Emor 5770

Kohaniem mogen geen contact met doden hebben, niet met een gescheiden vrouw huwen en niet onrein of met bepaalde gebreken dienst in de Tempel doen. Alleen kohaniem mogen van geheiligd voedsel eten. Een dier dat geofferd wordt mag geen gebrek vertonen. Een rund of schaap mag niet op dezelfde dag als het jong geslacht worden. Nogmaals volgt de eis tot werkonthouding op Sjabbat. Daarna worden de verschillende feestdagen met een aantal bepalingen vermeld. Aharon moet de kandelaar voortdurend brandend houden. In het Heiligdom stond een tafel met 12 toonbroden. Een man die de G’dsnaam vloekt, wordt buiten de legerplaats gestenigd. Allochtonen en autochtonen moeten gelijk behandeld worden.

► Een koheen mag zich aan niemand onder zijn volk verontreinigen behalve aan zijn naaste familie” (21:1-3).
Kohaniem mogen geen contact met doden hebben, niet met een gescheiden vrouw huwen en niet onrein of met bepaalde gebreken dienst in de Tempel doen. Alleen kohaniem mogen van geheiligd voedsel eten. Een dier dat geofferd wordt mag geen gebrek vertonen. Een rund of schaapL mag niet op dezelfde dag als het jong geslacht worden. Nogmaals volgt de eis tot werkonthouding op Sjabbat. Daarna worden de verschillende feestdagen met een aantal bepalingen vermeld. Aharon moet de kandelaar voortdurend brandend houden. In het Heiligdom stond een tafel met 12 toonbroden. Een man die de G’dsnaam vloekt, wordt buiten de legerplaats gestenigd. Allochtonen en autochtonen moeten gelijk behandeld worden.

► Een koheen mag zich aan niemand onder zijn volk verontreinigen behalve aan zijn naaste familie (21:1-3).
De koheen mag zich echter wel verontreinigen aan zijn overleden familieleden. Dat is zelfs een mitswa.
Maimonides schrijft in zijn Sefer Hamitswot (gebod 37) “de Tora heeft de kohaniem weggehouden van verontreiniging door doden. Niettemin is het toegestaan om zich aan hun eigen doden wel te verontreinigen en bezig te zijn met hun begrafenis. Dit wordt niet overgelaten aan de keus van de kohaniem. De Tora zegt duidelijk dat hij zich moet verontreinigen aan zijn familieleden. Wil hij zich niet verontreinigen dan wordt hij daartoe gedwongen. Het gebeurde eens bij Joseef de koheen dat zijn vrouw op erev Pesach overleed. Hij wilde zich niet aan haar verontreinigen omdat hij anders het Beth haMikdasj – de Tempel – op Pesach niet zou kunnen binnen gaan. De Wijzen hebben hem toen tegen de kist aangeduwd en hem tegen zijn zin in verontreinigd”.
Maimonides stel zeer duidelijk dat er een mitswa bestaat van aveloet, rouwen over de dood. Het is ons verboden om ons te onttrekken aan tragedies. Radbaz werd een keer gevraagd: “is het goed dat een van onze geleerden een zoon verloor en dat hij geen traan over hem gelaten heeft? Is dat in orde of niet?”.

Zijn antwoord was heel duidelijk, dat dit een slecht eigenschap is en een hard karakter toont. Het is een uiting van wreedheid. Hij die huilt en treurt over gestorven familieleden en ook over andere goede mensen getuigt van goede eigenschappen. Dit laat de zuiverheid van zijn ziel zien en zijn onderworpenheid aan zijn Schepper.
Niet voor niets hebben onze Wijzen gezegd dat er dertig dagen voor gehuil zijn. Als dat niet goed zou zijn, zou men er zelfs geen drie dagen voor hebben ingesteld.
Rouw is een uiting van een gevoel van verlies. Rouw is de achterkant van de liefde. Men probeert het vaak te vermijden maar dit is geen goede zaak.

► Spreek tot de kinderen Israëls: de feesttijden van HaSjeem, die u zult uitroepen als heilige samenkomsten, dit zijn Mijn feesttijden. 3. Zes dagen mag arbeid verricht worden maar op de zevende dag zal er volkomen Sjabbat zijn. 4. Deze zijn de feesttijden van HaSjeem, uitroepingen tot heiliging, die U op hun bepaalde tijd zult uitroepen (Wajikra 23: 2 4).
Hoofdstuk 23 van Wajikra geeft een overzicht van alle Jamiem Toviem, de feestdagen van het Joodse jaar. De verwijzing naar Sjabbat lijkt niet erg op zijn plaats. Wellicht is dit de reden, dat de openingsvers bijna letterlijk wordt herhaald in vers 4, na de verwijzing naar de Sjabbat. Het lijkt erop alsof de Tora wil zeggen dat de draad weer wordt opgepakt. Waarom wordt de inleidende tekst voor de Jamiem Toviem onderbroken met Sjabbat?

