Nitsawiem-Wajelech (Devariem 29:9-31:30)
NITSAWIEM (staan voor): Mosjé verzamelt het hele volk en waarschuwt hen nogmaals zich aan de ge- en verboden te houden en afgodendienst en immoraliteit te verafschuwen. Het Verbond geldt ook voor hen die niet hier zijn. Als dit overtreden wordt, zal G’d in Zijn woede het land zodanig treffen dat het lijkt op de verwoesting van Sedom en Amorra. De inwoners zullen verstrooid worden over andere landen. Maar als jullie terugkeren tot G’d dan zal G’d jullie verzamelen uit alle volkeren waarheen jullie verbannen waren. De geboden zijn niet bovennatuurlijk noch ver verwijderd, noch in de Hemel maar binnen je bereik. Hemel en aarde worden als getuigen opgeroepen dat Mosje het volk leven en dood, zegen en vloek heeft voorgelegd.
WAJELECH (en hij ging): Mosjé vertelt het volk dat G’d hem niet de Jordaan laat overtrekken en dat hij de leiding overdraagt aan Jehosjoe’a. Dit is de laatste dag van Mosjé. HaSjeem zal de volkeren aan de overzijde van de Jordaan aan de Bné Jisraëel overgeven. Mosjé schrijft de Tora ten einde en draagt op die eens per zeven jaar aan het hele volk voor te lezen. G’d voorspelt Mosjé dat het volk zich van Hem zal afkeren na zijn dood. De Tora moet in de Arke van het Verbond gelegd worden als getuige tegen het volk als ze zondigen.
KEUZES
‘Zie, Ik heb vandaag vóór u geplaatst het leven en het goede, de dood en het slechte, en u zult het leven kiezen, opdat u en uw kinderen zullen leven’ (30:15-19). Het Jodendom is een religie van daden. Alleen kiezen voor het leven lijkt onvoldoende. Maar deze keuzemogelijkheid is eigenlijk een sympathiek gebaar van G’d. Wanneer wij voor het leven en het goede, de Tora en de mitsvot, kiezen, is dat al een verdienste. Hasjeem wil dat wij kleur bekennen. De goede intentie op zich is al belangrijk. Bemoedigend zo vlak voor Rosj Hasjana, Joods nieuwjaar.
Avraham maakte vele keuzes. Op de tweede dag Rosj Hasjana lezen wij over de Akeda, het offer van Jitschak en Avraham op de berg Moria, de tiende test. Maar op de eerste dag lezen we over het wegsturen van Hagar en Jisjmaëel, wat overigens gevolgen heeft tot op de dag van vandaag – in onze penibele situatie in Israël. Het was de negende beproeving, een zeer zware test voor Avraham. Hij was voor iedereen vriendelijk. En nu moest hij wreed zijn voor zijn eigen vrouw en zoon. G’d verscheen ‘s nachts aan Avraham en vertelde, dat Sara gelijk had. Hagar moest met Jisjmaëel het huis uit. Avraham moest volledig tegen zijn natuur ingaan. Alle gevoelens van medelijden onderdrukte hij om Hagar en Jisjmaëel weg te sturen. Onderweg in de woestijn van Be’er Sjewa dreigden zij om te komen van de dorst.
G’d wilde luisteren naar Jisjmaëel maar de Engelen waren tegen: “Waarom zult U water geven aan Jisjmaëel? Zijn kinderen zullen in de toekomst Uw kinderen doden door ze te laten sterven van de dorst!”. De Engelen refereerden aan een toekomstig treffen tussen Joden en Arabieren. Maar G’d antwoordde de Engelen: “Ik beoordeel de mens naar zijn huidige daden. Jisjmaëel zelf heeft niemand om laten komen van de dorst. Ik straf hem niet voor de misdaden, die zijn kinderen in de toekomst zullen plegen.” Een actuele gedachte voor Rosj Hasjana, de Jom haDien – de dag van berechting bij uitstek.
Waarom moest Jisjmaëel eigenlijk weg? De discussie tussen Sara en Avraham was zeer actueel, een soort `schoolstrijd’. Sara was voor een gescheiden opvoeding in een beschermde omgeving, Sara was bang voor de invloeden, die Jisjmaëel op Jitschak zou hebben. Hoewel ze wist dat het spirituele niveau van Jitschak stukken hoger was dan dat van Jisjmaëel, vond ze het zonde dat Jitschak tijd zou moeten besteden aan het bestrijden van het kwalijke voorbeeldgedrag van Jisjmaëel. Avraham was een andere mening toegedaan. Avraham meende dat het goed zou zijn voor Jitschak om ook met foute ideeën geconfronteerd te worden. Dit zou hem harden voor de rest van zijn leven. Zo zou hij opgewassen zijn tegen de uitdagingen van de maatschappij later. Een actueel probleem dat ouders in hun schoolkeuze tegenwoordig ook parten speelt en dat een `sjoel-overpeinzing’ waard is omdat dit dilemma in feite in vele andere contexten ook speelt.
