BEMIDBAR (in de woestijn). Bij telling blijken er meer dan 600.000 mannen van 20 jaar en ouder te zijn. De Levieten worden apart geteld: vanaf één maand. Het vervoer van het draagbare Heiligdom is hun taak. De stammen worden in een vierkant gelegerd rondom het Heiligdom: drie stammen per windrichting, ieder met zijn eigen banier. Zo moeten ze ook optrekken. De stam Levi wordt rondom het Heiligdom gelegerd. De stam Joseef wordt verdeeld in Efraïm en Menasjé. De rol van de eerstgeborenen wordt overgenomen door de Levieten omdat zij het gouden kalf niet hadden gediend. De Levieten worden verdeeld in de drie belangrijkste families: de Gersjonieten, de Kehatieten en de Merarieten. De draagtaken van de onderdelen van het Misjkan worden verdeeld. Conformisme?
Enkele weken geleden verscheen er in een Nederlands periodiek een artikel tegen traditionele Joden. Hun traditionele kleding werd afgedaan als conformisme, sleur, ongeinspireerd en ouderwets. Ze zouden niet durven weg breken uit de anonimiteit van hun gemeenschappelijke klederdracht. Zo zou er, volgens de schrijver, niet veel overblijven van hun eigen individualiteit. Door zich uniform te kleden verliest het individu zijn eigen, specifieke karakteristieken en karaktertrekken. Traditionele Joden werden weggezet als primitief, zonder eigen persoonlijkheid en met weinig intelligentie.
Maar dit is niet wat de Tora voor ogen staat. Juist aan het begin van het vierde boek van de Tora worden verschillende tellingen gehouden. In eerste instantie worden alle mannen geteld die kunnen uittrekken in het leger. Dit zijn mannen tussen de twintig en de zestig jaar. Hier geldt het criterium van taakgerichtheid; ze moeten kunnen uittrekken in het leger en als soldaten vechten. In hun uniformen zijn ze bijna anoniem. Hoe hun persoonlijkheid er uit ziet, wie zij feitelijk zijn, waar hun ambities en idealen naar uitgaan, lijkt verder niet werkelijk interessant. Na de telling blijkt de totaalsom van de dienstplichtige soldaten 603.550.
Geen functionaliteit bij Levie
Maar de Levieten waren niet bij deze getelden opgenomen. In hoofdstuk 3, zin 15 staat: “tel de nakomelingen van Levie volgens hun stamhuizen, naar hun families. Allen van het mannelijk geslacht, van een maand en daarboven moet je tellen”. Uiteindelijk bleken er tweeëntwintig duizend Levieten te zijn. Opvallend is hier dat de Levieten werden geteld vanaf een maand en ouder. Deze ondergrens van een maand heeft te maken met het feit, dat een baby van een maand nog niet geheel levensvatbaar is, althans dat het niet zeker is, dat het deze periode goed zal doorstaan. Daarom wordt een babytje pas vanaf de 31e dag gelost bij de pidjon habeen, de lossing der eerstgeborenen. De Levieten worden als mensen geteld, vanaf een maand omdat bij hen hun taak veel minder belangrijk wordt. Het gaat veel meer om de Levieten als persoon.
Bij kohaniem geen getal
Tot onze verbazing worden echter de kohaniem niet eens met getal vermeld. Ze worden alleen bij naam vermeld: “dit zijn de namen van de zonen van Aharon: de eerstgeborene Nadav, voorts Avihoe, Elazar en Itamar. Dit zijn de namen van Aharons zonen, de gezalfde priesters, die met het priesterambt zijn bekleed”. Als we deze drie tellingen met elkaar vergelijken, zien we een stijgende lijn, in die zin, dat hoe dichter bij G’d hoe persoonlijker en individueler de band met het Opperwezen wordt.
De kohaniem staan voor G’d als Zijn dienaren. Zij worden met naam genoemd. Er wordt geen getal vermeld. Hun privé namen duiden op hun specifieke karaktereigenschappen (grote Chagamiem konden uit iemands naam zijn of haar karakter afleiden). Hoe dichter bij Hasjeem (G’d) hoe persoonlijker de band wordt. De Levieten stonden iets verder van G’d af in de hierarchie. Zij dienen de kohaniem en staan als het ware op het tweede plan. Zij worden al mens geteld vanaf een maand. Nog iets verder staan de gewone Bnee Jisraëel, die voornamelijk naar hun funcities worden geteld.
