Kie Teetsee 5770

Kie Teetsee (Dewariem/Deuteronomium 21:10-25:19)    

HET EERSTE HUWELIJKSJAARWanneer iemand pas getrouwd is, hoeft hij niet met het leger uit te rukken. Hij hoeft voor geen enkele taak op te komen. Vrij zal hij zijn voor zijn vrouw, een jaar lang. Laat hij de vrouw die hij gehuwd heeft gelukkig maken” (24:5).

Ik maak helaas veel echtscheidingen mee. Voor het hoge echtscheidingspercentage vandaag de dag zijn vele redenen: individualisme, onafhankelijkheid, financiële zelfstandigheid of verschillen in spirituele groeisnelheid. Maar vaak ligt de bron van onenigheid reeds in het eerste jaar.
Wanneer man en vrouw zich één jaar volledig aan elkaar wijden, ligt er een stabiele basis. Rabbi Nachoem Diamant, een huwelijkscounselor uit Bnee Berak wijst op het grote belang van rust in het eerste huwelijksjaar. We vergeten dat ons huwelijk veel aandacht eist, willen we het goed houden.
De pas gehuwde is vrijgesteld van militaire dienst. Sociale verplichtingen minimaliseert hij gedurende het eerste jaar. Volgens de traditie betekent de frase:”Hij hoeft voor geen enkele taak op te komen”, dat hij zelfs geen belasting hoeft te betalen. Het allerbelangrijkste is echter:”Laat hij de vrouw die hij gehuwd heeft gelukkig maken”.

Het Joodse huis staat centraal in het Jodendom. Alles daarbuiten is niet echt relevant. In feite zegt de Tora: ”Laat dit echtpaar even totaal met rust. Laat ze zich volledig op elkaar concentreren. Dit is de basis van de rest van hun leven. Wees daar heel voorzichtig mee”.

Honeymoon is niet verplicht maar de vrouw verheugen absoluut wel. Het is een mitsva uit de Tora. Alles wat dit prille geluk zou kunnen storen, moet vermeden worden. Interessant. Er staat niet dat de man blij is met zijn vrouw of vanwege zijn vrouw. Het is niet eens de bedoeling samen feest te vieren. Waar het om gaat is dat de man zijn vrouw een goed gevoel geeft. Hoe doet men dat? Het allerbelangrijkst is met je vrouw praten.

De Chazon Iesj, een gerenommeerd 20e-eeuwse Tora-leider, legt uit dat het de bedoeling is dat de man alles in het werk stelt om liefde en nabijheid te tonen. Het belangrijkste is veel praten. Wanneer in Pirkee Avot staat dat men niet te veel moet praten, slaat dat niet op het eerste jaar. Samen bij een tante op bezoek gaan of samen televisie kijken, was niet de bedoeling.

Man en vrouw moeten naar elkaar kijken (dit is ook toegestaan gedurende de nida-periode). Als men dit één a twee uur per dag doet, ontstaat een stevig fundament. Aan het eind van het jaar, wanneer deze verheug-mitsva ten einde loopt, kent hij zijn vrouw van a tot z. De man weet wat zijn vrouw graag eet ’s avonds om acht uur en wat ze wil drinken om tien uur.

Van elke beweging die zij maakt, begrijpt hij de strekking. Hij weet precies wat ze belangrijk vindt en wat haar tolerantiedrempel is. Aan de andere kant weet zij precies wat ze wel en wat ze niet moet zeggen,  hoe ze haar man moet verrassen en hoe ze hem tot bedaren moet brengen.
Ze hebben een heel jaar in hun relatie geïnvesteerd. Zo bouwt men een Joods huis. Kort samengevat moet het nieuwe paar proberen gedurende het eerste jaar elke dag veel samen te kletsen. De mobiele telefoons gaan even uit, internet staat even op hold, er wordt niet overgewerkt en niet te lang geleerd.

