Re’ee 5770

Re’ee (Dewariem/Deuteronomium 11:26 – 16:17)        

Re’ee (Zie): Als HaSjeem de Bné Jisraëel het Land binnenbrengt moet de zegen worden uitgesproken bij de berg Geriziem en de vloek bij de berg Ebal. Alle afgodstekenen in het Land moeten vernietigd worden. HaSjeem zal een plaats bestemmen voor alle rituele handelingen, die nergens anders mogen plaatsvinden. Er mag binnen de poorten vlees gegeten worden, maar het bloed niet, want dat is de zetel van het leven. De Tora is volmaakt; er mag niets van weggelaten worden en niets aan toegevoegd. Voorts een waarschuwing tegen valse profeten; ook tegen hen die vreemde goden achterna willen gaan. Het is absoluut verboden kinderen te offeren. Aan de Levieten en aan de armen moeten op vastgestelde tijden tienden verstrekt worden. De dieren, die wel en die niet gegeten mogen worden, worden genoemd. Sommige gaven die men wil brengen naar het Heiligdom kunnen, als vervoer te moeilijk is, tegen geld gelost worden, zodat men in Jeroesjalajiem met dat geld kan kopen wat men wil. Na afloop van een zeven-jaren-cyclus moeten schulden kwijtgescholden worden, een vreemde mag je aanmanen. Slaven moet je in het zevende jaar vrijlaten en overladen met geschenken laten gaan, want je bent zelf slaaf geweest. Wil hij niet gaan, dan wordt zijn oor doorpriemd. De eersteling van het vee moet aan G’d gewijd worden indien het dier gaaf is. Een aantal bepalingen van Pesach, Sjawoeot en Soekot wordt herhaald.
 
“Kinderen zijn jullie voor Hasjeem. Maakt geen onderscheid” (14:1).
Deze prachtige kernachtige zin uit mijn barmitswa-sidra is mijn levensleidraad geworden. Ik ben nu in Israël maar ook daar is nog veel te doen aan onderlinge verdraagzaamheid. We hebben het verlies van de Tempel ter plekke verwerkt. Groot is het gemis aan een gezamenlijke religieuze beleving maar nog veel groter is het gebrek aan tolerantie. Onze Wijzen wisten het al 2000 jaar geleden. De eerste Tempel werd vernietigd vanwege de drie hoofdzonden afgoderij, moord en incest. Na 70 jaar stond de tweede Tempel er al weer.

Maar de tweede Tempel werd verwoest door de onberedeneerde haat tussen de Joden. Er werd veel gelernd en veel tsedaka gegeven. De liefdadigheidsfondsen draaiden op volle toeren. Toch bestond er veel ongefundeerde jaloezie. Gewoon haat om niks! Ongelooflijk maar waar. We maken het zelf nog steeds dagelijks mee. Waar een groot volk kleinzielig in kan zijn. Hoe het allemaal zo ver heeft kunnen komen? Arrogantie en onbescheidenheid. Een gebrek aan het gevoel, dat we allemaal kinderen zijn van Een Sof, een Oneindige G’d, die het allemaal wel overziet.

Drie blinden voelden eens aan een olifant. De eerste had zijn poot te pakken en meende van doen te hebben met een stevige pilaar. De tweede hield een slagtand vast en dacht dat het een ivoren toren was. De derde voelde aan zijn oren en oordeelde, dat de olifant een grote waaier was. Zij hadden allemaal gelijk. Ze overzagen het geheel echter niet. Ze gingen met elkaar op de vuist. De meningsverschillen en de begeleidende emoties waren niet meer in toom te houden.

Meer dan alleen geloof
Pas als we bereid zijn naar elkaar te luisteren en invoelend met de ander kunnen meegaan, is er hoop op verbetering. Maar daar is meer dan alleen geloof in G’d voor nodig. We moeten ook begrijpen, dat ieder mens aan ons gelijk is, dat ieder ander ook een stukje G’ddelijkheid is en heeft.  Intermenselijke verschillen benadrukken alleen maar de grootheid van Hasjeem.

