Sjoftiem 5770

SJOFTIEM (rechters): Rechtvaardigheid moet steeds betracht worden. Afgodendienaren moeten worden onderworpen aan een grondig onderzoek met twee of drie getuigen. G’d kiest een koning voor je uit; hij moet bescheiden zijn in materiele zaken en hij moet een Tora-rol schrijven, die hij altijd bij zich draagt. De priesters krijgen geen erfelijk bezit. Maar zij hebben recht op landbouwproducten. Luister niet naar waarzeggers van welke aard dan ook. G’d zal ware profeten zenden om het volk te leiden en geeft aan hoe valse profeten herkend kunnen worden.
Er worden vluchtsteden ingesteld voor degenen, die per ongeluk een medemens gedood hebben. Dit om aan de bloedwreker te ontkomen. Een moordenaar moet bestraft worden. Als twee mensen een valse getuigenis afleggen, dan ondergaan zij het lot dat zij in petto hadden voor hun slachtoffer. Als er een oorlog ophanden is, dan moet een priester het volk moed inspreken: G’d is met jullie. Wie niet aan de strijd zullen deelnemen zijn zij die pas een huis gebouwd hebben, een wijngaard geplant, een huwelijksbelofte hebben gedaan, en zij die bang zijn. Als men de vijand nadert moet men eerst vrede aanbieden. Vruchtbomen mogen niet geveld worden in een oorlog. Als er een dode wordt gevonden in het open veld, dan moeten de oudsten van de dichtstbijzijnde stad een kalf een dodelijke nekslag toedienen, hun handen erboven in onschuld wassen en verklaren dat zij niet schuldig waren aan de dood van deze mens.

RECHTSFILOSOFIE
”Rechters en politie zult u voor u aanstellen in alle steden…zij zullen het volk berechten met rechtvaardige rechtspraak” (16:18)

Het taalgebruik van de Tora is vaak vaag omdat het tegelijkertijd op vele niveaus spreekt: ”Rechters en politie zult u voor u aanstellen in alle steden” staat in de tweede persoon maar de rest van de zin…”zij zullen het volk berechten met rechtvaardige rechtspraak” (16:18) staat in de derde persoon.
Rabbi Efraim Luntshits (17e eeuw, Praag) vraagt zich af waarom de Tora hier van de tweede naar de derde persoon overgaat. Er had moeten staan: ”En zij zullen u – en niet: het volk – berechten etc. Ook de Hebreeuwse werkwoordsvorm is vreemd. Het is niet geformuleerd als opdracht maar als beschrijving van een toestand.

Rabbi Luntshits was niet bang voor zijn collega’s of stadsbestuurders en stelt zich zeer kritisch op over een zware misstand in zijn tijd. “Tegenwoordig is het zo, dat iedereen, die in de positie is om rechters aan te stellen, vriendjes of familieleden in het zadel helpt. Impliciet wordt met deze rechters afgesproken, dat de rechterlijke macht naar de pijpen van de installerende bourgeoisie zal dansen. Het onvermijdelijke gevolg hiervan was, dat iedereen – ook personen, die niets met conflicten tussen de heersende burgervaders en derden te maken hadden – onder een corrupt juridisch systeem zal lijden omdat de rechterlijke macht zich realiseert, dat zij consequent moeten zijn in hun uitspraken, zodat de onderdanen niet kunnen claimen, dat het recht wel erg flexibel is omdat de rechters vandaag het één en morgen het ander beslissen”.

De Tora richt zich in de openingspasoek dus tot de instantie die de rechters uitkiest: “Rechters en politie zult u voor u aanstellen” betekent: ”Zult u over u aanstellen”. Alleen dan is rechtsgelijkheid en rechtszekerheid gewaarborgd. Als de rechterlijke macht niet onafhankelijk is, heeft corruptie vrije hand. Deze opdracht, die meer dan 3282 jaar geleden gegeven werd, is tegenwoordig opgenomen in alle moderne rechtssystemen. Maar toen was dat absoluut een novum. De Tora was haar tijd ver vooruit.