Er is een fundamenteel verschil tussen Sjabbat en Jamiem Toviem. Sjabbat herinnert ons aan de schepping van de wereld en is voor eeuwig gefixeerd op de zevende dag van de week. De Jamiem Toviem worden echter op een flexibelere wijze vastgesteld. Toen het Sanhedrien – het hoogste joodse rechtscollege nog bestond, kon men schrikkeljaren instellen door het toevoegen van een extra maand Adar. Dit gebeurde om ervoor te zorgen dat de Jamiem Toviem op hun juiste datum vielen (Pesach moest in de lente vallen en Soekkot in de herfst) of om ervoor te zorgen dat de Joden, die onderweg naar Jeroesjalajiem niet verder konden vanwege de slechte toestand op de wegen, toch op tijd in Jeroesjalajiem konden zijn of omdat de Pesachoffers niet op tijd klaargemaakt konden worden omdat er onvoldoende tijd was om de ovens te repareren. De belangrijkste reden was echter om het Joodse maanjaar te harmoniseren met het zonnejaar, zodat Pesach en Soekkot altijd op de juiste tijd zouden invallen. Het Sanhedrien baseerde het recht om een extra schrikkelmaand in te stellen op de pesoekiem (verzen) 2 en 4 “die U zult uitroepen”.

Rasjie (1040-1105) formuleert de vraag als volgt: “Wat heeft Sjabbat te doen met de Jamiem Toviem?”. Het antwoord luidt: men had kunnen denken dat de Jamiem Toviem minder belangrijk zijn dan de Sjabbat. Daarom worden ze naast elkaar behandeld om aan te geven dat Jamiem Toviem even ernstig genomen moeten worden als Sjabbat. Het in acht nemen van de Jamiem Toviem wordt vergeleken met het naleven van de Sjabbatrust. Maar waarom had men kunnen menen, dat de Jamiem Toviem minder belangrijk zijn dan Sjabbat?

De negentiende eeuwse commentator Malbiem geeft aan dat dit veroorzaakt wordt door het feit, dat de maanden en dus ook de datum van de Jamiem Toviem door het Sanhedrien worden vastgesteld, terwijl de Sjabbatdag onwrikbaar vaststaat. Feit blijft, dat de data `man made’ zijn. Toch hebben zij dezelfde graad van kedoesja (heiligheid) als de vaste Sjabbat hoewel zij flexibel qua datum zijn. Nachmanides, een commentator uit de 13e eeuw, suggereert echter dat de verwijzing naar Sjabbat in pasoek 3 ons duidelijk wil maken, dat de Sjabbat niet de tweede plaats inneemt wanneer dat deze samenvalt met Jom Tov.

De Gaon van Wilna (18e eeuw) geeft een originele verklaring voor het probleem van `Sjabbat tussen de Jamiem Toviem’. Hij verklaart, dat vers 3 niet op Sjabbat slaat maar in feite op alle feestdagen van de Joodse kalender. “Zes dagen mag er arbeid verricht worden” slaat op de zes dagen van het jaar wanneer wij Jom Tov vieren volgens de Tora. Noodzakelijke werkzaamheden ter verhoging van de feestvreugde mogen worden uitgevoerd (zoals koken en dragen) maar echt werk is op Jom Tov verboden.
Deze Jamiem Toviem volgens de Tora zijn: de eerste en laatste dag Pesach, de eerste dag Sjawoe’ot, de eerste dag Rosj Hasjana, de eerste dag Soekkot en Sjeminie Atzeret. Echter “op de zevende dag” wat duidt op de zevende Jom Tov, Jom Kippoer, is er een totale rustdag. Want op Jom Kippoer mag evenmin als op Sjabbat geen enkel werk – ook niets voor de feestvreugde – gedaan worden. Volgens deze uitleg is de pasoek “op de zevende dag is het een heilige Sjabbat” een algemene inleiding op de voorschriften van Jamiem Towiem en wil de Tora daarmee hun respectieve verlichtingen en verzwaringen aangeven.