Het avondgebed kan ook later worden gedavvend; de wasmachine hoeft niet precies middenin het gesprek aangezet te worden. Ze zijn er alleen voor elkaar. Hij maakt haar iets lekkers te drinken klaar, gaat gezellig op de bank zitten (niet tegenover de televisie uiteraard) en spreekt met haar om haar tevreden te stellen.
Wanneer hij terug komt van werk of lernen, wacht hij niet tot zij vraagt waar hij was. Vertel zelf waar je geweest bent en wat je meegemaakt hebt, zodra je binnen komt.
Ze gaan samen eten. Zij wacht op hem. Juist tijdens het eten is het gezellig. Onderweg belt hij haar even en vertelt wat er gebeurt. Daarmee vervult hij zelfs een mitsva uit de Tora. Hij moet echter wel oppassen geen kwaad te spreken, want lesjon hara (roddel) blijft verboden. Het draagt niets bij aan een goede relatie.

Reïncarnatie (Gilgoel) – een vele levens-vullende opdracht
Op radio en televisie hoor en zie je regelmatig allerlei mensen praten over de hemel, hel, dolende zielen, reïncarnatie en wat dies meer zij. Hoe denkt het jodendom over zielsverhuizing? 

Hoewel de filosoof Jehoeda Halevi (1095 – 1150) en de wetsschrijver Maimonides (1135-1204) de transmigratie van zielen niet beschrijven en Rabbi Awraham, de zoon van Maimonides het begrip Gilgoel of reïncarnatie verwerpt, is reïncarnatie een bekend fenomeen in de Kabbala.  Gilgoel wordt in de vroegste mystieke werken besproken, zoals in Sefer Habahier, dat tegen het einde van de twaalfde eeuw gepubliceerd werd.  De vers uit Spreuken (1:4): “De ene generatie verdwijnt en de andere generatie komt” betekent, dat de generatie die nu verdwijnt meteen ook de zielen levert voor de komende generatie.

Hoewel in de filosofische literatuur het woord ha’ataka – overbrenging – de gebruikelijke term was voor reïncarnatie, kwam later de term Gilgoel in zwang, hetgeen letterlijk ‘voortrolling’ betekent.  De leerlingen van Rabbi Jitschak de Blinde en de kabbalisten van Gerona spraken van het geheim van lbboer (letterlijk: zwangerschap).  Hoewel later voor metempsychosis de term hitchalfoet – uitwisseling – gebruikt werd, is de meest gebruikelijke term in het jodendom voor de zielsverhuizing het woord Gilgoel.

Het zwagerhuwelijk
In Deuteronomium 25:5 wordt het zwagerhuwelijk of leviraatshuwelijk behandeld: “Wanneer broeders tezamen wonen en een van hen sterft terwijl hij geen kinderen heeft, zal de vrouw van de overledene niet naar buiten, aan een vreemde man, gaan toebehoren; haar zwager zal tot haar komen en haar zich tot vrouw nemen en de zwagersplicht jegens haar volbrengen.  De eerstgeborene, die gij zult baren, zal staan op naam van zijn overleden broer; zo zal zijn naam niet uitgewist worden uit Israël”.

De verplichting van een leviraatshuwelijk wordt in de Tora voor het eerst genoemd wanneer Eer, de eerstgeboren zoon van Jehoeda, sterft en Jehoeda zijn tweede zoon, Onan, instrueert om Eers weduwe Tamar te huwen en zich voort te planten namens zijn broeder.
De Zohar verklaart dat het overlijden van een persoon niet betekent dat zijn band met het aardse verbroken wordt.  Deze band wordt middels zijn kinderen voortgezet.  Wanneer iemand die geen kinderen heeft, sterft, zou dat betekenen dat zijn missie onderbroken wordt en onvoltooid blijft.  Om een dergelijke tragedie te voorkomen en de band tussen de overledene en het aardse in stand te houden, gebood de G’ddelijke Wijsheid, dat de weduwe met de broer van haar overleden man trouwt om met hem kinderen voort te brengen.  Het kind uit dit zwagerhuwelijk ontvangt dan de ziel van de overledene opdat diens missie in het leven volbracht kan worden.

