Deze week is het Sjavoeot. Tijd om ons te bezinnen op de chinoeg, opvoeding van de kinderen en verafstaanden. Er bestaan twee benaderingen bij opvoeding: in-depth, een diepte-investering waarbij men de volle omvang van het Jodendom meegeeft aan de kinderen met alle details. Maar er bestaan ook omstandigheden waarin men – helaas – niet altijd alles van alle onderwerpen kan behandelen. Soms moet men rekening houden met het niveau van de ontvanger.
Tora betekent onderricht. Naso betekent verheffing. Veel onderwerpen uit Naso hebben te maken met verheffende opvoeding. Opvoeding in zedelijke moraal (sota), arbeidsethos (de taken van de Levieten), zuiverheid (wegzenden van de onreinen), toegeven van misstappen (een zondaar moet zijn zonden belijden en onrechtmatig verkregen geld teruggeven met een boete voor ’t slachtoffer), beperking en zelfbeheersing (nazier), gerichtheid op het positieve en opbouwende, tsedaka en chessed – door bij te dragen en te offeren aan het nationale Heiligdom Misjkan, dat ingewijd werd.
Wanneer iemand een Naziergelofte aflegt, is dat meestal voor een maand. Hij mag dan geen wijn drinken, druiven eten, rozijnen of druivenpitten of druivenschillen eten. Hij mag zijn haar niet scheren en niet in contact komen met een dode, zelfs wanneer dit naaste familieleden betreft (een koheen mag zich wel verontreinigen aan naaste familieleden). Hierna volgt de drievoudige priesterzegen.
Misvatting
Als wij het hebben over een nazier, dan denken velen direct aan een man (de nazier voorschriften golden overigens ook voor vrouwen) van onthouding en celibaat. Dat zijn pas heiligen, denken sommigen onderbewust, beinvloed als we zijn door onze omgeving. Maar het Jodendom leert juist, dat wij Hasjeem, G’d voornamelijk dienen door Zijn dirigerende Hand ook en juist in de mooie en positieve levensaspecten te zien.
Een van mijn collega’s moest eens naar een officiele instantie in Zuid-Amerika. Hij nam zijn zoontje mee. Toen de ambtenaar vanachter het loket hem vroeg wat hij deed voor zijn beroep, antwoordde hij: Rabbijn. Maar de ambtenaar kende dit beroep niet. Mijn collega wilde er geen wetenschappelijk expose van maken en zei: “Dat is een soort Joodse priester”. De ambtenaar moest lachen en wees op zijn zoontje: “Hoe kan je dan kinderen hebben?”.
Onze opvatting over nazierschap is een andere dan de plezierontkennende houding in onze omgeving. Hasjeem wil dat wij genieten van Zijn wereld en ons niet de normale aardse geneugten ontzeggen.
Toch ligt de zaak iets complexer. De houding van de Tora tegenover de Naziergelofte is zowel negatief als positief. Aan de ene kant wordt het sterk afgeraden om zich aardse geneugten te ontzeggen, aan de andere kant is er toch een regeling voor. Het is wel een mitswa maar toch niet echt de wil van Hasjeem. Ramban beziet de Nazier positief. Hij brengt een zondoffer omdat hij het Nazierschap verlaat en Ibn Ezra vertaalt Nazier als kransdrager.
De Nazier is wel heilig maar begaat ook een denkfout met deze ‘neder’ (gelofte). Het is aan de ene kant goed om zich af te zonderen van de aardse geneugten, voor iemand die vreest, dat zijn mindere ik – zijn verlangen naar wijn of verdovende middelen – de overhand krijgt. Uit de Talmoed blijkt ook, dat het haar onverzorgd laten groeien goed werkt tegen ijdelheid. Daarbij wijst de Tora een gulden middenweg. Een Nazier onthoudt zich alleen van de wijn omdat het niet drinken van wijn geen nadelig effect heeft op onze gezondheid. Het haar mag niet verzorgd worden omdat onze lichamelijke ijdelheid enigszins onderdrukt wordt zonder dat wij ons pijnigen. Vroomheid uit zich in kleine dingen.
De bedoeling van de Nazierregeling is juist om lichamelijke ontberingen te voorkomen en de mens ervan te weerhouden om schuldgevoelens en agressie op zichzelf te richten. De Sjach wijst ons erop dat de Tora voorschrijft alleen op Jom Kippoer te vasten. Daarbij wordt ook nog opgedragen om op 9 Tisjrie te eten. De Ostrowetser stelt, dat vasten en onthoudingen geen overtredingen zijn wanneer men daardoor inderdaad tot een hoger niveau komt. De Alsjiech wijst er op dat na de parsja van de Nazier de beracha van de kohaniem komt. De Tora geeft hiermee aan, dat het niveau van de kohaniem ook weggelegd is voor gewone stervelingen en toont een weg om ons geheel voor HaSjeem af te zonderen van alle aardse futiliteiten.
