbi Sjemoe’eel ben Meir, bijgenaamd de Rasjbam, verklaart het woord `koesji’ letterlijk. Mosje was namelijk inderdaad in een ver verleden getrouwd met de koningin van Ethiopie.
Wat was er gebeurd? Na de dood van een Egyptische opzichter besloten Datan en Aviram Mosje aan te geven bij Farao. Datan, die gered was uit de handen van de Egyptenaar, vertelde, dat Mosje de Egyptische opzichter gedood had. Farao besloot dat Mosje gedood moest worden. Mosje moest vluchten voor zijn leven maar hij werd gearresteerd. Hij beklaagde zich bij Hasjeem dat hij nu wel begreep dat het Joodse volk deze zware slavernij moest ondergaan. Ze verraadden elkaar bij de overheid. Dat is een zeer kwalijke zaak.
De beul probeerde Mosje te executeren maar de nek van Mosje veranderde in marmer. Het zwaard sloeg terug in het gezicht van de beul, die stierf. Mosje vluchtte het paleis uit en werd door Hasjeem geholpen. Iedereen die hem achtervolgde werd blind. Zo kon Mosje het land Egypte verlaten.

Mosje in het land Koesj (Ethiopië)
Mosje wilde Bileam doden omdat die het Joodse volk erg veel kwaad had gedaan. Bileam vluchtte met zijn zoons Janus en Jambrus naar Koesj. Koning Kikonus haalde Bileam gastvrij binnen en benoemde hem tot zijn raadgever. De koning moest op een gegeven moment oorlog voeren tegen de Bnee Kedem, die hem geen belasting meer betaalden. Bileam bleef als plaatsvervanger achter en maakte van de gelegenheid gebruik om zich tot koning te laten kronen.
Bileam versterkte de stad aan twee kanten met hoge muren. Langs de derde windrichting liet hij een diepe gracht graven en aan de vierde kant zorgde hij dat er overal slangen woonden, zodat de hoofdstad onneembaar was. Koning Kikonus kwam na de oorlog terug. Tot zijn verbazing was de hoofdstad onbereikbaar geworden en hij besloot om beleg te slaan rond zijn hoofdstad. Op dat moment arriveerde Mosje. Hij verbaasde zich over het feit, dat koning Kikonus zijn eigen hoofdstad moest heroveren.

Mosje was nog jong maar bijzonder sterk en mooi en bovenal wijs. Het beleg duurde echter ontzettend lang. Koning Kikonus stierf na negen jaar. De soldaten kozen Mosje als koning. Mosje moest toen met Adonia trouwen, de weduwe van de koning. De soldaten werden onrustig omdat de belegering veel te lang had geduurd. Ze vroegen Mosje hoe ze de stad zouden kunnen veroveren. Het zwakke punt van de stad was de muur van slangen en ongedierte. Mosje beval zijn soldaten ooievaars af te richten voor de jacht en liet hen drie dagen niet eten. Daarna stuurde hij zijn soldaten af op de slangenkuil. Iedereen moest zijn ooievaar op zijn schouder meenemen. De ooievaars werden losgelaten en er bleef geen slang meer over. De zelfgekroonde Bileam moest rennen voor zijn leven. Mosje kreeg in het koninklijk paleis de oude kroon van Kikonus en werd opnieuw tot koning gekroond.
Alle schatplichtige volken uit de omgeving hadden gehoord dat Kikonus was overleden en betaalden hun belastingen niet meer. Mosje wist hen toch te onderwerpen. Koningin Adonia had een zoon Muncham, die het op een bepaald moment groot genoeg was en troonopvolger wilde worden. Ook koningin Adonia wilde dat graag. Ze hield een toespraak tot haar volk en vertelde dat Mosje al veertig jaar koning was maar haar nog met geen vinger had aangeraakt: ”Mosje heeft een ander geloof dan wij. Het is een schande dat een vreemdeling over ons de baas speelt. Het is beter dat Muncham, mijn zoon en de zoon van Kokinus, zal regeren.” Mosje Rabbenoe verliet het land met grote rijkdom omdat de mensen van Ethiopië hem trouw hadden gezworen. Veertig jaar had Mosje het land van de Ethiopiërs geregeerd.

Mosje verliet Ethiopië op zijn 67ste. Hij vertrok naar Midjan omdat hij niet terug durfde naar Egypte.

Mosje vlucht naar Midjan
Jitro moest vluchten voor Farao omdat hij gepleit had voor de Joden. Maar hij was een groot en geleerd man en werd direct aangesteld als priester voor de afgoden. Jitro doorzag echter dat die dode beelden niets konden uitrichten. Ook in Egypte was hij al tot die conclusie gekomen. De Midjanitische afgoderij was minstens even dom. Jitro had elk geloof onderzocht. Uiteindelijk bleek hem dat alle religies vals waren. Alles was bedacht door mensen. Jitro had het ware geloof nog niet gevonden. Maar hij wilde niet meer in de afgodentempel optreden. Hij zei tegen de Midjaniten, dat hij te oud was: ”Haal al jullie beeldjes maar op. Ik stop ermee.”
De Midjanieten begrepen dat Jitro niet in hun goden geloofde en deden hem in ban. Niemand trouwde meer met zijn dochters. Niemand wilde hem helpen. Zijn zeven dochters bleven ongetrouwd en moesten het kleinvee zelf weiden. Geen herder wilde ook maar iets voor ze doen. Ook bij de bron werden de dochters van Jitro gediscrimineerd. Ze moesten altijd het langst wachten. De herders waren af en toe zo bruut dat ze de meisjes in het water duwden.

