CHOEKAT (WET): Met de as van de rode koe is het mogelijk rein te worden na contact met een dode. Mirjam sterft. Er is geen water. G’d gebiedt Mosjé tegen de rots te spreken. Mosjé slaat met zijn staf op de rots. Er komt veel water uit. Mosjé en Aharon mogen het Land niet binnen. De koning van Edom wil het volk niet doorlaten en dreigt met geweld; daarom kiest men een omweg. Aharon sterft op de berg Hor. Zijn ambt wordt overgenomen door zijn zoon Elazar. Wederom verzet het volk zich tegen Mosjé, waarna giftige slangen veel slachtoffers maken. Ook hieraan weet Mosjé een einde te maken. De Bné Jisraeel trekken verder de woestijn door. Aangekomen bij het gebied van Sichon, koning der Emorieten, weigert deze doortocht. Na een oorlog neemt Israël het land van Sichon in bezit. Ook Og, koning van Basjan voert oorlog met de joden. Og verliest zijn land aan het volk.
De rode koe mocht geen gebrek hebben en nooit een juk hebben gedragen. Zij werd buiten de Tempel geslacht en volledig verbrand, nadat het bloed zeven maal gesprenkeld was in de richting van de voorzijde van de Tent der Samenkomst. Iemand die in contact komt met een overledene wordt ritueel onrein voor 7 dagen. Water met as van de rode koe wordt op de 3e en 7e dag op de onreine gesprenkeld. Daarzonder kan hij zijn onreinheid niet kwijtraken en de Tempel niet betreden. De koheen moest cederhout, hysop en rode wol nemen en deze op de brandende koe werpen. De onreine moet met de as van de rode koe besprenkeld worden. De as van de rode koe maakt degene die ermee gesprenkeld heeft onrein en de besprenkelde onreinen rein.
Contact met een overledene maakt ons onrein. Toema, onreinheid heeft altijd iets met de dood te maken. Daarom blijven wij hier liefst zo ver mogelijk weg van. De dood wordt niet verheerlijkt, zoals Flavius Josephus, de Joods-Romeinse geschiedschrijver in zijn werk over de Joodse oorlog in de mond van de leider van Massada, Elazar ben Jair legt: “Waarom zouden wij de dood vrezen? Het is toch onzin om tijdelijke vrijheid in deze wereld te zoeken terwijl de eeuwige vrijheid onder de vleugelen van de G’ddelijke Majesteit op ons wacht…Laten wij iedereen een voorbeeld geven en de dood in liefde aanvaarden!” (vrije vertaling). Nu was de toestand in Massada niet vergelijkbaar met ons dagelijkse leven en kon men beter niet levend in Romeinse handen vallen maar de Joodse Leer is een levensleer, die het leven centraal stelt. Het doel van het Joodse leven is G’ds Naam hier en nu te heiligen, het aardse leven op een hoger plan te brengen.
De Griekse filosoof Sokrates beweerde vlak voor zijn dood, dat ware filosofen maar een ding willen: sterven. Ramban ontbrandt in woede tegen Sokrates en verklaart, dat wij het leven zoeken om het te sublimeren en op een hoger plan te brengen.
Wechai bahem – wij moeten leven met de Tora. Levensgevaar schuift zelfs de grote kedoesja (heiligheid) van de Sjabbat terzijde.
Mosjé en Aharon moesten in de aanwezigheid van het volk tegen de rots spreken, zodat er water zou vloeien. Dit moest een wonder worden maar Mosjé slaat op de rots waarna er water verschijnt. G’d wordt kwaad op Mosjé en Aharon, omdat ze een gelegenheid om Zijn naam te heiligen voorbij laten gaan. Als ze tegen de rots hadden gesproken, hadden de mensen begrepen dat ook zij moesten luisteren naar G’ds woord. Noch Mosjé noch Aharon mogen het volk het land in leiden. G’d is streng met Zijn rechtvaardigen.
Mirjam overleed (20:1). Wanneer tsadikiem overlijden geeft dat kapara (verzoening). Daarom volgt het overlijden van Mirjam op de voorschriften van de rode koe, die ook verzoening schenkt. Sommige Chagamiem stellen dat de dood van grote tsadikiem het slechte afwendt. De rampen treffen ons niet. Maar anderen zeggen dat tsadikiem sterven als gevolg van de misdaden van de mensheid. Hun dood brengt verlichting. De diepere bedoeling is dat wij geïnspireerd raken door hun goede daden, hun menslievendheid en hun Tora-inspiratie.
De Joden hadden geen water meer omdat met Mirjams dood ook haar bron opdroogde. Het manna viel in de verdienste van Mosje, de beschermende wolken waren er door Aharon. Waarom was het meest cruciale element water er in de verdienste van een vrouw? Tora wordt vergeleken met water. De vrouw bouwt aan het Tora-gehalte van het Joodse huis. Hun zuiverheid en heiligheid heeft het Joodse huis altijd die fundamenten gegeven die garant stonden voor de Joodse continuïteit.
