WE-ETCHANAN (en ik smeekte): Mosjé smeekt toch het Land te mogen binnentrekken maar G’d weigert dat. Hij kan op de top van de berg Pisga het Land aanschouwen en hij zal Jehosjoe’a aanmoedigen. Mosjé herinnert het volk aan de Openbaring op de berg Sinaï, die voor de hele natie bestemd was. Er mag aan de Wet niets toegevoegd of afgenomen worden. Voorschriften moeten iedere generatie opnieuw overgedragen worden. Mosjé geeft een overzicht van de Tien Geboden en draagt op de Wet strikt na te leven: hebt ontzag voor G’d. Mosjé onderwijst Sjema, de centrale gedachte dat er slecht één G’d is. Bezondig je niet aan G’ds verboden, ga geen huwelijken aan met de inwoners van het Land en vernietig hun afgodische hoogten. Want de Bné Jisraëel zijn aan HaSjeem gewijd, ze mogen niet spiritueel vervallen en hun bijzondere opdracht vergeten. Mosjé voorspelt dat de Bné Jisraëel tot zonden zullen vervallen en dan verstrooid zullen worden onder de volkeren, maar uiteindelijk zullen terugkeren.
Net zoals de eskimo’s lehavdiel tien uitdrukkingen voor sneeuw kennen, hebben wij tien woorden voor davvenen (bidden) omdat tefilla, het gebed een van de pijlers van ons geloof is. Volgens de Gaon van Wilna kent het Hebreeuws geen synoniemen en geven wij met deze tien woorden voor davvenen telkens een ander aspect van onze relatie met het Opperwezen aan. Wat een diepgang! Een andere manier van categoriseren is alles opdelen in vier betekenislagen omdat het getal vier wijst op de vier werelden tussen G’d en ons. De Tora is via deze vier werelden afgedaald naar deze concrete materiele wereld en onze gebeden moeten via deze vier werelden opstijgen tot Hasjeem. Laten we deze lange spirituele weg samen proberen te ontleden, op praktisch niveau, `lern’-niveau en op het gebedsterrein. Want Tora, mitsvot en tefilla vormen de belangrijkste elementen van het Jodendom.
TORA
Achter de tekst van de Tora en de geopenbaarde Joodse kennis ligt een diepere wetenschap omtrent het wezen van alle verschijnselen verborgen. De verdieping van kennis in de mystieke werken werkt als een geestelijke lamp, die ook een daaropvolgende gebedsoefening veel meer diepgang geeft. Het is alsof er een nieuwe persoonlijkheidsdimensie wordt aangeboord, waarbij men ware diepgang voelt.
Hieronder volgen, na een korte inleiding, een aantal voorbeelden van de wijze waarop in Kabbalistische kring de uitleg van de ge- en verboden, aspecten van het gebed en de Tora-exegese behandeld worden.
De vier niveaus van verklaren
Globaal worden de vier interpretatiemethoden onderscheiden bij de uitleg van de Joodse geschriften
1. Psjat, de eenvoudige verklaring;
2. Remez, de gedachten, die aangeduid liggen in klassieke bronnen;
3. Droesj, achtergrondinformatie en homiletische ideeën, die ingebed liggen in de klassieke bronnen;
4. Sod, mystieke ideeën, die de grondslag vormen voor het ‘hoe en waarom’ van de klassieke bronnen.
Het model van het mystieke streven
Het kenmerkende van de mystieke uitleg of grondslag van het gehele corpus van het Jodendom is, dat de mystiek er naar streeft het diepste wezen van alle fenomenen te doorschouwen.
Mystiek probeert het G’ddelijke licht in de Schepping te openbaren en binnen het kader van Tenach en Talmoed pogen kabbalistische werken aan te tonen hoe beide werken, zoals wij die in hun aardse verschijning kennen, gegevens uit hogere werelden weerspiegelen.
De mystiekleer is er op gericht de eenheid van dit G’ddelijk Licht te waarborgen en legt verbanden tussen Hemelse sferen, de verschillende mensaspecten en de vele facetten, waarin Tora en Talmoed tot ons komen. Op deze wijze wordt de hogere intentie in alles wat wij doen, spreken en denken geopenbaard. Dit eenheidsstreven bestaat op alle niveaus van Tora-bemoeienis en geldt niet alleen tussen de verschillende sferen maar ook intern, binnen iedere sfeer afzonderlijk.
