Choekat Balak 5770

BALAK (persoonsnaam): Balak verzoekt Bileam om het Joodse volk te vervloeken. Bileam raadpleegt G’d die toestemt op voorwaarde dat hij alleen zegt wat G’d hem ingeeft. Bileam berijdt zijn ezelin, die een Engel ziet die de weg verspert. Bileam slaat zijn ezelin drie keer, waarna de ezelin hem in mensentaal hierop aanspreekt. Daarop opent HaSjeem Bileams ogen en ziet ook hij de Engel staan. Koning Balak treft voorbereidingen om offers te brengen maar tot drie keer toe kan Bileam alleen maar een zegen geven. Nog voordat hij vertrekt profeteert hij over de slechte toekomst van Moab. Het Joodse volk begint ontucht te bedrijven met Moabietische meisjes en werpt zich neer voor hun afgoden. Alle schuldigen moeten worden opgehangen. Op een gegeven moment brengt Zimri, stamvorst van Sjimon, in het openbaar een Midjanietische vrouw naar zijn tent. Pienechas, een kleinzoon van Aharon doorsteekt beiden, waarna de plaag ophoudt, die 24.000 mensen het leven heeft gekost.


Hasjeems vraag

Balak, koning van Moav, was bang voor het aanstormende Joodse volk. De twee beschermheren van Moav, de koningen Siechon en Og, waren reeds gedood. Balak huurt Bile’am in om het Joodse volk te vloeken. Maar de profeet Bile’am was gehoorzaam en wilde niets doen zonder G’ds toestemming. De vorsten van Moav, maar ook de leiders van Midjan, die zich inmiddels in een monsterverbond hadden aangesloten bij Moav, gingen met waarzeggerloon in hun hand naar de heidense profeet toe. Bile’am zei hun:”Blijf hier deze nacht wachten. Morgen zal ik u antwoord geven, naar hetgeen G’d tot mij zal spreken. G’d kwam tot Bile’am en zei:”Wie zijn die mannen die daar bij u zijn?” (22:9).

Misleidend
Rasjie gaat in op de vraag waarom de alwetende G’d deze vraag aan Bile’am stelt. G’d wilde hem in de war brengen. Door deze vraag meende Bile’am dat G’d soms niet alles weet: ”G’ds weet soms niet alles, meende Bile’am. Misschien kan ik Hem om de tuin leiden. Ik zal nagaan op welk moment ik kan vloeken zonder dat Hij het merkt”. Deze uitleg is op zich plausibel. G’ds vraag stimuleerde Bile’am juist om zijn plan door te zetten. Hij dacht dat hij G’d te slim af kon zijn. Hij meende dat zijn vloeken wel eens aan G’ds aandacht zouden kunnen ontsnappen.

Vragen in Bereesjiet
Rav Avigdor Bonchek wijst op verschillende vragen van G’d in Bereesjiet. Reeds in het begin van de Tora zien we dat G’d de mens vragen stelt. Toen Adam zich na de zondeval verborg in Gan Eden vroeg G’d: ”Waar ben jij?”. Daar verklaart Rasjie echter dat G’d best wist waar Adam was. De vraag:’Waar ben jij?’ was niets anders dan een sympathieke manier om het gesprek te openen. Wanneer de mens overvallen wordt door een G’dspraak raakt hij wellicht in paniek door de overweldigende ervaring. Wanneer G’d met een neutrale openingsvraag het gesprek op welwillende wijze begint, zou de eerste mens wellicht uit zichzelf tot inkeer zijn gekomen.
Na de moord van Kaïn op Abel vraagt G’d aan Kaïn:”Waar is je broer Abel?”. Ook hier zegt Rasjie dat G’d deze vraag stelde om Kaïn niet te verwarren. Hij begon met een simpele vraag om Kaïn in de gelegenheid te stellen eerlijk te antwoorden dat hij hem gedood had en dat hij gezondigd had tegenover G’d. Kaïn zou dan tesjoewa hebben gedaan uit eigen initiatief.