Omertelling
Wij tellen de Omer en dat laat zien dat we niet alleen het doel maar ook het proces op weg naar het doel belangrijk is. We gaan door een geestelijk rijping van 49 dagen. Om van een slavenvolk tot een Toravolk te worden kost tijd. We moeten geduld hebben met dit rijpingsproces. We leven in een tijd waar alles om snelheid en directe resultaten draait. In plaats van een stevig dieet laten we onze magen verkleinen. Maar alleen langdurige processen leveren blijvende resultaten op. De Omertelling benadrukt het belang van het begrip tijd. Alle duurzame processen hebben tijd nodig.
Het eerste wat heilig was in de Joodse geschiedenis was een hoeveelheid tijd, de Sjabbat. Maar Jodendom heeft meer met tijd.

De Joodse tijdrekening is altijd zeer precies geweest en getuigt van grote kennis en kundigheid. Het Romeinse kalender liep op een bepaald moment zoveel achter dat Julius Ceasar in het jaar 46 voor de gewone jaartelling besloot om eenmalig een jaar van 445 dagen in te voeren. Maar ook deze Juliaanse kalender was niet precies en na 1500 jaar werd de Gregoriaanse kalender ingevoerd. Toen in 1752 in Engeland deze Gregoriaanse tijdsberekening werd ingevoerd moest men elf dagen verspringen. De dag na twee september was het veertien september en de mensen waren bang dat hun leven zou verkorten. Ze gingen de straat op en betoogden: “geef ons onze dagen terug”.
Onze jaarkalender is zeer precies en een combinatie van een maan- en zonnekalender zodat Pesach altijd in de lente en Soekot altijd in de herfst valt.
Een modern aspect van de Omer en tijd is de datumgrens.

De Datumgrens
► Dan zult u voor uzelf tellen van de dag na de Sjabbat, van de dag waarop u de Omer van de beweging brengt: zeven volle weken zullen het zijn; tot de dag na de zevende Sjabbat zult gij tellen, vijftig dagen (23:15).

Wanneer iemand van Oost naar West of van West naar Oost vliegt, passeert hij de datumgrens. Waar de datumgrens volgens de halacha precies ligt is een meningsverschil tussen de Chagamiem (Wijzen). Volgens sommigen ligt hij tussen China en Japan en was het voor de Joden in de Tweede wereldoorlog die met de Mirrer Jesjieva gevlucht waren naar Sjanghai een vraag of zij volgens de halacha de datumgrens al over waren gestoken en dus op een andere datum zaten dan de plaatselijke bevolking.
Uiteindelijk werd voor de praktijk besloten volgens de tweede mening die stelt, dat de datumgrens in de Beringstraat loopt. Stel dat men midden in de Omertelling over de datumgrens heengaat en zo een dag verliest of wint.

Over deze vraag bestaan drie meningen. Rabbi Betsaleel Stern, de auteur van het werk “Betseel haChogma” (5:96-98) is van mening dat wanneer men één dag extra krijgt op zijn vlucht over de datumgrens, men nogmaals de Omertelling van gisteren moet herhalen, maar zonder beracha (hij is immers al geteld). Zonder beracha (vermelding van de G’dsnaam) betekent niet echt werkelijk tellen. De rest van de dagen telt men mét beracha mee met de plaatselijke bevolking. Er ontbreekt immers niets aan de telling.
Als men een dag verloren heeft, is men echter uit de Omertelling. De keten van dagen is verbroken. Zodra men de datumgrens oversteekt, telt men de nieuwe dag zonder beracha – men telt immers geen hele dag – en daarna telt men door met de locale Joden maar zonder beracha want uiteindelijk is de heelheid van de negenenveertig dagen tellen verbroken.

Rabbi Menasjee Klein uit New York is in zijn magnum opus Misjne Halachot (10:121) echter van mening dat wanneer men één dag verliest door het oversteken van de datumgrens men die ene gemiste dag wel telt maar zonder beracha. Maar daarna telt men wèl gewoon mee met de plaatselijke bevolking en met beracha omdat men uiteindelijk in de telling niks gemist heeft omdat men gewoon doorgeteld heeft, zij het één dag zonder beracha.
Als men later terugkomt op de plaats van oorsprong en het nog steeds Omertijd is (dwz. tussen Pesach en Sjavoe’ot), men een dag te veel heeft en over die dag al een beracha heeft gezegd, telt men die dag toch maar zonder beracha en de overige dagen telt men weer verder mét beracha.

De Lubavitscher Rebbe, Rabbi Menachem Mendel Schneursohn stelt echter dat men zich totaal niet moet bekommeren om de plaatselijke telgewoonte. Tellen is een puur subjectieve aangelegenheid. Eenmaal begonnen telt men gewoon door zoals men tot nu toe geteld heeft. Men slaat geen dag in de telling over en men verdubbelt geen dag. De Omertelling is een privé aangelegenheid. Het heeft niets te maken met de plaats waar men is.