Optimale maximalisatie
De Tora maakt ons duidelijk dat ons religieuze leven ons niet van onze individualiteit berooft. Jodendom geeft onze individualiteit juist meer cachet. De bedoeling van de onze religie is juist, dat wij onze specifieke eigenschappen, talenten en capaciteiten tot een maximum ontplooien. Wij moeten onze eigen persoonlijkheid maximaal optimaliseren in religieuze en joods-maatschappelijke zin.
Hoewel het uiterlijk van traditionele Joden soms vrij uniform overkomt, is dit juist de springplank voor het ontwikkelen van de eigen individualiteit. Wanneer de individualiteit niet in de kleren maar in de sprankelende verschillende persoonlijkheden zit, niet in het uiterlijk maar juist in het innerlijk, wordt aan de opdracht van de Tora voldaan.
Wat betekent de midbar, woestijn?
In 1947 stemden de Joden, zij het met tegenzin, in met het verdelingsplan van de Volkerenbond. Beter een half ei dan een lege dop, moeten de beslissende stemmen gedacht hebben. De Arabieren kenden dit spreekwoord niet, kozen eieren voor hun geld en stemden tegen: liever een lege dop dan een half ei.
Een groot deel van de Tora speelt zich af in de woestijn. Vanaf Exodus hoofdstuk 13 – Besjalach – tot het overlijden van Mosje zaten we letterlijk bemidbar, in de woestijn. Geheel tegen alle sociale gebruiken en conventies in, zijn we daar een volk geworden, buiten ons vaderland. Anders dan alle andere volkeren, die hun wet op eigen bodem ontwikkelden, kregen wij midden in een onherbergzame wildernis een wet, die in een of andere vorm door vrijwel alle beschaafde volkeren is overgenomen. Wat betekent deze woestijn-les?
We zijn altijd in staat geweest om in woestijnen van rampspoed en ellende, die ons in de loop der eeuwen getroffen hebben, door te gaan en vol te houden. Ondanks alle tegenslagen zijn we altijd in staat geweest om ons hoofd boven water te houden. De Tora is gegeven in de woestijn . Niet in Israël omdat wij anders wellicht zouden denken dat de Tora alleen in Israël geldig zou zijn of alleen voor Israeli’s bedoeld zou zijn.
Het Misjkan, het reizende Heiligdom in de woestijn was een maand eerder, op 1 Nisan 2449 ingewijd. Nu werden de Bnee Jisra’eel weer geteld en op Hemels geinspireerde wijze stamsgewijs rond het Misjkan gelegerd om parallel te lopen met de Hemelse legers (groepen) Engelen, die ronds G’ds Troon gegroepeerd staan. Zo zijn wij alle ballingschappen doorgekomen: omdat wij ons altijd gegroepeerd hebben rond de Tora, ons transportabele vaderland, dat de essentie van het Misjkan vormde. In het Allerheiligste stond de Aron hakodesj, de Heilige Arke, waar de draagbalken niet uit gehaald mochten worden als symbool van onze constante bereidheid Hasjeem overal, waar Hij ons heen leidt, te volgen.
Maar er was meer symboliek, die onze tocht door de woedende baren van de geschiedenis leidde. Waar haalden we dat continue enthousiasme vandaan om maar te blijven doorgaan? Uiteraard is de uiteindelijke bron van al onze kedoesja-energie onze G’ddelijke nesjomme (ziel), die ons aards bestaan met de Hemel verbindt. En de Hemel is een onuitputtelijke energiebron. Maar is daarvoor een symbool te vinden in het doorlopend reizende Misjkan (Heiligdom)? Jazeker!
Nesjomme-vuur
Bij het ontmantelen van het Misjkan om het klaar te maken voor de reis, staat er: ”Dan nemen zij al het dienstgerei, waarmee men in het Heiligdom dienst doet, doen dit in een kleed van hemelsblauwe wol, bedekken het met een dekkleed van tachasj-vel en zetten dit op een draagbaar…Het altaar moeten ze van as zuiveren en er over heen spreiden ze een kleed van purperrode wol” (4:11-13). Rasji (1040-1105) vraagt zich ter plekke af wat er met het Hemelse vuur gebeurde. Naast aards vuur brandde op het altaar ook een Hemels vuur. Hoe werd dat vervoerd? Rasji legt uit, dat dit Hemels vuur in de vorm van een leeuw onder een koperen stolp lag en zo het dekkleed niet verbrandde tijdens de reis van het Misjkan.
