Sjelach Lecha 5770

Mosje stuurt twaalf mannen, één van iedere stam, om Kena’an te verkennen. Ze keren na veertig dagen terug en vertellen dat het land inderdaad overvloeit van melk en honing. De vruchten zijn groot en als bewijs tonen ze een druiventros die aan een draagstok door twee man gedragen moet worden. Maar de mensen in dat land zijn groot en de steden versterkt.

Tien van de twaalf verkenners raden aan om niet op te trekken omdat het volk daar te sterk is en ze vrezen dat vrouw en kinderen krijgsbuit zullen worden. Alleen Kalev en Jehosjoe’a pleiten ervoor wel op te trekken omdat G’d met hen is. Het volk jammert dat het terug wil naar Egypte. Hasjeem wordt geweldig boos en wil het volk vernietigen, maar Mosje weet dat door gebed te voorkómen.
Voor elke dag van verkennen moet het volk echter een jaar in de woestijn blijven en zij die HaSjeem geminacht hebben, zullen het land niet zien maar in de woestijn sterven, met uitzondering van Jehosjoe’a en Kalev. Sommigen van het volk, met spijt over hun houding, trekken toch op maar worden smadelijk teruggeslagen. G’d geeft Mosje instructies over uiteenlopende offers en gewijde gaven die gebracht zullen worden als het volk in het land gevestigd is. Een man die hout sprokkelde op Sjabbat moest ter dood gebracht worden. De mitsva van Tsietsiet (schouwdraden) volgt.

“Ze stonden ’s morgens vroeg op en wilden naar de top van het gebergte trekken terwijl ze zeiden:”We staan klaar om op te trekken naar de plaats waarvan Hasjeem gesproken heeft want we hadden ongelijk.”
Mosje zei daarop: “Waarom gaan jullie nu het bevel van Hasjeem overtreden? Het zal toch niet lukken! Trekken jullie niet verder want Hasjeem is niet in jullie midden anders worden jullie verslagen door jullie vijanden. Want daar tegenover jullie staan de Amalekieten en de Kena’anieten en jullie zullen vallen door het zwaard, alleen al omdat jullie je van Hasjeem hebben afgewend en Hasjeem dus niet aan jullie zijde staat”.

Eigenzinnig trokken ze toch naar de top van het gebergte hoewel de Ark van het Verbond met Hasjeem en Mosje niet uit het kamp week. De Amalekieten en Kena’anieten, die in dit gebergte woonden, kwamen naar beneden en brachten hen een verpletterende nederlaag toe tot aan Chorma” (14: 40-45).

Dit is de bekende episode van de ma’apiliem – de stoutmoedigen, die ondanks alles Israel probeerden te bereiken na het debacle met de meragliem, de verspieders. Ze realiseerden zich, dat zij hun G’dsvertrouwen even totaal kwijt waren geraakt toen de verspieders hen vertelden van de sterke inwoners van Kena’an. Ze waren even kwijt, dat G’d hen gered had uit de klauwen van het machtige Egypte. Ze vreesden, dat G’d de Kena’aniet niet aan zou kunnen. Ze verachtten Erets Jisra’eel.
De Joden mopperden:”Waren we toch maar in Egypte gestorven of waren we maar gestorven in deze woestijn”. “Waarom moet Hasjeem ons naar dat land brengen om er door het zwaard te vallen? Onze vrouwen en onze kinderen worden er oorlogsbuit! Laten we een leider aanstellen en terugkeren naar Egypte” (14:2-4). Volgens de Midrasj Sjemot Rabba (24) wilden ze een afgod aanstellen, die hen zou leiden. Ze hadden geen trek in het Heilige Land en weigerden de heerschappij van Hasjeem nog verder te aanvaarden.

Nadat hun ogen geopend waren door G’ds bestraffende woorden, zagen ze hun fout in. De ma’apiliem schoten nu door naar de andere kant. Ze zouden Israel koste wat het koste bereiken. Ze begrepen niet, dat bij deze onderneming het G’ddelijke element te ene male ontbrak. En dat het daarom gedoemd was te mislukken.
De ma’apiliem stonden vroeg op, met een mesiroet nefesj, een opofferingsgezindheid als we ook vinden bij Avraham op weg naar de Akeda, de offerande van Jitschak. Opeens hadden ze het licht gezien. Na alle klachten over Israel, beseften ze dat daar hun toekomst lag.
Maar de ma’apiliem waren gedoemd te falen. Ze maakten een ernstige denkfout, die velen van ons tot op de dag van vandaag nog steeds maken.

De Bron vergeten
De ma’apiliem meenden, dat Israel een waarde op zich was. Ze vergaten, dat alle kedoesja en levenswijding uiteindelijk van G’d afkomstig is en zonder Hasjeems aanwezigheid totaal geen intrinsieke waarde heeft.
Hasjeem had verklaard, dat de Bnee Jisra’eel nog niet voldoende madrega, niveau hadden gegenereerd om Israel te betreden. Ze waren er nog niet aan toe.
De mitsvot, die volgens de Tora alleen in Israel gelden, zoals challa (een heffing van het deeg voor de koheen), worden in deze parsja ingeleid door de woorden: “Als jullie in het land zijn gekomen, waarheen Ik jullie breng” (15:18). Als Hasjeem ons brengt is daar kedoesja. Daarzonder is het een zinloze onderneming.