Goedheid
In Bereesjiet legt Rasjie uit dat de vragen werden ingegeven door G’ds goedheid. G’d wil de mens in staat stellen om zijn fouten te herstellen. Daarom toont Hij zich welwillend en opent Hij de conversatie met onschuldige vragen. Maar bij Bile’am komt het `onaardig’ over. G’d laat hem struikelen. G’d stelt hem in de gelegenheid om een misstap te begaan. De Goer Arje, een van de belangrijkste verklaarders van Rasjie, legt het verschil uit. G’d kende het antwoord op de vraag al. G’d wilde noch Adam, noch Kaïn overweldigen door Zijn alles verterende Aanwezigheid. G’d stelde daarom aan het begin van het gesprek een onschuldige vraag.

Alternatieven
In Bereesjiet hadden zowel Adam als Kaïn al gezondigd. Wanneer G’d ze direct zou beschuldigen, zouden ze zich meteen defensief opstellen. G’d wilde dat ze zich vrij zouden voelen om schuld te bekennen. Maar bij Bile’am was dat niet het geval. Hij had nog niet gezondigd. Hij beraamde slechts plannen om het Joodse volk te vernietigen. G’d heeft de mens een vrije wil gegeven. Hij wil dat we vrijelijk kiezen. Pas dan is er sprake van een echte keus. Beide alternatieven, goed en kwaad, moeten even sterk zijn. Een typisch voorbeeld hiervan is het verstokken van Farao’s hart. G’d moest Farao’s hart verstokken omdat Farao geconfronteerd werd met hevige plagen. Die plagen waren zo sterk dat ieder normaal mens direct had toegegeven. Maimonides legt uit dat het verstokken van Farao’s hart bedoeld was om zijn keuzevrijheid te behouden.
Bile’am besefte terdege, dat G’d niet wilde dat het Joodse volk vervloekt zou worden. Bile’am had daarom weinig keuzevrijheid. G’d wilde hem echter die keuzevrijheid teruggeven door hem de indruk te geven, dat Hij fouten zou kunnen maken. Op die manier was Bile’ams vrije wil hersteld. De vrije wil is het kernpunt van het Jodendom en moet altijd behouden blijven.

Filosofische antisemiet
Wat had hij eigenlijk tegen de Joden? Bile’am was volgens sommigen een heidense profeet maar volgens anderen filosoof. In de confrontatie met Bile’am botsten de joodse en de filosofische culturen. Het wijsgerige denken is eigenlijk alleen maar geïnteresseerd in het algemene, het universele. Het Jodendom lijkt veel aandacht te hebben voor het bijzondere. Men spreekt wel van de `particulariteit van het Jodendom’. Wij stellen het bijzondere boven het algemene en bekijken iedereen in zijn eigen situatie. Wanneer we de joodse religie proberen te verklaren met filosofie dan doen we dat voornamelijk door de heilsbelofte voor alle mensen te benadrukken. In feite doet de filosofie het Jodendom onrecht. De wijsgeer heeft geen oog voor speciale en zeer specifieke riten en symbolen.
Kunnen de filosoof en orthodoxe jood ooit nog door één deur? De definitie van een orthodoxe jood is iemand die de praktische Tora-voorschriften met speciale handelingen en specifieke intenties vervult. Hij hoeft nauwelijks op de hoogte te zijn van filosofie of een transcendent wijsgerig systeem. Ook als de orthodoxe jood voorbijgaat aan de universaliteit van het Jodendom, blijft hij een orthodoxe jood. Hoe kan men als filosoof een eenheid aanbrengen tussen de wijsgerige, universele pretentie en de rituelen, particuliere voorschriften, die tot in de kleinste details geregeld zijn?