Veel nijd is broodnijd. De tranen springen je in de ogen als je leest hoe Abba Joedan met zijn medemensen omging. Zijn enige zorg was andermans parnose. Narratieve theologie, zoals dat tegenwoordig heet.
Rabbi Jehosjoe’a en Rabbi Akiwa trokken er eens op uit om een grote som geld te verzamelen voor de armen. Ze kwamen in de buurt van Antiochië, de plaats van de bekende Abba Joedan, die altijd enorme bedragen aan tsedaka gaf. Toen Abba Joedan zag dat de geleerden arriveerden, werd hij bleek van schaamte en verdriet. Hij had al zijn geld verloren en kon deze keer geen cent bijdragen. Zijn vrouw schrok zich wezenloos toen ze haar man zo bleek zag en vroeg naar de oorzaak. “De Chagamiem, Wijzen bezoeken onze stad en ik kan geen dubbeltje tsedaka geven”.

Z’n vrouw, die nog veel vrijgeviger was dan haar man, adviseerde toen: ”Weet je wat? We verkopen de helft van het overgebleven veld en geven hun dan het geld”. Toen de geleerden het geld aannamen, gaven ze hem een zegen: “moge G’d jouw verliezen vergoeden!”.

Enige tijd later viel zijn koe in een gat bij het ploegen. Ze brak haar poot. Terwijl Abba Joedan zich over haar heen boog maakte hij zich geen zorgen: “Alles wat G’d doet is goed”. Terwijl hij de koe verzorgde zag hij in het gat een schat liggen. Hij begreep dat dit z’n beloning was. Toen de geleerden bij de volgende reis weer bij hem in de buurt waren, vroegen zij rond over Abba Joedan hoe hij het maakte. Zijn stadsgenoten zeiden dat hij weer fabelachtig rijk was. Abba Joedan kwam de Geleerden tegemoet en zei hen: ”Jullie gebeden hebben enorm geholpen. G’d gaf mij niet alleen mijn vroegere fortuin terug maar heeft mijn vermogen met meer dan ik ooit had gezegend”. Zij antwoordden toen: ”Jouw succes is te danken aan je eigen liefdadigheid. Omdat je altijd zoveel tsedaka gaf, heeft G’d jou al dit succes waardig geacht.”
Kijk daar haal ik mijn inspiratie vandaan. “Een genereuze gift voor tsedaka zorgt dat de parnasa (het levensonderhoud) vermeerderd wordt”(Spreuken 18:16). En zo heeft iedereen er wat aan. Niet alleen de eigenaar. Altruïsme verandert de wereld.

Afgoderij streng verboden
Afgoderij wordt streng verboden. Maar wat betekent dit tegenwoordig? In de Pirkee Avot – Spreuken van de Vaderen (een boek vol wijsheid) staat: “Ben Zoma zegt: Wie is wijs? Hij die van anderen leert.Wie is een held? Hij die in staat is zich te bedwingen en te beheersen.Wie is rijk? Hij die blij is met wat hij heeft. Wie krijgt eer en bewondering? Hij die andere mensen eert en bewondert”.

Het Jodendom waarschuwt tegen opscheppen over  kracht, rijkdom of intelligentie. Maar nog belangrijker is de uitspraak wie is een held ? De definitie van een held is iemand die in staat is zich zelf te beheersen, zijn lusten en passies te bedwingen en zijn verlangens te beteugelen. Het jodendom kent dus geen heldenverering als in de Middeleeuwse ridderromans of zoals in de Griekse godenverhalen. Onze helden zijn helden van de geest. Mensen die boven hun aardse beperkingen, kleine belangetjes, moeilijke omstandigheden, eigenwaan of zelfverbeelding zijn uitgestegen.
Onze helden zijn geen filmsterren en popidolen omdat die vaak alleen maar een oppervlakkige uitstraling hebben en soms helemaal geen goede voorbeelden zijn voor ons dagelijks gedrag. Onze helden zijn de krachtpatsers van de geest, die een grote kennis van het G’ddelijke in de wereld paarden aan een zeer menslievende en ‘gevende’ instelling. Men is pas een joodse held als men liever geeft dan neemt en iedereen in de omgeving laat delen in zijn kennis, gaven, goede eigenschappen of eigendommen.

