Ekev 5770

Ekev (Dewariem/Deuteronomium 7:12 – 11:25)

EKEV (onderweg naar de beloning): Nogmaals brengt Mosjé de mensen onder ogen dat ze, als ze zich houden aan de geboden, gezegend zullen zijn, maar als ze hooghartig zijn, problemen zullen krijgen. Hij brengt hen de zonde van het gouden kalf in herinnering en hoe HaSjeem het volk had willen vernietigen. Het lukte Mosjé G’ds woede tot bedaren te brengen. Weest niet hardnekkig maar dien G’d met heel je hart. Mosjé brengt veel gebeurtenissen in herinnering, ook de Stenen Tafelen van het Verbond. Mosjé legt de nadruk op G’ds goedheid en de wonderen die Hij voor het volk verricht heeft. Ze hebben met eigen ogen gezien wat G’d met de Egyptenaren gedaan heeft. Ook Israël zal worden veroverd met de hulp van HaSjeem.

BENSJEN VOOR HET BENSJEN
“Als U nu gegeten heeft en verzadigd bent, dan moet U G’d loven voor het goede land” (8:8-10). Hieruit leren we dat we moeten bensjen na het eten van brood. Maar voor het bensjen, moeten we mezoeman-bensjen. Mezoeman-bensjen betekent elkaar uitnodigen om te bensjen.

Minjan is 10 man
Voor veel religieuze momenten is een minimum aantal mensen nodig, getuige onze situatie in Sjoel.  We davvenen (bidden) met elkaar, met  minjan (10 man) maar gedurende de dienst mogen we niet met elkaar spreken. Wij zitten in een groep maar hebben voornamelijk contact met Hasjeem (G’d). Voor het bensjen voor het bensjen, het mezomme- of mezoeman-bensjen zijn drie mensen nodig. De Chagamiem, Wijzen wilden een kleine groepsvorming. Maar wat is het doel hiervan?

Menigte, massa, groep
Een verzameling individuen kan een groep worden als men er voor elkaar is. In een menigte staat men naast elkaar, zonder gevoelsmatige of intellectuele binding. Bij een massa is men met elkaar: behalve het verschil tussen de actie-leider en de volgelingen is er geen verschil in functie. Bij het mezoeman-bensjen verandert een menigte eters, consumenten door de ‘voorbensjer’, van menigte tot massa in een groep, die een gezamenlijk doel nastreeft.
Wanneer drie of meer mensen samen eten, moet één van hen de anderen uitnodigen om hem te volgen in G’ds lof. Wanneer allen gezamenlijk antwoorden, presenteert men zichzelf als één groep. G’d danken en eten lijken tegenstrijdige activiteiten.  Eten is egoïstisch,  individualistisch en gericht op het bevredigen van lichamelijke behoeften.

Egoïsme versus verbondenheid
Honger kan mensen veranderen in egoïsten en verlagen tot beesten. Wanneer het menens is, betekent broodnijd oorlog. Het woord ‘oorlog’ (milchama, stam l-ch-m) houdt duidelijk verband met het Ivriet voor brood, ‘lechem’. Misschien is het om deze reden dat onze Wijzen een gemeenschappelijk ‘voorbensjen’ hebben ingesteld: om te benadrukken dat het G’d is die ons van voedsel heeft voorzien.  De hele groep dankt Hasjeem voor Zijn ondersteuning. Onze medemens is niet onze rivaal, die gevreesd, bevochten en verslagen moet worden. Integendeel! Wij zijn allemaal gasten aan de tafel van Hasjeem en Zijn goedertierenheid is voor ons allen voldoende.