Mosje moest een staf nemen maar tegen de rots spreken voor de ogen van het volk. De staf bestond uit twaalf verbonden onderdelen en symboliseerde de eenheid van het Joodse volk. G’d zou water geven wanneer gedavvend zou worden voor het hele volk, hoewel er ook veel slechte mensen aanwezig waren. G’d verwerpt een gemeenschappelijk gebed nooit. Praten tegen de rots was ook een les voor alle generaties: als iemand zo hard is als een rots moet hij/zij toch eerst met zachte woorden benaderd worden. Werkt dat niet, dan kan een hardere benadering volgen.
Mosje en Aharon riepen de gemeente voor de rots bijeen. Mosje zei tegen het volk:’Luistert toch, moriem oftewel: weerspannigen’ . Volgens een tweede verklaring van Rasji is `moriem’ een Grieks woord en betekent het: zij die hun leraren willen leren. Een eigenwijs mens meent, dat hij van niemand meer hoeft te leren. Men meent zelfs dat men anderen de les kan lezen. Waarom gebruikt Rasji een Grieks woord? Omdat er een groot verschil bestaat tussen de Griekse en de Joodse filosofie. Wij stellen dat hoe verder wij van de Openbaring op de berg Sinai afraken, hoe verder wij dalen in spiritualiteit. Maar de Griekse filosoof gaat er van uit dat de mens alleen maar stijgt. Hoe verder in de tijd, hoe technologisch meer ontwikkeld wij zijn. Daarom kan men zijn leraar, uit een vorige generatie, terechtwijzen. De nieuwe generatie weet gewoon meer en is wetenschappelijk sterker.
De straf is hard: Mosje en Aharon mogen het land niet binnen. Wat hadden ze eigenlijk fout gedaan? Misschien moet men de nadruk leggen op ‘voor hun ogen’ (20:8). Mosje moest tegen de rots spreken op een manier die voor iedereen zichtbaar was, zodat iedereen zou inzien dat G’d voor iedereen en alles zorgt. Dat zou zorgen voor een nieuw besef en bewustzijn van het G’ddelijke in de wereld. Het mislukte echter jammerlijk.
Maar wat ging er eigenlijk mis? Maimonides meent, dat de hoofdzonde was, dat Mosje te snel kwaad werd. Rasji meent echter, dat Mosje en Aharon te weinig aandacht schonken aan een precisie navolging van de G’’ddelijke opdracht. Bij de rots kwamen beide subtiele gebreken samen.
Abarbanel is van mening dat eerdere zonden van Mosje en Aharon hier culmineerden in het besluit dat zij Israël niet zouden zien. Mosje had al eerder gefaald door verspieders weg te sturen die terug kwamen met een negatieve beschrijving van het land Israël. Dat blijkt ook verder uit de Tora (Devariem 1: 34-37): “Toen Hasjeem jullie luide klaagwoorden hoorde, werd Hij woedend en bevestigde Hij onder ede: Niet een van de mannen van dit slechte geslacht zal het goede land zien…Ook op mij was Hasjeem boos door jullie schuld toen Hij zei: ook jij zult daar niet komen”. Aharon had subtiel meegeholpen aan het maken van het gouden kalf. Mosje en Aharon waren niet eerder tot de orde geroepen. Maar hier werd duidelijk dat zij zouden sterven met de hele generatie in de woestijn.
Rabbenoe Chananel meent dat Mosje en Aharon door te zeggen: ‘zullen wij het water voortbrengen’ de indruk wekten dat zij dachten dat zij dat water zelf konden genereren. Daarom zei G’d later ook dat zij Zijn naam niet hadden geheiligd en geëerd. Door de bestraffing van Mosje en Aharon werd G’ds naam geëerd. Het toont dat niemand boven de wet staat. Niemand heeft het recht om te zondigen. G’ds naam wordt met name geëerd door degene die Hem het meest nabij zijn (Vajikra 10:3).
Moe van de lange reis klaagt het volk tegen G’d en Mosjé. Er heerst grote ontevredenheid over het manna. Toen werd het volk door vurige slangen aangevallen. Vele stierven. Het volk kwam tot inkeer en vroeg Mosjé tot G’d te dawwenen om hen te sparen. G’d vertelde Mosjé een koperen slang te maken en deze bovenop een staf te zetten. Iedereen die de staf zou zien zou blijven leven.