Als voorbeeld van dit laatste kunnen we de Tora-interpretatie zelf onder de loep nemen: alleen die psjat is ‘waar’, die aansluit bij de hogere vormen van Tora-uitleg. Omdat ‘sod’ de hoogste vorm hiervan is, is de mystiekleer de uiteindelijke toetssteen voor de authenticiteit van iedere uitleg op alle niveaus. Alleen wanneer alle niveaus van exegese onderling in harmonie zijn, kan er sprake zijn van een ‘doorbraak’ van het G’ddelijk licht, van Boven naar beneden, tot in de laagste regionen.
Dit ‘model’ van samenhang van hoog tot laag zal ik met voorbeelden uit de drie ervaringsgebieden praktische geboden, gebed en Tora-studie proberen te verduidelijken.
Vier werelden en gebed
Het ochtendgebed weerspiegelt – als de ladder in de droom van Ja’akov – de vier werelden die van laag tot hoog spiritueel worden bestegen, waarna we gelouterd door G’ds nabijheid weer de aardse realiteit betreden. In het eerste deel van het ochtendgebed danken wij G’d voor alle wonderen, die wij in ons lichamelijk welzijn en in de wereld om ons heen ontwaren, waarbij het hoogtepunt de recitering van de offervoorschriften vormt in het besef, dat de lagere levensvormen – de dode materie en de flora – maar ook de hoogste vorm van materie – de fauna – tot G’d naderbij gebracht moeten worden. Het Hebreeuwse woord voor offer (korban) betekent niet vernietiging (`opofferen’) maar veelmeer ‘naderbij brengen’ van de natuur tot G’d.
Daarna volgt op de tweede sport van de gebedsladder: een beschrijving van de wijze waarop de gehele natuur één koor van lof voor het Opperwezen vormt. Op de derde sport raakt de biddende mens in vervoering door een weergave van de extatische lof van de Engelen, terwijl het achttiengebed de vierde wereld Atsiloet symboliseert, waarin de G’d dienende mens zich in volledige overgave verbonden voelt met het Opperwezen.
De halacha stelt, dat niets de aandacht van G’ds nabijheid mag afleiden tijdens het achttiengebed. In de gebeden na het achttiengebed probeert men de verheven gemoedsstemming te doen afdalen en om te zetten in de dagelijkse praktijk. De afsluitende gebeden vormen een ‘afkoelingsperiode’ om zich te bezinnen op de invulling van de dag, die komen gaat. Het ochtendgebed moet uitgesproken worden voordat men zich gaat wijden aan de dagelijkse beslommeringen. Want alleen zo zal men zich op religieus zinnige wijze kunnen wijden aan het doel van de Schepping: de transformatie van materie tot geest.
De vier niveaus van het gebed
De vierdeling van eenvoudig aards tot verheven mystiek (psjat, remez, droesj en sod) binnen het model van samenhang van hoog tot laag en vice versa komen we ook tegen in de verschillende stadia van de dagelijkse gebeden. De ladder, die onze Aartsvader Ja’akov in zijn droom zag ‘die op de aarde stond maar tot in de Hemel reikte’, slaat volgens onze Geleerden op het gebed. De gebeden zijn zo gearrangeerd, dat wij gelijk een getrapte raket steeds dichter bij G’d geraken. Deze vierdeling is te vinden in de structuur van de dagelijkse gebeden maar ook in de uitleg van de Hebreeuwse term ‘tefilla’ (gebed).
Meer dan dagelijkse behoeften
Meestal vertalen we het Hebreeuwse woord tefilla met gebed. Deze vertaling is veel te schraal. Bidden kent veel meer schakeringen, facetten, nuances en niveau’s dan alleen het vragen om ons dagelijks brood of levensgeluk.
Voor al deze nuances bestaan verschillende termen, die ieder onderdeel van de vierluik een andere kleur geeft. Op het laagste en simpelste psjat-niveau is bidden (davvenen) in eerste instantie een G’ddelijke opdracht, die concreet in gebedsteksten werd uitgewerkt door onze Wijzen. In tijden van ramp- en tegenspoed mogen wij ons alleen tot G’d wenden. Wanneer het goed met ons gaat, danken we G’d en vragen wij Hem om deze situatie te continueren.