Identificatie en groepsgebondenheid
Waar mensen samenzijn, komen allerlei interactieprocessen op gang. Er ontstaat een dynamisch spannings- en krachtenveld. De groepsdynamica beschrijft wat er op sociaal-emotioneel niveau gebeurt: conflicten over de leiding, afhankelijk gedrag, sabotage, confrontatie en rivaliteitgevechten (jaloezie). Door een mechanisme van identificatie en confrontatie ontstaan groepsposities en groepsrollen, zoals de positie van de leider, die van de tegenstander, de meelopers en de gedistantieerde waarnemers. Meestal ontstaat langzamerhand een midden. De deelnemers richten zich op een groepsdoel. Zonder een ‘midden’ kan de groep niet blijven bestaan. Voor identificatie en groepsgebondenheid is het nodig dat men het idee heeft “soortgenoten te zijn”. Bij dat identificatieproces staat vaak een leider centraal.

Regels maken zinvolle samenwerking mogelijk
Door groepsvorming ontstaan openheid, saamhorigheidsgevoel en groepsnormen. Men bereikt een gezamenlijke identiteit en solidariteit. In elke groep wordt het gedrag mede bepaald door een complex van regels. Aan de ene kant werken regels beperkend – je kunt niet alles zo maar zeggen en doen. Individuele behoeften kunnen daardoor problematisch worden. Aan de andere kant maken regels zinvolle samenwerking mogelijk. Regels helpen bij het bereiken van doelstellingen en geven de groepsleden zekerheid: je weet waar je aan toe bent. Door mezoeman-bensjen ontstaat een groep met regels en doelen: het danken van G’d voor het feit, dat Hij ons in staat heeft gesteld ‘niet bij brood alleen’ te leven en ons hogere doelen voor ogen heeft gehouden.

Evenwicht tussen de extremen
Wanneer meerdere mensen samen een mitsva vervullen, heeft dit meer effect. Het geheel is meer dan de som der delen. Het individu bereikt in de groep een veel spiritueler niveau. Zijn religieuze ervaring en expressie worden in de groep verhoogd.
Deze wereld is opgebouwd is uit drie dimensies: links, rechts en een midden, dat die extremen verbindt of verleden en toekomst, die elkaar in het heden ontmoeten. Pas bij drie mensen ontstaat er een groep, omdat men bij twee nog wel eens aan antipolen denkt. De derde wordt gezien als de verbindende schakel tussen de twee uitersten.
Juist die eenheid staat symbool voor datgene wat onze Wijzen wilden bereiken met het mezoeman-bensjen: een gemeenschappelijk, hoger doel in het leven, dat positief is en opbouwt, via de logica van het evenwicht tussen de extremen. Niet alleen recht, macht of genade en liefde, maar juist het beginsel van evenwicht, dat uiteindelijk tot perfectie leidt, staat bij ons centraal.

RESPECT VOOR GERIEM
Leden van de stam Jehoeda heten Jehoediem maar de term ‘Joden’ is niet alleen van toepassing op de kindskinderen van stamvader Jehoeda, de zoon van Aartsvader Ja’akov, die ongeveer 3500 jaar geleden leefde maar op de afstammelingen van alle 12 stammen, die in het koninkrijk Jehoeda – rond Jeruzalem – en het noordelijke rijk Israël verenigd waren.

Gioer, Joods worden
Wij vormen geen ras maar zijn voornamelijk een volksgemeenschap. Wij zijn er wonderwel in geslaagd onze identiteit tussen 70 n.d.g.j. – toen de Tempel verwoest werd – en nu in het postmoderne Israël te behouden. Dankzij onze religie en traditie en ondanks alle pogroms.