Verspieders-tsitsiet
Niet voor niets eindigt de trieste episode van de verspieders met de parsja, de afdeling van de tsietsiet. Daarin wordt gewaarschuwd noch het hart noch de ogen te volgen. De fout van de verspieders wordt op veel verschillende manieren uitgelegd. Sommige Chagamiem zien het als een gebrek in emoena, G’dsvertrouwen. Anderen stellen, dat de verspieders bang waren onder de nieuwe leider Jehosjoe’a hun aanstelling als stamvorsten te verliezen maar de Lubawitscher Rebbe geeft aan, dat de Joden het in de woestijn geweldig naar hun zin hadden. Manna viel uit de Hemel, water kwam uit de rots van Mirjam, ze werden beschermd door de airco van de begeleidende wolken en ze konden de hele dag Tora lernen. In Israël zouden ze de armen uit de mouwen moeten steken:”een land dat zijn inwoners verteert” – ze vreesden door het aardse te worden opgeslokt en geen tijd meer te hebben voor geestelijke ontplooiing.

Uiterlijke schijn
We kunnen het ook anders bekijken. De verspieders volgden de schijn van hun ogen maar waren niet in staat dieper te kijken naar de achterliggende oorzaken.

Waarom volgt de afdeling over de verspieders direct na de afdeling over de melaatsheid van Mirjam? Omdat zij gestraft werd vanwege de lastertaal die ze gesproken had over haar broer Mosje. Deze slechte verspieders zagen dit en hebben daar geen les uit geleerd.
Maar is het roddelen van de verspieders wel te vergelijken met het ‘roddelen’ van Mirjam? De verspieders praatten over een stuk land maar Mirjam sprak over de man van G’d, de grootste profeet die we ooit gekend hebben. Mirjam en Aharon spraken kwaad over de vrouw uit het land Koesj, die met Mosje getrouwd was. Volgens de eenvoudige uitleg was zij zwart. Rasji vermeldt dat Mirjam voor haar kwaadsprekerij gestraft werd met melaatsheid die wit is als sneeuw (12:10). De zwarte vrouw van Mosje leek zwart aan de buitenkant maar was puur aan de binnenkant. Bij Mirjam ging het even mis. Ze werd even wat onzuiver van binnen, zij het zeer subtiel.

Oppervlakkige blik
We kunnen hieruit leren dat we niet naar het uiterlijk moeten oordelen. We moeten de zaken dieper bekijken. Wat er aan de oppervlakte slecht uitziet kan geweldig goed van binnen zijn. Ook de verspieders keken alleen naar de buitenkant van het land. Mosje vroeg hen om het land te bekijken en de steden waar de inwoners van het land in wonen, of ze open of versterkt zijn. Mosje gaf hen een teken. Als zij in open steden leven, zijn ze sterk. Maar als ze in ommuurde steden leven zijn zij zwak. Het is precies het omgekeerde van wat wij zouden denken: een vesting ziet er moeilijk te veroveren uit.

Maar Mosje wilde de verspieders duidelijk maken, dat zij niet alleen op het uiterlijk moesten afgaan. De verspieders zondigden en keken alleen naar de buitenkant. Zij kwamen met uiterlijke beschrijvingen thuis: “De steden zijn ontzettend stevig versterkt” (13:28). Ze zijn sterk omdat ze in sterke steden wonen. De verspieders maakten één grote fout. Ze konden niet door de oppervlakte heen prikken.

Hoe komen we aan dit psychologische inzicht? Het wordt duidelijk uit 13:18: ”U zult het land in ogenschouw nemen wat het is en het volk wat er op woont. Of het sterk is of zwak, of het weinig is of veel.” `Of het sterk is of zwak’: Mosje gaf de verspieders een teken mee: als ze in open steden wonen, zijn ze sterk omdat ze op hun kracht vertrouwen. Maar als ze in versterkte steden wonen, zijn zij zwak.

Bij alle tegenstellingen die de Tora vermeldt (of het weinig is of veel, of het goed is of slecht, of men in open of gesloten steden woont, of het vet is of mager, of er bomen staan of niet) staat er altijd het woordje ‘of’, behalve bij: of het sterk is of zwak. Daar staat het woordje ‘of’ niet (hoewel wij dat wel zodanig vertaald hebben). Er staat in feite: dat het sterk is, dat het zwak is. Wat wij normaliter zouden vertalen als: Is het sterk? Is het zwak? Maar in feite kan je dit lezen als: de sterke, dat is de zwakke. En dat betekent dat alles wat er sterk uitziet uiteindelijk een teken is van zwakte. Dit was het teken wat Mosje hen gaf. Prik door die oppervlakteschijn heen.