Na de plaag met de giftige slangen vanwege de klachten over het Manna “zei G’d tot Mosje: maak u een giftige slang en plaats haar op een stang. Wanneer ieder, die gebeten werd, haar zal zien, zal hij leven. Mosje maakte een koperen slang, plaatste haar op een stang; als de slang iemand gebeten had, dan keek hij intensief naar de koperen slang en bleef hij leven” (21:8-9).
Deze koperen slang van Mosje werd in de loop van de geschiedenis verafgood. In de tijd van de rechtvaardige koning Chizkia werd de koperen slang door deze koning van Jehoeda vernietigd omdat men wierookoffers bracht voor dit koperen beeld (Melachiem II: 18: 3-4).
De koperen slang werd voor sommigen zwarte magie. De grens met het toelaatbare werd overschreden.
Er staat twee keer hetzelfde maar net iets anders. Eerst staat er `ieder, die gebeten werd, zal leven’. Daarna staat er `als de slang iemand gebeten had, dan bleef hij leven’. Het lijkt er op, dat de koperen slang een bredere genezende werking had dan alleen slangebeten. In de eerste zin staat geschreven, dat iedere gebetene, die de koperen slang zag, genas. Maar in de tweede zin staat, dat wanneer iemand door een slang gebeten werd, hij intensief naar de koperen slang moest kijken om te genezen.
Rasji legt de verschillen tussen de zinnen uit: “De eerste zin spreekt over iemand die door een hond of ezel werd gebeten. Er is een verschil tussen de beet van een hond of ezel en de beet van een slang. De beet van een slang doodt snel. Daarom staat in de eerste zin ‘er naar kijken’. Een enkele blik was voldoende. Maar bij de beet van de slang moest men intensief kijken. Een slangenbeet genas moeizamer.
Maar kon een koperen slang dan dood of leven veroorzaken, vragen onze Wijzen? Natuurlijk niet. Maar wanneer de Joden zich bij het zien van de slang op G’d concentreerden, onderwierpen zij zich aan hun Vader in de hemel, en genazen ze. Zo niet, dan kwijnden ze weg” (B.T. Rosj hasjana 29a).
Rasji legt uit dat er twee soorten beten zijn. De slangenbeet wordt in de tweede zin expliciet in de Tora genoemd. De eerste zin slaat op mensen, die door andere dieren gebeten zijn, hoewel dat niet expliciet vermeld wordt. Slangenbeten zijn echter dodelijker. Daarom moest het slachtoffer van een slang met veel meer aandacht kijken naar de koperen slang. Bij een beet door een hond of ezel hoefde men er alleen maar even naar te kijken. Maar waarom vindt Rasji dat hier ook gesproken wordt over mensen, die door andere dieren gebeten zijn?
Rabbi Avigdor Boncheck verklaart dit. Om uit te leggen waarom niet alleen de slangenplaag bezworen werd, maar ook andere aandoeningen, citeert Rasji een wat meer filosofische verklaring uit de Talmoed. Daarin legt hij uit dat het hier geen zwarte magie betrof. Dat is verboden door het Jodendom. De koperen slang was alleen maar een middel om onze aandacht te richten op de GeneesHeer der wereld, Die als Enige alle vlees heelt.
Waarom gaat het hier over het gebed? Omdat hier vlak voor gesproken wordt over davvenen. Na klachten over het manna stuurde G’d giftige slangen. Velen stierven. Toen kwam het volk bij Mosje. Zij gaven toe dat zij gezondigd hadden, omdat zij gesproken hadden tegen G’d en Mosje. Hun verzoek luidde: “Bid tot G’d, dat Hij de slangen verwijdert. Mosje davvende voor het volk”. Dit vers staat vlak voor de opdracht van de koperen slang. Maar als de mensen tot G’d willen davvenen, waarom geeft G’d hen dan de opdracht om zo een heidens aandoende slang te maken?
Avraham introduceerde niet alleen het monotheïsme maar ook het begrip van een niet fysieke G’d, Die de hoogste abstractie vormt, het toppunt is van niet-lichamelijkheid. Toen G’d zich openbaarde “zagen we geen beelden” (Devariem 4:15). Toch heeft iedereen behoefte aan een vorm of een beeld. Wij zijn gebonden aan onze zintuigen. Abstracte ideeën zijn moeilijk. Wij kunnen er niets bij voorstellen.
Dit werd duidelijk na de zonde van het gouden kalf. Het volk wilde een “god die voor hen uitging”. Daarom kregen de Joden ook een tastbaar Misjkan (Tabernakel). Maar het mag niet meer zijn dan dat. Alle tastbare symbolen van het Jodendom wijzen op iets hogers, iets spiritueels. Wil men zich concentreren op het hogere dan moet men iets tastbaar hebben als springplank naar de abstracte wereld. De koperen slang richtte de ogen van het volk op G’d. Gebeden werken algemeen. Daarom staan hier meer aandoeningen dan alleen slangenbeten.