Universeel
Jodendom kent vele morele aspecten. Maar de essentie wordt gevormd door geformaliseerd ritueel handelen, religieuze daden. Het Jodendom is inderdaad een universele godsdienst. Het Sjema Jisraëel stelt dat de G’d die nu nog enkel onze G’d is, in Messiaanse tijden de G’d van alle wereldbewoners zal zijn: “Want Mijn gebedshuis zal een bedevaartplaats worden voor alle volkeren”. Maar het Jodendom reduceren tot deze algemene uitspraken en toekomstbeloften is onjuist. Jodendom is meer dan alleen maar Messianisme, monotheïsme, een Hiernamaals en de herleving der doden. Jodendom kent vele morele aspecten. Maar de essentie wordt gevormd door religieuze daden, die weinig van doen lijken te hebben met hoogstaande bespiegelingen over het nut van het leven of opheffing van `s mensens noden. Filosofen achten riten nutteloos. Die leiden af van de hoofdzaak: tikoen – vervolmaking van de wereld. De nadruk op de religieuze riten, stellen verschillende wijsgeren, leidt de aandacht af van de echte problemen en werkt dus contraproductief. Zo beschouwt men dus de stem van het gevoel en geweten als iets dat tegengesteld is aan de gehoorzaamheid aan de rite. Dit laatste is in de ogen van de filosofen een slaafs conformisme. Op trouw aan voorschrift en regel wordt minachtend neergekeken. De spontane opwelling van het gemoed daarentegen wordt aanbeden en opgehemeld.

Zonder voorbereiding?
Filosofen menen al te gemakkelijk, dat het grote Levensmysterie – G’d – zonder meer en met weinig of geen preparatie toegankelijk en welwillend is. Nergens wordt tesjoewa – zelfanalyse en inkeer , reiniging – kapara – of verbetering van handeling of gedachte geëist. Dit toont weinig schroom en bescheidenheid. Deze houding vind ik zelfs behoorlijk arrogant. Tevens komt deze opstelling hypocriet over. Schijnheiligheid is géén heiligheid. Te stellen, dat het Heilige zonder meer toegang tot mij heeft of dat ik zonder kloppen altijd mag binnenkomen in het Heilige, is een uiting van onvoorstelbare zelfoverschatting. Als exclusief – de Ander uitsluitend – individu ben ik zonder verdere inspanning niet zomaar een vehikel van het Oneindige. Het Universele staat eindeloos verheven boven het particuliere, dat ik als nietig mens voorstel.
Wij gaan er van uit, dat het Opperwezen temidden van de mensheid kan leven: “Maakt Mij een Heiligdom, zodat Ik te midden van U kan wonen” (Sjemot 25:8).

Krachtig ritueel
Ondanks ons vergankelijk wezen van stof en as, het particularisme ten top, kan het Universele in ons postvatten. Hiervoor is volgens de Tora een exact, bijna rigide ritueel nodig, dat de gemeenschap met elkaar en G’d met ons verbindt. Het model hiervoor is de bouw van de Tabernakel in de woestijn, die aan zeer stringente eisen moest voldoen. De Tempelbouw komt in veel aspecten – zij het op een ander niveau – overeen met de dagelijkse rituelen, die vormen zijn van een gesloten systeem van vaste riten, die onveranderbaar geregeld zijn tot in de kleinste details. In deze doe-werkelijkheid is weinig plaats voor zelfwaan, arrogantie of schijnheiligheid. De filosoof ziet dit niet. Bile’am had hier totaal geen waardering voor. Dat is zijn werkelijke vloek richting het Jodendom!

Onbegrensde haat
Bile’am stond vroeg op en zadelde zijn ezelin. Moreel hoogstaand was hij niet. De Talmoed vertelt dat hij een van de eerste zoöfielen was met zijn ezelin. Hij stond vroeg op omdat hij het Joodse volk graag en snel wilden vervloeken. Zijn haat kenden geen grenzen. Maar G’d zei tegen Bile’am: “Jij rasja (slechtaard), Awraham, hun voorvader is je voor geweest. Jouw ijver ten kwade is door Awrahams snelheid ten goede onschadelijk gemaakt. Awraham stond heel vroeg op en zadelde snel zijn ezel op weg naar de offerrande van Jitschak (Bereesjiet 22:3; vgl. B.T. Sanhedrin 105b). Als Awraham er in geslaagd was om zijn zoon te slachten was er geen Joods volk geweest. G’d heeft dit niet toegelaten. Ook Bile’ams missie was gedoemd te falen.