Aan de andere kant stelt Chatam Sofeer, dat de Nazier een zondoffer moet brengen omdat hij ‘kapara’ (verzoening) nodig heeft en door zich af te scheiden van het normale aardse bestaan de jetser hara (onze aardse neiging) uitdaagt. Het zou ook kunnen zijn, dat men kapara nodig heeft omdat men zich, door zich te verheffen boven de medemens, onterecht beter voelt dan de ander en neerkijkt op de buren.
De 18e eeuwse Klie Jakar wijst ons er dan ook op, dat de standaardduur van een Naziergelofte dertig dagen is omdat men beetje bij beetje moet werken aan zelfbeheersing. Wanneer men zich via korte perioden van afzondering daarin traint, is dat een goede zaak. Tora is chinoeg!
Onderwijs
Voorgaande brengt ons op een belangrijke vraag uit het onderwijs, belangrijk in verband met Sjavoeot. Onlangs kreeg ik de vraag voorgelegd `of het niet wat vrolijker kon in ons Joodse onderricht’. Ik doe voornamelijk volwassenenonderwijs. Men wilde meer nadruk op levensblijheid, de positieve kanten van het Jodendom etc. Men wilde meer Midrasj als verhalende ervaring want `dat sprak hen meer aan dan al die regels’.
Ik ging nietsvermoedend in op de vraag. We deden de Midrasj op de akedat Jitschak, de offerande van Isaac, dat toen de parsja van de week was. Mijn toehoorders, Holocaustsurvivors en tweede generatie WOII-getraumatiseerden konden dit bijna niet aan. Sommigen werd dit letterlijk te veel. De Midrasj brengt vaak kern-religieuze aspecten ter sprake, die door merg en been gaan.
Bij de vraag welke onderwerpen en welke details te behandelen moet men erg letten op de omstandigheden en doelstellingen van het leren van de Tora.
We realiseren ons te weinig, dat er enorme verschillen kunnen bestaan tussen de wijzen waarop we de mensen moeten benaderen om diezelfde Tora door te geven. De midrasj brengt de rol van Mosje Rabbenoe als herder, die voor de jonge schaapjes zacht gras uitzocht en voor de sterkere dieren taaie plantjes. Hetzelfde geld in het onderwijs. Hoe verschilt de Joodse van de profane opvoeding en hoe zit het bij onderwijs aan de periferie?
Joodse opvoeding versus profane
Chinoeg en profane opvoeding zijn bijna tegengestelde, en in ieder geval principieel verschillende, bezigheden. Seculiere opvoeding is maatschappijgericht, wordt bepaald door de gegeven omstandigheden van de moderne, wereldse realiteit en bereidt voor op de grote maatschappij van sociaal aanzien en maatschappelijk succes. De zingeving van het individuele bestaan, en de omgang met wezenlijke waarden van het leven, komen in de klas niet, of slechts marginaal en uiterst summier, aan de orde. Lange tijd leerde men op school alleen vrij technische vakken, zoals taal, rekenen, geschiedenis en aardrijkskunde en werd er weinig tijd en aandacht besteed aan waarden en normen.
Dat is de laatste twintig jaar enigszins gewijzigd maar de meeste en belangrijkste aandacht gaat nog steeds uit naar de `harde’ onderwerpen terwijl vakken over waarden en normen nog steeds als behoorlijk `soft’ en dus niet echt bepalend voor de opleiding worden ervaren door ouders en leerlingen.
Levensheiliging
De beste vertaling van chinoeg is wijding en levensheiliging. Chinoeg betekent de kinderen inwijden in het culturele erfgoed van het Joodse volk. Chinoeg is theocentrisch en religieus gericht, hoewel het intermenselijke aspect zeker niet verwaarloosd wordt.
Chinoeg is niet of nauwelijks gericht op het nut of de noodzaak van de seculiere praktijk en is in een diaspora omgeving eerder tegen, dan op de maatschappij gericht. Chinoeg wil kinderen tijdloze en bovenaardse idealen bijbrengen en voor onze omgeving zijn de meeste riten, symbolen en waarden volstrekt onbegrijpelijk, zeker in Noord-Europa waar als hoofdregel geldt dat als `je je gewoon gedraagt, je al gek genoeg doet’.
Ook de vakken, die wij in het Joodse curriculum doceren, worden in onze omgeving als behoorlijk `vreemd’ en `irrelevant’ ervaren. Het is als buitenaardse kennis, die midden in een totaal andere cultuur wordt gedropt.