De joodse helden hebben zich altijd gekeerd tegen verafgoding van dingen en denkbeelden. Veel mensen zijn er van overtuigd dat afgoderij tegenwoordig alleen nog maar voorkomt bij zeer primitieve volkeren. Niemand beseft, dat afgoderij eigenlijk veel dichter bij huis te vinden is. Het tegenwoordige heidendom is de verafgoding van alles dat begrijpelijk is – het verstand – en het direct tastbare, de materie. Moderne mensen ontkennen vaak iedere vorm van G´ddelijkheid – een macht boven de mens – en zijn van mening dat er niets anders is buiten het waarneembare universum. Nu en hier krijgen een absolute waarde; de materiele wereld bestaat zelfstandig in het moderne denken.

Toch heeft ook de traditionele mens behoefte aan een rolmodel. Maar op wie moeten wij ons dan richten voor een voorbeeld of een gevoel hoe wij onze persoonlijkheid moeten ontwikkelen? In feite moet de mens zich totaal identificeren met G´d. Dat gaat overigens niet zo eenvoudig. Wij worden geacht G´d constant te imiteren en ons met Hem te vereenzelvigen. Hoe doen we dat? Door Zijn goede voorbeeld in de praktijk te volgen.

Alleen door los te raken van de medemens kan men volledig één worden met G´d. Er staat inderdaad in de Tora dat wij ons aan G´d moeten hechten. Maar de vraag van de Joodse Geleerden hierbij is:”G´d is toch een verterend vuur, hoe kan men zich dan aan Hem hechten?”. Het antwoord luidt: net zoals G´d de naakten kleedt – zoals in de Tora bijvoorbeeld Adam en Eva – en de armen te eten geeft, moeten ook wij zorgen voor onze medemensen. Het nadoen en imiteren van G´d betekent dat we ons identificeren met Zijn wezen. G’d nadoen noemen we heiligheid. G’d is onze grootste ‘voorbeeld’.

Maar, omdat de mens geen G´d is, heeft G´d een heiligheidsprogramma voorgeschreven en ons een aantal opdrachten gegeven, die wij de mitswot (geboden) noemen. Daardoor identificeren wij ons met de Wil van G´d. Omdat wij aannemen dat de mens een G´ddelijke ziel heeft en dat die G´ddelijke ziel het hoogste mensaspect is, mogen wij zeggen dat wij op die manier onze echte persoonlijkheid en de meest oorspronkelijke kern van ons karakter leren bereiken en kennen. Het is wel een levensreis. Dit G´d nadoen is een taak die voor het hele leven geldt.

Heidense rituelen
De Tora is streng. We mogen geen heidense rouwrituelen overnemen. We hebben onze eigen manier van rouwen. We mogen ons lichaam niet verminken vanwege een dode, zoals de Emorieten dat deden. ”Omdat wij kinderen van HaSjeem genoemd worden, en dus mooi moeten zijn, mogen wij geen inkepingen of kale plekken maken vanwege rouw”, aldus Rasji (Dewariem 14:1). Toch scheuren we iets na een overlijden. Misschien wel de meest opvallende uiting van rouw in het Jodendom is het inscheuren van de kleding voor de begrafenis. Het scheuren van kleding bij sterfgevallen en andere onaangename gebeurtenissen is een gebruik van zeer hoge ouderdom. Al in het eerste boek van de Tora – Bereesjiet – wordt dit gebruik verschillende malen vermeld.