Energie
Bile’am was uit op militair succes: het vernietigen van het Joodse volk. Awraham was uit op Hemelse doelen: het vestigen van G’ds koninkrijk op aarde. Wat we uit de vergelijking tussen Bile’am en Awraham kunnen meenemen, is dat we ons met minimaal evenveel energie moeten inzetten voor onze spirituele doelen als onze tegenstrevers zich inzetten voor hun negatieve intenties. Als we ons al zo inzetten voor aards succes, des temeer moeten we ons best doen hemels te stijgen. Het zou niet eerlijk zijn als we meer energie zouden steken in aardse dan in geestelijke zaken.
G’d stuurde de Engel niet zozeer om Bile’am te frustreren. Deze Engel was eigenlijk een Engel van Rachamiem, medelijden en barmhartigheid. Alleen wanneer men oor heeft voor dat zachte innerlijke stemmetje dat ons opdraagt het goede te doen en het slechte te laten, beschermt men de mens tegen zijn agressieve zelf. Het ego moet barmhartig zijn voor het `zachte’ in de wereld en gevoelig worden voor onze innerlijke, aangeboren goedheid. Als we eerlijk zijn tegen onszelf, geven we toe, dat we daarmee nauwelijks naar buiten durven komen. Onze prestatiegerichte maatschappij eist assertiviteit en macho-gedrag. Maar wanneer we echt `Mensch’ zijn, beschermen we juist dat kleine beetje menselijkheid dat we in ons hebben. We proberen dat te cultiveren en te laten floreren. Alleen hij die het zwakke verhevene in ons zelf koestert, is in staat om tegen de spirituele Bile’am te vechten. Bile’am is niet alleen een heidense profeet uit lang vervlogen tijden maar stelt een geestelijke anti-kracht voor.
Het is dat gevoel tegen het G’ddelijke in de wereld te kunnen opereren. Wij geloven, dat zowel het goede als het kwade uit het Opperwezen voortkomt. Hoe kan er dan iets slechts bestaan? De G’dsverduistering zorgt ervoor, dat een mens meent, dat hij volledig zelfstandig is. Zoals een zoon zich tegen zijn vader kan keren, kan een kind van G’d zich tegen zijn Oorsprong afzetten. Het is de zoveelste manifestatie van het Oedipus-complex.

Spreken essentieel
Bile’am dacht dat hij in staat zou zijn het Joodse volk te vervloeken. In het spreken onderscheidt de mens zich van het dier. Bile’am meende dat hij zijn spraakvermogen kon gebruiken voor iets verwerpelijks – om mensen ten gronde te richten. Juist ons spreken moet gericht zijn op het hogere. Door te praten moeten we laten zien waar wij voor staan, waar we voor leven. Wij moeten beseffen dat met name ons spraakvermogen onze essentie is en alleen bedoeld is om de glorie van het goede en het heilige in de wereld te verheffen.

Drie voetfeesten
Bile’am moest door schade en schande leren dat spreken een G’ddelijke gave is. Hij zou het alleen mogen gebruiken om het Joodse volk te zegenen. De Engel hield de ezelin tegen maar Bile’am zag het hemelse wezen niet. Bile’am slaat zijn ezelin tot drie keer toe en de ezelin verwijt hem dat. De drie keer dat Bile’am zijn ezelin slaat, staat als in de Tora beschreven als `sjalosj regaliem’. Het is een hint naar de drie pelgrimstochten die elke Jood ieder jaar weer naar de Tempel maakte. Bile’am betekent `ontvolken’ – belie am. Het omgekeerde kwam uit. Iedere jom tov werd Jeruzalem overspoeld door menigten Joden, die altijd een plaats vonden om te overnachten. Ook Bile’am heeft uiteindelijk het loodje moeten leggen.

Comments are closed.