Maar wij nemen aan dat ieder kind een religieuze aanleg heeft. Chinoeg wil bij dit mensaspect aansluiten, het ontplooien en zingeven. Chinoeg moet leiden tot duidelijke antwoorden subjectief en objectief op wezensvragen naar de zin van het religieuze bestaan en de kinderen inwijden in de essentiële waarden van het religieus maatschappelijk leven.
Hen moet worden bijgebracht dat de Tora voor ons een levenszaak en taak is, waarbij éénheid in denken, voelen en praktiseren een conditio sine qua non is. Bij chinoeg ligt grote nadruk op intellectuele prestaties maar emotionele vorming is minstens even belangrijk.
De leraar als verlengstuk van de ouders
Deze verschillen vertalen zich ook naar de taak van een leraar. De rol van de leraar is in de profane zienswijze meer één van het opleiden tot waardenvrije, technische vaardigheden, zoals rekenen en wiskunde ook op de universiteiten wordt slechts waardenvrije wetenschap gedoceerd terwijl de ouders zelf wel bepalen welke levenswaarden zij hun kinderen meegeven. Dit kan ook niet anders in onze pluriforme maatschappij.
Daarentegen is de rol van de rebbe-leraar veel meer emotioneel beladen, omdat hij als verlengstuk van de ouders religieuze eeuwigheidswaarden moet overdragen, begrippen die lang niet zo voor de hand liggend zijn als de meeste profane studieonderwerpen.
Ouders uit traditionele kring hechten veel meer waarde aan topprestaties in de religieuze sfeer dan aan het profane ‘onderste uit de kan’. Eigenlijk is de vader verplicht zijn kinderen zelf religieus op te voeden. Door tijdgebrek of gebrek aan kennis wordt deze ouderlijke taak overgedragen aan de rebbe leraar, die eerder deel van het gezin vormt dan dat hij een vreemde buitenstaander is.
De realiteit van alledag tegenwoordig
Voorgaande geldt voornamelijk bij de standaard Joodse opvoeding in traditionele kring. Daar kunnen en moeten ook de zwaarste beproevingen aan de orde komen als deel van de opvoeding voor de Joodse realiteit. Maar zodra we daarbuiten komen, gelden heel andere belangen.
Uiteindelijk gaat het er tegenwoordig bij het onderwijs in bredere kring voornamelijk om er voor te zorgen, dat de kinderen, die ons toevertrouwd zijn, binnen het Jodendom blijven, betrokken zullen zijn bij het wel en wee van de Joodse gemeenschap en religie, niet zullen assimileren en opgaan in de vaart der volkeren.
Liefde en positivisme centraal
Als liefde voor Hasjeem (G’d) en de medemens de centrale thema’s in de Tora zijn (vgl. Devariem 6:5 en Vajikra 19:18 en Rasji aldaar in naam van Rabbi Akiva) moet onze benadering gericht zijn op het opwekken van liefde voor Tora en religie zijn.
In B.T. Joma 86a wordt dit verder uitgewerkt in de opdracht de Tora geliefd te maken bij iedereen. Dit doen wij door de Tora nauwgezet te bestuderen, ons oor te luisteren te leggen bij grote Wijzen, eerlijk en oprecht te zijn en aangenaam om te gaan met alle mensen. “Wat zullen de mensen dan zeggen? Gelukkig is de mens die Tora heeft geleerd. Gelukkig zijn zijn ouders, die hem Tora hebben onderwezen. Gelukkig is zijn leraar, die hem Tora leerde. Hoe weinig geluk smaken diegenen, die geen Tora leren. Zie deze persoon. Hij leerde Tora en zie hoe fijn zijn attitude is, hoe perfect zijn gedrag is. Over een dergelijk mens staat er (Jesaja 49:3): “En Hij zei tegen mij: `Jij, Israel, bent mijn dienaar, waardoor Ik geeerd wordt’ (in de Sifri wordt het voorbeeld van Avraham aangehaald, die in een heidense omgeving het monotheisme moest verspreiden. Hij haalde iedereen voornamelijk binnen met de `banden der liefde’).
Maar over oneerlijke en onaardige mensen schrijft de profeet Jechezkeel (26:20): “Toen zij naar de volkeren kwamen, ontheiligden zij Mijn heilige Naam. De mensen zeiden over hen: Dit is G’ds volk en zij hebben het Land verlaten?!”. Twee benaderingen, diepte (met liefde en kracht) en breedte – maar dezelfde doelstelling. Continuiteit van het Jodendom. Sjabbat shalom!