Toch kent deze pasoek (vers) nog meer betekenislagen. Er liggen ook richtlijnen voor de rechters zelf in besloten. Rechters mogen niet – door de partijen of door derden – van huichelachtigheid beschuldigd kunnen worden. Anders zou dit een smet werpen op het blazoen van de rechterlijke macht. ”Rechters en politie zult u voor u aanstellen” betekent dan:”U moet eerst een rechter voor u zelf aanstellen – de rechters zelf beoordelen op hun opvattingen en gedrag (Bava Metsia 107b). Pas daarna kunnen ze losgelaten worden op het publiek. Deze regel, die in de Talmoed (Bava Batra 58b) omschreven wordt als `versier eerst jezelf en versier daarna pas anderen’ zou in modern Nederlands het best vertaald kunnen worden met de woorden:`verbeter de wereld, begin bij jezelf’ – een regel, die overal in het intermenselijke verkeer telt maar des te zwaarder geldt bij de basis van een rechtstaat – de rechterlijke macht.

Rabbi Luntshits graaft nog dieper en leest in de openingspasoek nog een andere boodschap, die een richtlijn geeft voor het rechtspreken en het oordeelvormen zelf: ”Zij zullen het volk berechten”. Het woord volk heeft een negatieve bijbetekenis in de Tora. Zo staat in Bamidbar 11:1:”Toen het volk aan het klagen was”. Hier worden de laagste regionen van de populatie aangegeven. Eigenlijk is `het volk’ een synoniem voor resja’iem – `tuig’.
Wanneer men rechtspreekt, moeten de partijen in de ogen van de rechters allemaal even verdacht zijn. In de Spreuken der Vaderen (1:8) wordt dit treffend neergezet: ”Als de partijen in een rechtsgeding voor u staan, beschouw ze dan beiden als schuldig maar als ze weggaan, beschouw ze dan beiden als onschuldig indien ze de uitspraak aanvaard hebben”. Precies het omgekeerde als de Nederlandse rechtsfilosofie: verdachten zijn onschuldig totdat hun schuld bewezen is!

Rabbi Owadja di Bertinoro (16e eeuw, Italië) legt de logica uit: men mag niemand op zijn woorden geloven, ook al maakt de ene partij een veel betrouwbaarder indruk dan de andere. Als je a priori denkt: `deze man of vrouw zal zeker niet liegen’, verlies je je kritische opstelling en worden zijn of haar woorden veel meer acceptabel dan die van de tegenpartij. Nadat de schuldige het vonnis heeft aanvaard, is het een goede zaak om hem het voordeel van de twijfel te geven: `misschien heeft de veroordeelde een stomme fout begaan en heeft hij het niet allemaal zo slecht bedoeld’.

OORLOGSTOESPRAAK
Geef ik omdat ik liefheb of heb ik lief omdat ik gegeven heb? Als ik anderen geef, wordt ik dan minder of juist meer? Krimp ik door naastenliefde of wordt ik juist groter?
Bij de oorlogsvoorschriften staat dat de opzieners de strijders moeten toespreken en hen drie vrijstellingen moeten verlenen: degene, die een nieuw huis heeft gebouwd maar het nog niet ingewijd heeft, degene, die een wijngaard heeft geplant maar de vrucht daarvan nog niet heeft genoten en degene, die zich verloofd heeft maar nog niet gehuwd was (20:5 e.v.).

Vreemd, dat de huwelijksband, die in de kabbala soms vergeleken wordt met de band tussen G’d en mens hier op één lijn staat met allerlei aardse bezittingen als huizen en gaarden. Bestaat er geen intrinsiek verschil tussen intermenselijke en mens-ding relaties? Wat wil de Tora hiermee aangeven? De G’ddelijke vonk in ons zet ons aan om te geven en te delen met de medemens. Als er niemand is om mee samen te doen, is het bittere eenzaamheid. Als we onze emoties niet met anderen kunnen delen is het `bitter wie de gal’ zoals dat heet in het Jiddisj.