Maar eigenlijk is bidden een chotspe, een brutaliteit van de mens ten opzichte van het Opperwezen. G’d kent onze (werkelijke) behoeften immers beter dan wijzelf? G’d beschouwt ons als Zijn kinderen. Kinderen bidden niet tot hun ouders om hun dagelijks brood?!
Maar wij davvenen (bidden) om onszelf duidelijk te maken, dat G’d bij ons betrokken is en dat ook materieel succes geen toeval mag heten.
Eigen bestwil
G’d heeft ons gebed niet nodig maar wij kunnen niet zonder onze gebeden. Wij varen er wel bij te beseffen en te erkennen, dat wij voor alles afhankelijk zijn van het Opperwezen.
G’d is ons niets schuldig. Toch geeft Hij ons alles. Wij moeten G’d imiteren en alles onbaatzuchtig met anderen delen. Hierbij geldt `geen woorden maar daden’ – te meer omdat alles uiteindelijk voor ons bestwil is.
Dit is een uitleg van tefilla op psjat-niveau. Maar er zijn nog drie hogere niveau’s.
Moment van zelfanalyse
Het davvenen is als een Jakobsladder, die Hemel en aarde verbindt, de mens met G’d. Engelen stijgen op en dalen af.
Op het tweede (remez-) niveau zijn de diepgevoelde woorden van de tefilla Engelen, die opgaan tot G’d. G’ds zegeningen dalen als Engelen neer als antwoord van Boven. Eerst bestegen opgaande Engelen de Jakobsladder en pas daarna verschenen afdalende, hetgeen een remez (aanduiding) vormt voor onze tefilla. Deze interactie mens-G’d leidt ons tot de tweede betekenis van het woord tefilla, dat ook zichzelf beoordelen betekent.
Wanneer we G’d om zegeningen smeken, moeten we eerst onszelf evalueren. Zijn we alle zegeningen wel waard? Vormen onze zonden geen ijzeren muur tussen ons en G’d? Nederig vragen we om vergiffenis en proberen we het goede in onszelf te laten overheersen. G’ds oneindige genade staat garant voor ons welzijn, niet onze goede daden.
Bewerking
Op het derde (droesj-) niveau heet het gebed avoda – bewerking. Davvenen is erop gericht om ons hart en onze ziel te bewerken, te verfijnen en te reinigen.
Zoals ruwe grondstoffen worden bewerkt tot nuttige consumptiegoederen, zo kunnen onze laagste driften gesublimeerd worden tot edele karaktereigenschappen. Tijdens het davvenen (bidden) proberen we woede of jaloezie – dierlijke neigingen – ten goede te keren of aan te wenden en te sublimeren. Wij zijn in G’ds evenbeeld geschapen en kunnen onze animale driften ontstijgen.
Hechting
Op het vierde en hoogste (sod-) niveau betekent tefilla verbondenheid. Tefilla betekent nu een worden met G’d en is verwant een Hebreeuws woord, dat ‘samenbinden’ betekent. Onze ziel komt uit het G’ddelijke en verlangt terug naar haar oorsprong. Onze ziel wordt zelfs een ‘neer Hasjeem – een kaars van G’d’ genoemd. De vlam lijkt zich van pit en kaars los te willen maken. Wij `sjokkelen’ en bewegen ons heen en weer bij het davvenen om uitdrukking te geven aan dat hevige verlangen weer opgenomen te worden in onze Oorsprong.
Zo is ook ons gebed opgebouwd uit vier lagen, die corresponderen met de vier werelden, waaruit G’ds Schepping bestaat. Een goed gebed doorloopt alle vier stadia en bereikt dan inderdaad het Opperwezen.
Tefillien (gebedsriemen)
“Je moet ze als een teken op je hand binden en als een herinneringsband tussen je ogen” (Devariem 6:8). Tefillien zijn een `black box’, de zwarte huisjes op het voorhoofd en de linkerarm waarin verschillende stukjes perkament met tekst uit de Tora liggen.