Opeens kwam Mosje in zijn Egyptische kleren langs. Hij gaf de herders een stevig standje en redde de meisjes. Het water kwam Mosje tegemoet en hij gaf alle dieren, ook die van de schaapherders te drinken. Toen Mosje de bron verliet, zakte het water weer weg. Overal waar een tsaddiek komt, heerst beracha (zegen).
Jitro begreep niet waarom zijn dochters al zo snel terug waren. Zij vertelden hem dat zij een Egyptische man waren tegengekomen die hen had gered uit de handen van de herders. En ze vertelden over G’ds Voorzienigheid wat ze hadden gehoord van die Egyptenaar. Jitro werd nieuwsgierig en vroeg zijn dochters om hem uit te nodigen. Hij was niet zozeer gastvrij maar hij hoopte op een toekomstige schoonzoon.
Tsippora rende terug naar de bron om de vreemdeling naar huis te brengen. Jitro vroeg aan Mosje wat hij in Midjan deed. Mosje vertelde dat hij op de vlucht was voor Farao. Toen hij dat hoorde, werd Jitro zo bang dat hij Mosje in een put gooide. Daar bleef hij de komende tien jaar. Tsippora gaf hem stiekem te eten. Tien jaar later vroeg ze aan haar vader: ”Wilt u die man terugzien die u tien jaar geleden in de put heeft gegooid?”. Jitro kon zijn oren niet geloven: “Die man moet allang dood zijn want hij heeft niks te eten gekregen.” Maar Tsippora vertelde over de geschiedenis van de voorouders van Mosje: “Avraham werd gered uit de kalkoven en Jitschak was bijna geslacht op het altaar. Ja’akov overwon in de strijd met de engel. Deze man werd gered van het zwaard van Farao toen zijn nek veranderde in steen.”
Jitro liet Mosje uit de put halen. Het bleek dat hij daar stond te davvenen tot Hasjeem. Mosje werd geschoren en netjes aangekleed en naar zijn huis gebracht. Toen Mosje zich later in de achtertuin van Jitro terugtrok om Hasjeem te bedanken voor Zijn wonderlijke redding, zag hij een prachtige staf uit de grond steken. Hij bracht die naar Jitro. Mosje wilde weten van wie die was. Jitro zei: “Het is een heel speciale staf die ik weg heb genomen uit het Egyptische hof na de dood van Joseef. Degene die deze staf bezit, zal de Joden bevrijden uit Egypte. Niemand anders kon hem uit de aarde trekken. Dit voorspellen de sterren.”
Het was de staf die G’d Zelf aan Adam had gegeven. Adam had het doorgegeven aan zijn zoon Sjet. Uiteindelijk kwam het in bezit van Avraham. Daarna kreeg Jitschak hem. Vervolgens Ja’akov, daarna Joseef en uiteindelijk werd hij, na de dood van Mosje Rabbenoe, overhandigd aan koning David en alle goede koningen uit de Davidische dynastie.

Jitro kreeg eerbied voor Mosje. Mosje leerde hen alle principes van het Joodse geloof. Met name Tsippora nam zijn woorden met volle teugen in zich op. Ze zorgde dat alle afgoderij uit huis verdween. Tsippora betekent vogeltje en herinnert ons aan het vogeloffer dat iemand, die melaatsheid had, moest brengen als offer. Tsippora had alle goede eigenschappen van de aartsmoeders Sara, Rivka, Racheel en Lea tezamen. Mosje had veel aan Tsippora te danken. Op zijn 77ste trouwde Mosje met haar en werd kort daarna uitverkoren om Am Jisra’eel te verlossen.

De koesji was koningin Adonia
Rasjbam doelt op koningin Adonia met zijn verklaring van `koesji’. Mirjam en Aharon onderhielden Mosje over het feit, dat hij wel 40 jaar met Adonia getrouwd kon zijn maar nog geen vijf jaar met Tsippora en nu al geen contact meer met haar onderhield. Rasjbam let meer op de psjat, eenvoudige betekenis van het woord `koesji’ dan op de context. Rasji let meer op de context dan de letterlijke betekenis van een enkel woord. Daar ligt het verschil tussen grootvader Rasji en kleinzoon Rasjbam.
(Bronnen: Jalkoet Sjimoni I:168, Ramban Sjemot 2:23, Rasjbam 12:1-2, The Midrash Says met toestemming van Rabbi Moshe Weissman, Siftee Chagamiem)

Comments are closed.