De behoefte om te geven en ergens voor te zorgen is heel sterk. Sommige mensen krijgen kinderen om zichzelf te vereeuwigen maar als men geen kinderen kan krijgen, zoekt men vervangende bezigheden, mensen of objecten om zijn zorg aan kwijt te kunnen. Huisdieren worden soms als kleine kinderen vertroeteld. Zo sterk is de drang om te geven en te `moederen’. Volgens Rav Elijahoe Dessler gaan wij van mensen en dingen houden, waarin wij er moeite en zorg in geïnvesteerd hebben. Het is dus niet `ik geef omdat ik liefheb’ maar veel meer `ik heb lief omdat ik gegeven heb’.

Daarom is het verschil tussen een mens, dier, plant, huis of wijngaard niet zo vreselijk groot. Waar het om gaat is de liefdevolle zorg. Dat leert de Tora hier in de toespraak van de opzieners tegen de soldaten. Natuurlijk zijn mensen meer dan fauna, flora en mineralen. Niettemin kan men overal sterk aan gehecht raken omdat men zich met liefde aan de wereld om ons heen gegeven heeft.

Deze gevoeligheid brengt de Tora wel op een zeer ongelegen moment naar voren. Paradoxaal! Aan de grens van het vijandige buurland, vlak voor het betreden van het slagveld moet men juist keihard zijn en geen emoties tonen. Ieder moment van zwakte kan fataal zijn. Daarom is het logisch om juist nu over sentimenten van liefde en gebondenheid te spreken. De Tora stelt letterlijk: ”opdat hij niet zal sterven en iemand anders het huis inwijdt, of van de wijngaard begint te genieten of zijn verloofde zal huwen”. Rasjie becommentarieert, dat dit wel een heel groot verdriet zou zijn. Niet alleen dat men zelf niet de vruchten geniet van zijn inspanning of investering maar het wordt volslagen ondragelijk als men realiseert, dat een ander er met zijn huis, gaard of vrouw vandoor gaat.

Dit zou zo negatief ervaren kunnen worden door de soldaten, dat zij er helemaal gek van zouden worden. Daarom geeft de Tora hiervoor een vrijstelling van dienst. Deze dienstplichtige zou geen goed soldaat zijn en het moraal van zijn kameraden nog ondergraven ook.

Rabbi Leib Chasman wijst er op, dat een andere houding van een nobeler karakter zou getuigen. Men zou ook kunnen redeneren: ”Als ik dan niet van mijn nieuwe huis kan genieten, laat dan alsjeblieft iemand anders dit doen”. De `agmat nefesj’ – het verdriet – waar Rasjie over spreekt, ziet wellicht op de bekrompen geest van de strijder, die nu opkomt voor het vaderland. Het is deze geestelijke armoede, die de Tora hier subtiel aan de orde stelt.

ONS HART
Zit een deel van onze persoonlijkheid in ons hart? Draagt het onze herinneringen met zich mee? Deze vragen zijn relevant voor harttransplantaties. In zijn boek `Het geheugen van het hart’ geeft Pearsall een aantal huiveringwekkende voorbeelden van overdracht van persoonlijkheidskenmerken en herinneringen van de overleden donor aan degene, die nu zijn hart heeft. Hij heeft 73 gevallen van harttransplantatie onderzocht waarbij ook smaak, voorkeur voor muziek en zelfs exacte gegevens van de moord voor de transplantatie bewaard waren gebleven. Ook in de oorlog speelt het hart een belangrijke rol.

“Daarna spreken de opzichters verder tot het volk en zeggen zij:’Wie is bang en zwak van hart, laat hij teruggaan naar zijn huis’ “(20:8). Nadat de kohaniem, priesters het volk hebben meegedeeld, dat degenen, die een huis hebben gebouwd maar het nog niet hebben ingewijd, zich verloofd hebben maar nog niet getrouwd zijn, een wijngaard geplant hebben maar deze nog niet gelost hebben, kunnen terugkeren uit de slagorden, krijgen de soldaten te horen, dat zij ook vanwege angstgevoelens mogen vertrekken.