Tijdens onze reis door dit bittere goles is ons nesjomme-vuur, die Hemelse energievulkaan, nooit verdwenen. Onder de moeilijkste omstandigheden bleef dit branden. Overal begrepen we, dat buiten ons Heilige Land een half ei beter was dan een lege dop. Het was ook nooit meer dan een half ei, die goles-ervaring. Gelukkig konden we deze week Jom Jeroesjalajiem vieren, de enige ondeelbare hoofdstad van het Joodse land. Het halve ei groeide gestaag uit, door bitachon, emoena, blood, sweat and tears, tot een ondeelbare eenheid ad biat go’eel tsedek bimhera bejamenoe, ameen.
Sjawoe’ot: feest van geestelijke groei
Komende week vieren wij het Wekenfeest. Sjawoe’ot – het feest van het ontvangen van de Tora – is de gelegenheid bij uitstek om ons eens in zeer fundamentele vragen te verdiepen, die de essentie van onze spirituele opdracht raken. In Pirké Awot (VI:2) komt een opmerkelijke uitspraak voor: “Tevens zei Rabbi Jehosjoe’a ben Levie, naar aanleiding van Sjemot/Exodus 32:16 ‘De Tafelen – met de Tien Geboden – waren G’ddelijk werk en het schrift was G’ddelijk schrift – charoet – gegrift in de Tafelen; lees niet ‘charoet’ maar ‘chéroet’, vrijheid. Want alleen degene die de Tora bestudeert is werkelijk vrij en een ieder die Tora leert, komt steeds op een hoger peil”.
Binding en vrijheid
Dat men door constante Tora-studie steeds op een hoger plan komt, lijkt logisch omdat de Tora G’ds wijsheid bevat. Hoe meer men van deze ‘chogma’ in zich opneemt, hoe dichter men bij G’d komt en hoe hoger men reikt. Maar dat ‘alleen degene, die Tora bestudeert werkelijk vrij is’, dat is een zeer opmerkelijke uitspraak. Juist in onze tijd van liberalisme, tolerantie en individualisme lijkt gehechtheid aan de Tora een belemmering voor onze individuele ontplooiing. Het omgekeerde lijkt waar te zijn: hoe vaak horen we niet dat juist de voorschriften van de Tora ons overal beperkingen opleggen. We kunnen niet zomaar overal eten, op Sjabbat kunnen we niet naar het strand, onze gebeden moeten op vaste tijdstippen worden uitgesproken…Kort maar krachtig: met handen en voeten zijn wij gebonden aan de Tora. Is dat nu de werkelijke vrijheid, die Rabbi Jehosjoe’a ons belooft?
Gezag en ontplooiing
De Tora eist van ons dat wij ons aan haar voorschriften houden, wat telkens een vorm van onderwerping inhoudt. Wanneer wij een gezagsverhouding aangaan met een mens van ‘vlees en bloed’ betekent dit inderdaad dat wij onze eigen wensen en verlangens tijdelijk ‘in de ijskast’ zetten. Als wij ergens in dienst treden en voor een ‘baas’ gaan werken, worden wij geacht ons 8 uur per dag volledig voor het werk van onze werkgever in te zetten. Onze eigen ontplooiing en de invulling van onze eigen behoeften verschuiven wij naar de avonduren. Er zijn maar zeer weinig mensen die het lukt om hun eigen identiteit en persoonlijkheid volledig te actualiseren in de werkopdrachten van aardse autoriteiten. Mystieke ervaringen vinden bijvoorbeeld zelden of nooit op de werkvloer plaats. De mensen van de directie en het personeel sporen zelden gelijk, noch qua inhoud, noch qua tempo.