Iemand is Joods als hij een Joodse moeder heeft. Je kan ook Joods worden. Dat kost tijd en intensieve studie: weten, praktiseren en accultureren. Wij kennen geen missie. Maar het is wel onze taak anderen te inspireren.
“Heb de geer lief, want jullie waren geriem in het land Egypte” (10:19). Wij mogen geriem (proselieten) niet benadelen of beledigen. Rasji verklaart hier dat wij `ons eigen gebrek niet moeten toeschrijven aan iemand anders’. Dit heet `projectie’ in de Tora-psychologie. Je projecteert a.h.w. je eigen gebreken op een ander. Dit gebeurt heel vaak.
Rasji heeft dit principe al verschillende keren als verklaring gebruikt. In Sjemot 22:20 zegt Rasji hetzelfde op de woorden: “Een geer mag je niet bedriegen en verdrukken” en ook in Vajikra 19:33-34 wordt er gesproken over liefde voor de vreemdeling nadat er gewaarschuwd is om hen niet te benadelen. Daarom moet Rasji er duidelijk bij zeggen dat wij onze eigen gebreken niet mogen projecteren op de vreemdeling en de geer. Dat zou tot discriminatie en onderdrukking kunnen leiden.

Versterking
In Ekev wordt echter alleen gesproken over liefde voor de geer: “Jullie moeten de geer liefhebben omdat jullie vreemdelingen waren in Egypte”. Het lijkt onnodig de uitspraak “projecteer je eigen gebreken niet op een ander” erbij te halen om deze pasoek uit te leggen.
Rav Avigdor Bonchek vraagt zich de logica van deze liefdesopdracht af. Moet je van iemand houden omdat je ooit hetzelfde hebt meegemaakt of gedaan? Moeten alle voetballers houden van andere voetballers omdat ze ooit een keer gevoetbald hebben?
De Tora verstevigt het gebod om de vreemdeling lief te hebben door ons te herinneren aan ons verleden. “Maak geen misbruik van de vreemdeling zoals de Egyptenaren van ons misbruik hebben gemaakt”. “Heb uw naaste lief gelijk uzelf” wordt door Hilleel uitgelegd als: “Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet”. Iets positiefs wordt geconcretiseerd door een verbod.

Projectie van eigen gebreken
Als wij onze eigen zwakheden projecteren op een ander, dan ontkennen wij onze eigen gebreken en plakken we die op de persoon die tegenover ons staat. De Tora wist dit al vóór Freud. Als de Tora alleen maar wil dat wij een geer niet benadelen, dan had de Tora niet zo ver hoeven gaan ons ook op te dragen de geer lief te hebben.
Maar Rasji lette op de context, waar duidelijk staat, dat G’d recht doet aan weduwe en wees. Hij houdt van de vreemdeling om hem brood en kleren te geven (10:19). In feite wil G’d dat wij Hem nadoen. Tijdens de hele sidra komt het woordje liefde zeven keer voor. Dit betekent dat het hier om meer gaat dan alleen `niet benadelen’. We moeten in G’ds wegen wandelen. G’d houdt van de vreemdeling. Daarom moeten wij dat ook doen. “Jullie moeten de geer liefhebben omdat jullie vreemdelingen waren in Egypte”. Mensen, die veel hebben meegemaakt, worden nog wel eens wreed tegenover lotgenoten. Ontken niet alleen, dat je ooit zelf vreemdeling was. Maar erken ook, dat dat geen prettige situatie was, die je niemand anders mag aandoen.

36 verboden
Opvallend is dat sommigen onder ons moeite hebben met geriem, mensen, die Joods zijn geworden. Ik vind dat een kwalijke zaak, temeer daar de Tora er zwaar voor waarschuwt geriem niet slecht te behandelen. Een van de middeleeuwse geleerden, Rasjbam, een kleinzoon van Rasji werd een keer een sjiddoech voorgesteld met een gioret. Hij wilde niet met haar trouwen omdat hij bang was dat hij de 36 verboden tegen het pijn doen van een geer zou overtreden in zijn huwelijk. Hier kunnen wij allemaal een les uit leren.