Rabbi Akiwa meent, dat het hier gaat om mensen, die bij het zien van bloed of een getrokken zwaard flauwvallen. Rabbi Jose stelt echter, dat het hier gaat om mannen, die vrezen te zullen sneuvelen door hun awerot (overtredingen): ”zelfs voor een kleine verbale misser, zoals spreken tussen het aanleggen van de arm- en hoofdtefillien” (B.T. Sota 44a). Rasjie legt uit, dat alle voorgaande excuses voor desertie en vrijstellingen enkel en alleen gegeven werden om de angsthazen te dekken. Als men soldaten van het front zag vertrekken, zouden hun collega’s dat niet direct verbinden met angst voor de strijd of lafheid maar met het nieuwe huis, de verloving of een ongeloste wijngaard.

De Tora houdt op uitzonderlijke wijze rekening met onze gevoelens. Zelfs indirect wil zij niemand beledigen of beschaamd laten staan. Toch blijft de lezer met een vraag zitten. Waarom kan de soldaat, die een awera heeft begaan, niet ter plekke tesjoewa doen, tot inkeer komen, zo van de schandvlek bevrijd worden en aan het front blijven? Rabbenoe Jona, de middeleeuwse moesar- en zedenleraar, schrijft in zijn Sja’aree tesjoewa (poorten van inkeer 1:1), dat G’d spijtoptanten helpt wanneer hun natuurlijke bronnen van emotie en herstel opgedroogd zijn: ”U zult tot G’d terugkeren en naar Zijn stem luisteren”. Hasjeem helpt ons zelfs de liefde voor Hem terug te winnen: ”G’d zal uw hart en het hart van uw kinderen besnijden”.

Er bestaan twee niveau’s van inkeer: gedragsverandering en persoonlijkheidsverandering. Gedragsverandering houdt meer oplettendheid in. Met wat extra inspanning en alertheid kunnen we veel van ons gedrag de goede richting opbuigen en houden we controle over ons optreden naar buiten toe. Maar hoe zit het met onze nesjomme? Kunnen we die veranderen? Veel moeilijker. Rav Jisra’eel Salanter (20e eeuw) placht te zeggen, dat één persoonlijkheidsverandering meer inspanning kost dan heel de Talmoed doorleren, een arbeid van zeven en een half jaar.

Waarom komt de Talmoed dan met een voorbeeld van iemand, die – al dan niet per ongeluk – heeft gepraat tussen het opbinden van de tefillien? Omdat ook bij deze – geringe – awera sprake is van een oorzaak. Waarom zijn wij zo laks wanneer het aankomt op onze relatie met het Opperwezen? Rabbi Jochanan ben Zakkai (2e eeuw) zei op zijn sterfbed tegen zijn leerlingen: ”Mijn wens aan jullie is dat jullie vrees voor G’d even sterk is als jullie vrees voor de medemens” omdat iedereen weet, dat als wij op het punt staan een awera te doen, we om ons heen kijken of geen mens ons ziet.

Kennelijk vrezen wij onze medemens meer dan G’d. Om een volledig geintegreerde persoonlijkheid te worden, die zichzelf en G’d recht in de ogen kan kijken, dient de onbesnedenheid van ons hart verwijderd te worden. Er zit een soort `orla’ – een barriere, die perceptie van de alomaanwezige G’dheid tegenhoudt – in ons binnenste. Die moet worden verwijderd. Die is de oorzaak van alle menselijke ongevoeligheid – zowel intermenselijk als tussen mens en G’d. Maar dat kost veel tijd. Daarom moet hij voorlopig weg van het front.

De maand Elloel – de voorbereiding op Rosj Hasjana – is zojuist begonnen. De naam Elloel is een combinatie van de beginletters: ”G’d zal uw hart besnijden”. Geen toeval dus.

Comments are closed.