“Wanneer jullie die tsietsiet (schouwdraden) zien, zullen jullie denken aan alle geboden van Hasjeem en ze ook volbrengen, waardoor jullie niet naar andere wegen omkijken, geleid door jullie hart en jullie ogen” (15: 39).

Tsietsiet heten `kijkdraden’. De tsietsiet zijn in de eerste plaats voor de drager bedoeld. Deze trekt het hemelse gewaad aan om zich zo te verbinden met het geheel van de Tora. Juist in situaties waar de bovenkleding wordt verwijderd, dienen de schouwdraden als herinnering. Mocht men in een hartstochtelijke situatie terechtkomen, dan dienen de tsietsiet als laatste barrière. Dit wordt geïllustreerd in de Talmoed (B.T. Menachot 44a): “Er was eens een man die de mitsva van tsietsiet zeer punctueel naleefde. Op een keer hoorde hij dat er in een havenstad een dame was, die 400 goudstukken voor haar diensten vroeg. Hij stuurde haar 400 goudstukken en regelde een ontmoeting.

Toen het afgesproken moment was aangebroken, reisde hij naar de stad en maakte hij zijn opwachting bij de voordeur. Haar assistente stelde haar op de hoogte van de komst van de man, die de 400 goudstukken had gestuurd. De dame antwoordde: “laat hem binnenkomen”. Ze had zeven bedden klaar gezet, zes waren van zilver en de zevende van goud. Tegen de bedden stonden zeven ladders, zes van zilver en de bovenste van goud. Zij ging op het hoogste bed zitten. De man begon te twijfelen maar plotseling sloegen zijn vier tsietsiet hem in zijn gezicht. Hij klom naar beneden en ging op de grond zitten.

De vrouw kwam naast hem zitten en zei: “Ik laat je niet gaan tot je me vertelt wat er mis is met mij.” De man antwoordde: “Ik zweer je dat ik nog nooit zo een mooie vrouw als jij heb gezien. Maar onze G’d heeft ons de tsietsiet gegeven en in de afdeling van de tsietsiet staat: ‘Ik ben Hasjeem, uw G’d’. Er staat zelfs twee keer: ‘Ik ben Hasjeem, uw G’d’. Dat betekent dat G’d zegt: ‘Ik ben degene die u uiteindelijk zal belonen, en Ik ben degene die u uiteindelijk zal straffen.’ De tsietsiet verschijnen mij als vier getuigen die tegen mij zouden getuigen over mijn zonde.”

De vrouw liet de man zijn naam, stad en leerschool, waar hij Tora leerde, opschrijven. Ze verkocht al haar bezittingen, gaf eenderde aan de overheid om toestemming te krijgen het land te verlaten, eenderde gaf ze aan de armen en eenderde hield ze voor zichzelf. Het enige wat ze niet verkocht waren haar bedden. Ze kwam aan bij de leerschool van rabbi Chia en zei: “Rabbi, laat mij overgaan tot het Jodendom”. De rabbijn zei: “Ben je misschien verliefd geworden op een van mijn studenten?” Ze toonde het briefje met de naam van de leerling en vertelde het hele verhaal. Rabbi Chia bekeerde haar tot het Jodendom en zei: “Ga, mijn dochter, neem alles wat van jou is mee. Dezelfde bedden die jij hebt gebruikt voor de zonde zal je nu op een positieve manier kunnen gebruiken”.

Zedeloosheid en atheïsme
Deze zedenschets wil ons het belang leren van tseni’oet, ingetogenheid. Juist hier spelen de tsietsiet dus een grote rol. De vier tsietsiet die de man in zijn gezicht sloegen, slaan op zijn gevoel dat zijn relatie met haar niet was toegestaan. Tsietsiet kunnen ons helpen bij het beheersen van onze driften. Een promiscue maatschappij zal vijandig staan tegenover Joodse waarden. Wanneer de Tora zegt: “dat wij ons hart niet mogen volgen,” slaat dit ook op atheïsme. Een van de meest opvallende verhalen van verwevenheid van afgoderij en ontucht staat in Numeri 20. Aan de grens van het oude Mo’av “begon het volk promiscue om te gaan met de dochters van Mo’av”. Deze nodigden het volk uit om te offeren voor hun afgoden. Het volk kwam, werd verleid door de Moabitsiche charmes, at en boog voor hun afgoden. Het doel van de tsietsiet is: “opdat u zult herinneren en al Mijn geboden in acht zult nemen en heilig zult zijn voor uw G’d”.
De belangrijkste manier om heilig te worden is het beheersen van ontuchtige gevoelens. Tsietsiet herinnert aan de uittocht uit Egypte. Egypte wordt gezien als het land van extreme onzedelijkheid – ervat ha’arets. Toen de Joden Egypte verlieten, lieten ze deze uitzonderlijk ontuchtige maatschappij achter zich.

Comments are closed.