Omdat Sjavoe’ot (het Wekenfeest) het enige feest is in de Tora dat geen vaste datum heeft maar gewoon 50 dagen na Pesach valt, tellen de reizigers tot de vijftigste dag en vieren dan Sjavoe’ot. Het kan dus zijn – volgens de Lubavitscher Rebbe – dat men Sjavoe’ot viert op een andere datum dan de mensen op de plaats van bestemming en men 3 dagen Jomtov moet houden (bijv. 5, 6 & 7 Sivan).
Men moet in de gebeden wel oppassen met de frase dat het vandaag `het feest van het geven van de Tora’ is. Dat was een gemeenschappelijke ervaring en dat kan men alleen zeggen bij de locale gemeenschappelijke viering van Sjavoe’ot.
Als men er onderweg een dag bij gekregen heeft en eerder is begonnen met het vieren van Sjavoe’ot (5 Sivan), zegt men alleen op zijn tweede dag Sjavoe’ot (hun eerste dag) dat het vandaag het feest van het geven van de Tora is. Als men onderweg een dag verloren heeft, zegt men “Het is vandaag het feest van de Tora” op de locale tweede dag.
Hoe het ook zij: voorkom problemen, overschrijdt de datumgrens niet in de Omertijd!

Oog om oog, tand om tand
Aan het eind van de parsja staat, dat de straf voor lichamelijk letsel luidt: “breuk voor breuk, oog om oog, tand voor tand, zoals iemand letsel aanbrengt bij een ander zo zal hem gedaan worden” (24:20).
Onze Wijzen onderwezen echter dat het hier gaat om een financiële schadevergoeding en niet om een letterlijke vergelding. Om dit harde vergeldingsrecht zijn wij in de loop van de geschiedenis met name door de Christelijke kerk zwaar gekapitteld.
Maar onze Chagamiem wilden van geen letterlijke toepassing weten. Rabbi Baroech Epstein, de auteur van de Tora Temima, legt uit waarom onze Wijzen “oog om oog, tand om tand” nooit letterlijk wilden nemen: “de Chagamiem beseften dat de wegen van de Tora aangenaam zijn en dat het niet kan zijn dat de Tora zoiets nutteloos als een letterlijke vergelding van het kwaad zou voorschrijven”.
Als men echter `oog om oog’ op financiële vergoeding laat slaan dan kan de beschadigde partij de schade aan zijn lichaam verminderen en zich enigszins schadeloos gesteld voelen.

Rabbi Epstein legt uit dat de bedoeling van G’d in Zijn Tora is dat lichamelijk letsel alleen goed gemaakt kan worden door geldelijke compensatie. Onze Wijzen kennen de waarden die ten grondslag liggen aan de Tora. Het is ondenkbaar dat juist op dit terrein de Tora haar algemeen waardepatroon niet zou activeren en ons zou opdragen om nog meer lichamelijke gebreken aan te brengen. De agressor ook een oog uitslaan draagt niets bij aan het herstel van de beschadigde persoon.

Als dit waar is, rijst de vraag waarom de Tora dan niet gewoon schrijft “betaal euro’s voor een verloren oog” in plaats van `oog om oog’? “Oog om oog” duidt op absolute rechtvaardigheid. Maar omdat er vele andere overwegingen meespelen zoals medelijden, sociale verantwoordelijkheid en herstel van de aangevallen persoon besluit de Misjna tot een niet letterlijke uitleg en geeft onze mondelinge Leer aan dat lichamelijke letsel financieel gecompenseerd moet worden. Toch mogen we niet vergeten dat er een absolute rechtvaardigheid bestaat, die had moeten luiden “oog om oog”. We moeten dit altijd in ons achterhoofd houden, juist in onze tijd.
We leven tegenwoordig in een tijd van relativisme. Alle waarden zijn relatief. In ons post-modern tijdperk geldt dat iedereen zijn eigen waarheid heeft. We kunnen mensen alleen nog maar straffen vanwege het nut. De strafwet schrikt potentiële misdadigers af. Zo wordt de maatschappij of de economie beschermd. Rechters beoordelen naar pragmatische overwegingen.

Absolute waarden bestaan niet meer maar Tora gaat uit van deugden, normen en waarden die wel absoluut zijn. De mondelinge praktijkleer geeft aan dat wij deze pasoek niet letterlijk moeten vertalen naar het dagelijkse leven. Echte rechtvaardigheid is niet altijd mogelijk. Toch geeft de Tora met een duidelijke hint aan dat uiteindelijk zaken als recht, waarheid en rechtvaardigheid geen relatieve maar absolute waarden zijn.

Comments are closed.