Emotie opwekken
Maimonides merkt op, dat het inscheuren tegemoetkomt aan de emotionele behoeften van de rouwende op dat moment en hem enige opluchting verschaft, hoewel het scheuren van kleding anders verboden is als doelloze vernieling.
Woede is een component van iedere vorm van rouw en een van de belangrijkste functies van het rouwverwerkingsproces is het verwerken van deze gevoelens van woede op een symbolische en grotendeels onbewuste wijze. De keri’a, inscheuring is een gelegenheid voor psychologische opluchting. Het stelt de rouwende in de gelegenheid om toe te geven aan zijn opgekropte woede en smart door een gecontroleerde, religieus bekrachtigde daad van destructie.
Maar de keri’a heeft ook een inleidend effect. De schok van het verlies van een dierbare is nog te groot om gerealiseerd te worden. Om nu het rouwproces in te leiden, richten we onze aandacht eerst op een kleiner, makkelijker te bevatten verlies. We scheuren kleding. We identificeren ons met het `verscheurde lichaam’ van de overledene. Zo wordt het grote verlies a.h.w. meegetrokken en wordt een begin gemaakt met innerlijke rouwverwerking.

De scheur moet van boven naar beneden gemaakt worden, te beginnen aan de bovenkant van het kledingstuk bij de hals. Heeft men de keri’a niet bovenaan het kledingstuk gemaakt of heeft men de keri’a niet in de lengte maar in de breedte gemaakt, dan heeft men niet aan zijn plicht voldaan.
Ook deze bepaling, die voorschrijft, dat bij het overlijden van familieleden een scheur in de kleding vanaf de nek naar beneden dient te geschieden, bevat een diepe symboliek. De keri’a dient om verdriet op te wekken want zonder bewuste gevoelens van verdriet is een rouwproces onmogelijk. Binnen dit kader is een keri’a rond de hals en de bepaling, dat deze van boven naar beneden ingescheurd moet worden begrijpelijk en plausibel.
In de Kabbalistische literatuur wordt het hoofd gezien als de zetel van het intellect, de hals als de nauwe, verbindende schakel tussen het intellect en de zetel van de emoties, die in de mystieke denkwereld in het hart is gesitueerd. De psychische verwerking van rouw begint zodra de verstandelijke verwerking van het doodsbericht doordringt tot het emo¬tionele deel van de mens. Daartoe moet een ‘enge brug’ – de hals – genomen worden. Pas nadat deze kloof tussen intellect en emoties overwonnen is, is er sprake van een begin van het rouwproces.

De mens heeft een natuurlijke weerstand tegen het aanvaarden en internaliseren van ellende. Toch is het noodzakelijk voor onze psychische hygiëne, dat het verlies doordringt tot het gevoelsleven om verwerkt worden.
Op symbolische wijze wordt een begin gemaakt met het rouwverwerken: de weerstand hiertegen wordt gebroken en het emotionele leven wordt ‘opengescheurd’ en toegankelijk gemaakt voor de rouwperceptie. Daarom gebeurt de keri’a rond de hals, omdat de hals gezien wordt als scheidsmuur tussen intellect en emotie. De hals vormt – in de paral¬lel¬listische denkwereld van de Kabbala – de barrière tegen de ongebreidelde doorstroming van wat het intellect waarneemt tot het rijk der emoties.

De keri’a neemt op symbo¬lische wijze deze barrière en initieert het rouwproces. De keri’a moet van boven naar beneden verricht worden om aan te geven, dat rouwverwerking een neergaand proces is, dat ‘geheel de mens’ moet omvatten van de hoogste en meest ‘interne’, non verbale vormen van emotie tot de ‘laagste’ voor expliciet verbale expressie vatbare gevoelens.
De rouwende om het verlies van één van de ouders maakt de keri’a over het hart en legt zijn hart bloot. Hij doet dit zelf, omdat hij zelf de liefdevolle verzorging van zijn ouders aan den lijve heeft ondervonden; hij doet dit op een voor iedereen zichtbare wijze, omdat in zijn persoon zelf de bemoeienissen van zijn ouders zichtbaar zijn. Rouwenden om andere bloedverwanten maken de keri’a met een mes, hoeven dit niet in het openbaar te doen en de keri’a is veel minder ingrijpend.

Comments are closed.