Tora is ontplooiing
Bij het Tora-gezag lijkt dat echter anders. Hoewel het zeker waar is, dat de Tora onvoorwaardelijke onderwerping aan haar gezag eist, is juist de Tora-Gever in staat geweest een systeem te creëren, waardoor beide doelen tegelijkertijd haalbaar zijn: een maximale onderwerping is de voorwaarde voor de meest optimale persoonlijke ontplooiing. Het verschil tussen een menselijke en de G’ddelijke ‘baas’ ligt ingebed in de volgende punten:
a. De G’ddelijke ‘baas’ heeft ons niet nodig, de menselijke baas wel. Door zijn menselijke beperkingen is de directeur niet in staat alles zelf te doen. Hij moet veel delegeren en overlaten aan zijn ondergeschikten.
b. Hierdoor is het zo dat de aardse baas anderen inhuurt voor de realisatie van zijn plannen, of dit nu de verkoop van een bepaald product betreft of de bouw van een nieuw kantorencomplex.
Door Zijn ‘onbeperktheid’ en ‘onafhankelijkheid’ is G’d nu juist bij uitstek in staat een systeem te creëren waarin juist de persoonlijke groei van Zijn onderdanen centraal staat.
Veel regels
Het is ontegenzeggelijk waar dat de Tora-Gever ons vele regels voorschrijft. Wat G’d hiermee beoogt, is juist het meest menselijke – en bij het Joodse volk is dat het meest ‘Joodse’ – te optimaliseren. En daarbij sluit de Tora aan en doet een beroep op ons hoogste menselijke ambities. Het Tora-leven wordt ook wel eens omschreven als een ontdekkingsreis naar ons ‘ware ik’. Maar om dat ‘echte eigene’ te bereiken, moet aan vele randvoorwaarden voldaan worden, juist in onze jachtige, prestatie- en productgerichte maatschappij. De eindeloze stroom nuttige en nutteloze informatie, het eeuwig bezig zijn met allerlei dingen buiten onszelf en onze ‘echte nesjomme’ – presteren en produceren – doen ons al snel vergeten waar het werkelijk om draait in het (Joodse) leven.
Neem de Sjabbat als voorbeeld: er bestaan inderdaad veel beperkingen, geen telefoon, televisie, krant of radio. Maar juist die beperkingen stellen ons in staat om ons weer eens op onszelf te concentreren en weer kennis te maken met wie en wat we zelf zijn in onze relatie tot G’d (dawwenen), onze medemensen – ons eigen gezin – en de gewone menselijke omgang aan tafel thuis en last but not least onze eigen religieuze, intellectuele en emotionele aspecten, die we kunnen ontwikkelen in Tora-studie en diepgaande gesprekken. Wat een dag!
Wat voor de Sjabbat geldt, geldt ook voor vele andere complexen van ge- en verboden. De Tora is zo uitzonderlijk omdat zij ons – stap voor stap en ieder op zijn niveau – begeleidt bij het verwezenlijken van ons ware ego. Dat ware ik is uiteindelijk onze jiddisje nesjomme. En dat is een ontdekkingsreis waar we een heel leven lang over kunnen doen.
Frisheid en extase
Laat mij besluiten met een opmerkelijke samenloop van psychologie en ons Jodendom. Iedere dag rennen we naar de brievenbus voor het laatste nieuws. De woorden van de Tora echter doen bij velen ‘ouderwets’ aan. Toch stellen onze Wijzen, dat de ‘woorden van de Tora ons iedere dag als het grootste nieuws moeten opvallen’. Hadden onze Chagamiem dan geen oog voor de realiteit? Weer zo’n ‘moeten’ van de bovenste plank? Ik geloof van niet: de Tora wil van ons zelf-ontplooiende mensen maken. Van zelf-actualiserende mensen is het bekend, dat zij het vermogen hebben om de fundamentele goederen van het leven telkens weer fris en naïef, met ontzag, plezier, verwondering en zelfs extase te appreciëren, hoe ‘oudbakken’ die ervaringen ook door anderen gevonden mogen worden.
Misschien vormt deze uitspraak van onze Wijzen een test, waaraan wij ons niveau van spirituele groei kunnen afmeten: indien wij keer op keer weer in staat blijken creativiteit en (mystieke) topervaring aan diezelfde gegevens, die eens 3322 jaar geleden op de Sinaï geopenbaard werden, te ontlenen, mogen wij aannemen dat we op de goede weg zijn. Bij de Tora zijn wij aan het goede adres: het is immers de weergave van de steeds vloeiende, altijd verfrissende Bron van alle Leven!