Ook hier speelt het getal vier als symbool van de vier werelden tussen Hasjeem en de mens. Er zijn vier perkamenten Tora-afdelingen in vier huisjes. Het huisje van de tefillien moet volledig vierkant zijn. De knoop in de tefillien van het hoofd heeft de vorm van een ‘dalet’, de vierde letter van het alfabet. De ‘sjien’op de tefillien van het hoofd heeft vier poten. Het getal vier weerspiegelt de vier scheppingsstadia, die weer overeenkomen met de vier letters van het Tetragrammaton, de vierletterige naam van G’d.
De tefillien worden gemaakt van dierlijke producten. De mens wordt alleen maar door sublimatie van zijn dierlijke natuur verheven. De belangrijkste band met G’d loopt via de aardse navolging van de ge- en verboden. Alles uit de tefillien moet van kosjere dieren gemaakt zijn, omdat een teveel aan niet transparante, treife materie de band met G’d verbreekt.
De vier perkamenten Tora-afdelingen moeten helemaal wit zijn, hetgeen duidt op het Oneindige Licht, dat de wereld aanzijn gaf. Maar voordat de wereld geschapen kon worden, moest dit G’ddelijke licht afgeschermd en beperkt worden. Daarom heten de Tora-afdelingen zwarte letters op wit vuur. Het witte oneindige vuur moest getemperd en gematigd worden om te resulteren in deze eindige wereld. Het witte perkament is verborgen in een ‘black box’ omdat G’ds scheppingsdoel verborgen blijft. Tefillien zijn zo’n ‘black box’ omdat we niet weten wat er binnenin gebeurt. Tefillien moeten vierkant zijn. Het vierkant symboliseert het menselijke product. De natuur is nooit zo precies. Het uiteindelijke scheppingsdoel is afhankelijk van de mens.
Ook het getal zeven speelt een belangrijke rol. De zeven windingen om de arm corresponderen met de zeven Midot, de uitstralingen waarmee G’d de wereld leidt. Dit zijn de zeven stadia die G’d met Zijn schepping verbinden, die gerealiseerd werden in de zeven scheppingsdagen, een andere wijze van binding aan Hasjeem. Deze zeven G’ddelijke uitstralingen worden ook in de zeven armen van de Menora weerspiegeld. De tefillien worden gemaakt van dierlijke producten. De mens wordt alleen maar door sublimatie van zijn dierlijke natuur verheven. De belangrijkste band met G’d loopt via de aardse navolging van de ge- en verboden.
Tefillien worden samengebonden met de pezen van een kosjer dier. De 365 pezen in het lichaam komen overeen met de 365 dagen van het jaar. De huisjes van de tefillien worden met twaalf steken bij elkaar gehouden, wat overeenkomt met de twaalf maanden van het jaar. Tijd is een belangrijk scheppingsingrediënt. Daardoor wordt onze wereld een arena van activiteit. Alleen in een dergelijke wereld kan het G’ddelijke doel worden gerealiseerd. De twee letters sjien op de hoofdtefillien – aan de rechterkant een met drie poten, links een met vier pootjes – staan voor de eerste letter van de G’ddelijke beschermnaam Sja-dai. De twee letters sjien hebben samen zeven pootjes, wat wederom duidt op de zeven Midot. In de letter sjien zijn alle pootjes verbonden met één enkele basis. Alle krachten richten zich uiteindelijk op één doel.
Waarom zijn de huisjes niet van metaal, plastic of steen? Tefillien zijn van (koeie-) huid gemaakt, van dezelfde materie als waarvan het mensenlichaam gemaakt is om te benadrukken, dat de boodschap van de Tefillien – als in een huidtransplantatie – een moet worden met de mens. De Tefillien moeten zwart zijn. Zwart verandert niet zo gauw van kleur; zo ook moet de Joodse man of vrouw zijn/haar identiteit niet opgeven.
Op de hoofdtefillien staan twee letters ‘sjien’, de ene met drie pootjes en de ander met vier. De letter sjien is in getallenwaarde 300. Twee sjiens zijn totaal 2 x 300 = 600. Sj-sj vormt het Hebreeuwse ‘sjeesj’ of zes (6); samen met de zeven (4 3) pootjes komen we uit op 613, het aantal ge- en verboden. Tefillien wegen op tegen de 613 Tora-geboden