ONTZAG VOOR HASJEEM
Wat wil Hasjeem van ons? Een filosofische vraag, die deze week in de Tora beantwoord wordt: “En nu, Israël, wat wil G’d van u? Slechts om hem te vrezen, te gaan in zijn wegen en Hem lief te hebben en Hem te dienen met heel uw hart en heel uw ziel” (10:12).
Onze Chagamiem, Wijzen hebben hieruit afgeleid dat alles in de hand van de Hemel is, “behalve vrees voor G’d”. Hasjeem vraagt van ons om Hem te vrezen. Dit betekent dan, dat ons ontzag voor Hasjeem als het ware buiten Hem om gaat. Het is alleen van onszelf afhankelijk. G’d heeft Zich hier even teruggetrokken.
Als dit de enige zaak is die G’d van ons verlangt, dan betekent dit, dat alle andere zaken niet binnen ons bereik liggen. Maar is dat wel zo? Zijn er geen andere zaken, waar we zelf verantwoordelijk voor zijn? Die zijn er zeker! De Mosjav Zekeniem (van de Tosafisten) citeert de Talmoed in B.T. Ketoevot 30a waar staat dat alles in de hand van de Hemel is, behalve “tsiniem” en “pagiem”. Tsiniem zijn doornen en pagiem zijn vallen (Spreuken 22:5). Voorzichtige mensen voorkomen dat ze daardoor beschadigd worden. Iedereen is daarvoor zelf verantwoordelijk. Als de mens niet oppast, zal G’d hem wellicht niet beschermen. Kennelijk is er meer “niet in G’ds hand” dan alleen maar de vrees voor de Hemel.

Aardse en hemelse wereld
Er bestaan inderdaad twee gebieden waar de mens zelf verantwoordelijk is; de aardse en de hemelse wereld – gasjmioet en roechnioet. In de aardse zin kunnen bepaalde schadelijke invloeden vermeden worden (zoals roken). Hogere zaken zoals persoonlijkheid of intelligentie zijn in G’ds handen en van te voren bepaald. Het enige wat wij daar zelf kunnen kiezen is of wij G’d zullen vrezen.

Twee levensgebieden
Beide uitspraken zijn dus niet tegenstrijdig. Het gaat over twee verschillende levensgebieden, het geestelijke en het materiële. In beide sferen bestaat er een bepaald gebied waarin G’d ons volledig vrij laat. Hasjeem trekt Zich hier volledig terug.
De profeet Jirmijahoe geeft dit al duidelijk weer: “Zo zegt Hasjeem: ‘Een wijs mens moet zichzelf niet beroemen op zijn wijsheid, een sterke moet zichzelf niet beroemen om zijn kracht, en een rijk man moet zichzelf niet beroemen op zijn rijkdom. Maar hij die zich wil beroemen, moet zich hier in beroemen: dat hij verstand heeft en Mij kent, dat Ik Hasjeem ben, die goedertierenheid, recht en gerechtigheid op aarde doet. Want in die mensen heb Ik behagen’, zegt Hasjeem” (9:22).

Gaven van Hasjeem
Eigen inbreng en initiatief! We kunnen alleen trots zijn als wij zelf iets hebben gepresteerd. Maar de meeste dingen in ons leven zijn gaven van G’d. Het enige waar we werkelijk trots op kunnen zijn, is het kennen van G’d. Dat is onze eigen inzet en inspanning.
Dit staat ook aangeduid in de woorden van de pasoek: “wat wil G’d van u?”. In het Hebreeuwse “van u” staat hier “me’imach”. Dit betekent: “Wat wil G’d van dat wat bij u is”. In de Hebreeuwse taalnuance betekent dit “dat wat jij bij jezelf hebt”. Niet noodzakelijk alleen je materiële bezittingen, maar meer je spirituele verworvenheden. Dat vraagt G’d, van wat bij je is, wat jij zelf verworven hebt. De eigen vrijwillige keus. Daar gaat het om in het Jodendom. Dat is continu de centrale levensvraag. Waar gaan we voor en waar staan we voor? Voor het hogere, spirituele of het aardse, materiële?

Comments are closed.