In de Kabbala wordt uitgelegd dat man en vrouw beschouwd worden als één lichaam, één geheel en dat de fysieke vereniging tot doel heeft het leven te vereeuwigen.  Dit geschiedt door het leviraatshuwelijk omdat, met de dood van haar man, een deel van haar eigen lichaam sterft.  De naaste aanverwant is een broer omdat hij en de overledene voortkomen uit dezelfde ouders.  Dat is de reden waarom het gebod van het leviraatshuwelijk voor de broer geldt.

De Tora-wetgeving
In vroegere generaties, voordat de Tora gegeven werd, was het geheim van het leviraatshuwelijk bekend bij de Geleerden van iedere generatie.  Zij wisten, dat als er geen broer was om de weduwe te trouwen, de daaropvolgende bloedverwant, ook die functie kon vervullen om het verstoorde familiesysteem weer te herstellen.  Daarom was de onbedoelde vereniging van Jehoeda en Tamar (Genesis hfst. 38) legaal en zelfs prijzenswaardig.  Alleen de wijze waarop, de ogenschijnlijke wellustige daad met een prostituee en de uiteindelijke vernedering van Jehoeda, was verwerpelijk.  Toen de Tora werd gegeven met alle huwelijksvoorschriften werden de meeste incestueuze relaties verboden.  Ook een relatie zoals die van Tamar en Jehoeda werd verboden.  Toch was het zwagerhuwelijk zo heilig, dat G’d dit bleef toestaan en dit zelfs opdroeg.  De hoogste vorm van zwagerhuwelijk is die waarin een broer de kinderloze weduwe van een andere broer huwt (Nachmanides).

Ruth en Boas
Boas was zo’n ‘losser’ en potentiële zwagerhuwelijkskandidaat omdat hij het meest nabije familielid was.  Boas was echter niet zodanig verwant, dat het huwelijk met Ruth een verboden relatie zou betekenen.  Hij was alleen maar een neef van de overleden man van Ruth, Machlon.  Hoewel het leviraatshuwelijk alleen maar beperkt is tot de broer van de overledene, erkende men een morele verplichting om een soort rustplaats te creëren voor de ziel van de overledene door hem kinderen te schenken bij zijn vroegere vrouw.
Het zwagerhuwelijk is in de mystieke optiek een typisch voorbeeld van Gilgoel: de broer van de kinderloze overledene vervangt de overleden echtgenoot zodat hij in zijn tweede Gilgoel wel kinderen kan krijgen.  Ook de Sjechita – rituele slachting – werd nogal eens beschouwd als een uiting van de joodse opvatting van de zielsverhuizing tussen dieren.

Het onrecht in de wereld
Met de theorie van de zielsverhuizing is veel onrecht in de wereld te begrijpen.  De volgende episode over Mosjé is illustratief.  “Op een dag rustte Mosjé onder een boom.  Vlak in de buurt bevond zich een bron.  Na een tijdje zag hij een man naar de bron komen om water te drinken.  Terwijl de man zich over de bron boog, liet hij zijn geldbuidel vallen zonder dat hij dat merkte.  De man vervolgde zijn weg.  Even later kwam er een andere man, die eveneens van de bron dronk en daar de portemonnee zag liggen.  Vervolgens hield een derde man halt bij de bron en bleef daar een poosje zitten.

Intussen had de eerste man zijn verlies opgemerkt en dacht: “lk heb zeker tijdens het drinken bij de bron mijn geld laten vallen”.  Hij liep snel terug en zag daar een man zitten.  Hij vroeg hem: “Wat doe je hier?” De aangesprokene antwoordde: “lk ben moe en rust hier wat uit; ik heb gegeten en gedronken en ga nu verder”.  “Als je hier al een poosje bent dan heb je zeker mijn portemonnee gevonden die ik hier zonet heb laten liggen”.  De beschuldigde antwoordde: ” Ik heb je portemonnee echt niet gepakt; je beschuldigt mij vals!”. Maar de eerste hield vol en er ontstond een heftige ruzie.  Mosjé stond op om hen van elkaar te scheiden maar voordat hij dichterbij kon komen, had de man, die het geld verloren was, de ander al gedood en zich snel uit de voeten gemaakt.
Mosjé was verontwaardigd over de dood van die onschuldige man en hij stond ervan versteld, dat G’d dergelijke dingen had laten gebeuren.  Mosjé zei: “G’d! van drie onrechtvaardigheden ben ik zojuist getuige geweest.  Eerst heeft U toegelaten dat iemand zijn eigendom verloor, daarna heeft U toegestaan dat een ander zich dat toeeigende en vervolgens heeft U zich er niet tegen verzet, dat een onschuldig mens gewelddadig omgebracht werd.  Laat mij alsjeblieft weten, Almachtige, hoe ik deze dingen moet begrijpen.”

Lange termijn denken
G’d antwoordde Mosjé: “Jij meent dat Ik verkeerd gehandeld heb.  Veel dingen die Ik doe, begrijpen de mensen niet want zij kennen de oorzaak van de gebeurtenissen niet.  Maar deze keer zal Ik je uitleggen wat hier gebeurd is.  De man die het geld verloren heeft, was zelf wel een goed mens maar zijn vader was door diefstal in het bezit van dit geld gekomen.  En de bestolene van toen is nu de vader van degene, die zojuist het geld gevonden had.  Zo heb Ik veroorzaakt dat de zoon van de eigenaar zijn rechtmatig erfdeel terug heeft.  Over de gedode, die onschuldig is aan de diefstal, wil ik u meedelen dat hij eens, lang geleden, de broer van de man die hem vandaag vermoord heeft, heeft omgebracht.  Bij die moord waren geen getuigen en zijn misdaad bleef dus ongestraft.
Maar nu heb Ik het zo geregeld dat de moordenaar van toen door de broer van zijn slachtoffer vandaag beschuldigd en doodgeslagen werd.  En zo laat Ik veel dingen in de wereld gebeuren, die de mens niet kan begrijpen.  Niemand kan Mijn wegen doorgronden en je kunt vaak niet bevatten, waarom het soms de misdadiger in jouw ogen goed gaat en hij, die naar jouw mening goed is, door ongelukken bezocht wordt.”
Reïncarnatie verklaart veel van de afwezigheid van recht en rechtvaardigheid in deze wereld.  Het beantwoordt soms het probleem van het lijden van de rechtvaardigen of de voorspoed van de slechten.  Een oprecht goed mens kan in deze wereld gestraft worden voor de zonden die hij begaan heeft in een vorige Gilgoel (reïncarnatie).  In zijn commentaar op het boek Job legt Nachmanides het antwoord van Elihoe aan Job uit in termen van reïncarnatie.

Reiniging van de ziel
Lang niet iedereen reïncarneert.  Reïncarnatie is voornamelijk bedoeld als een rectificatie voor seksuele overtredingen. Men kan de transmigratie zien als een straf.  De ziel moet nogmaals afdalen naar dit tranendal, dat onze wereld is.
Maar het betekent dat er altijd een weg terug is en er altijd een mogelijkheid is van rectificatie.  Reïncarnatie is een uiting van G’ds barmhartigheid.  Niemand is voor eeuwig verloren en zelfs de zielen, die gestraft worden met uitroeiing (kareet) kunnen hun herstel vinden in Gilgoel.  De begrafenis is voorwaarde voor een nieuwe Gilgoel of zielsverhuizing.  Daarom benadrukt het  Jodendom een snelle begrafenis.  De ziel krijgt nogmaals de gelegenheid om zijn aardse daden te verbeteren.  Reïncarnatie is opnieuw een gelegenheid voor de purificatie van de ziel.

Comments are closed.