Aan het einde van de Akeda ontvangt Avraham beloning voor zijn gehoorzaamheid. Hij gaf zijn vragende houding op. Bij Sedom zien we, dat Avraham opkomt voor misdadigers tegen de mensheid. Later in de geschiedenis wordt verteld, dat Mosjé Rabbenoe het opneemt voor het Joodse volk nadat zij gezondigd hadden met het gouden kalf. Resoluut verwerpt hij het voorstel om met hem, Mosjé, een nieuw volk te beginnen. Sommige ‘Tora-reuzen’ gaan in nederige discussie met het Opperwezen. Mosjé vraagt zich af: ”O G’d, waarom zal Uw woede ontbranden tegen Uw volk, dat U uit Egypte heeft gebracht, met grote kracht en machtsvertoon?” (Sjemot 32:11). Rabbi Jitschak van Berditschew (19e eeuw) riep eens midden op Jom Kippoer uit: “O, G’d! Wat heeft Uw volk misdaan, dat U ze doorlopend laat lijden? Hebben wij niet genoeg geleden? Ik weiger deze plaats te verlaten totdat U het Joodse volk vergeeft. Jitgadal weJitkadasj!”.
Er zijn inderdaad tijden waarin wij risico’s moeten nemen om ons geloof te behouden. Maar laten we ons er vooral van bewust zijn, dat G’d liever heeft dat wij bij leven en welzijn naar Zijn Leer en Woorden handelen dan dat wij voor Hem sterven. De hoogste vorm van G’dsdienstigheid is nog steeds een leven van liefde en verbondenheid! Oewacharta bachajiem – Kies het leven !
WIE BRACHT HET WERKELIJKE OFFER?
Op Rosj Hasjana lezen we uit de Tora verschillende highlights uit het leven van onze Aartsvaders. De grootste test van Avraham was de offerande van Jitschak, de Akeda.
Wat een beproeving! Voor deze zoon had hij zijn hele leven gedavvend (gebeden). Maar wie bracht nu eigenlijk het werkelijke offer, Avraham of Jitschak?
Hoe vreselijk het ook is om getuige te moeten zijn van een slachting van een mens, toch is het echte slachtoffer degene die op het altaar wordt gebonden! Jitschak uit geen enkel protest. Hij was 37 jaar oud. Toch doet hij geen beroep op Avrahams medelijden. Sterker nog, in de episode van de Akeda staat drie keer het woord ‘jachdav-samen’. Dit betekent dat Avraham en Jitschak met gelijke gevoelens en intenties op weg waren naar de offerande.
Jitschaks niveau mag niet worden onderschat. Daarom heet de offerande ook de Akeda van Jitschak. Maimonides legt het verschil tussen Avraham en Jitschak uit. Avraham was degene die G’ds opdracht zelf vernomen had. Het was de waarheid van zijn eigen profetie die hem nu dwong te handelen. Zou Avraham niet die volledige waarheid van zijn eigen inspiratie hebben gevoeld, dan zou hij niet alles hebben opgeofferd waarvoor hij zijn hele leven had gestreden. Altijd had hij mensenoffers veroordeeld! Kinderoffers waren hem totaal vreemd, hoewel deze gebruikelijk waren in zijn tijd.
Maar heeft Jitschak iets direct van G’d gehoord? Nee! De enige van wie hij begreep dat hij geofferd zou worden was zijn vader Avraham. Was Jitschak misschien een willoos kind? De tekst van de Akeda lijkt dit niet te bevestigen. Of ze onderweg gesproken hebben, vermeldt de Tora niet. Maar op de derde reisdag begint Jitschak te spreken. De tekst begint met wajomer – ‘En hij sprak tot zijn vader’ (22:7). De woorden van Jitschak worden echter niet geciteerd. Wel volgt er een tweede wajomer: wajomer avi (en hij zei: mijn vader). Pas wanneer Avraham in dezelfde vers Jitschak beantwoordt met: “Hier ben ik”, is Jitschak in staat zijn vraag te formuleren: “En hij zei: ‘Zie hier is het vuur en het hout, maar waar is het lam voor het brandoffer?” (22:7).
Jitschak wordt zich steeds bewuster van de situatie. Eerst opent hij zijn mond maar kan geen woord uitbrengen. Is het inderdaad waar dat zijn lieve vader hem naar de slachtbank leidt? Hij kan zijn vraag niet eens formuleren. Jitschak begint maar breekt zijn vraag middenin af. De tweede keer zegt hij alleen “Mijn vader”. Meer kan hij niet uitbrengen. Jitschak was bekend met de kinderoffers voor de Moloch maar kon zich niet voorstellen dat deze reis zou culmineren in een mensoffer. Dit was onvoorstelbaar in het huis van Avraham.
Jitschak probeert het voor een derde keer en vraagt indirect. Avraham antwoordt indirect, dat “G’d Zelf het lam zal verzorgen als brandoffer, mijn zoon” (22:8). Bedoelde Avraham, dat zijn zoon als brandoffer gebracht zou worden? Als we verder kijken, zien we dat zij ‘beiden samen verder liepen’ (22:8). Wat is dat, samenlopen, als een van hen wellicht helemaal niet zal terugkeren?
Rasjie maakt duidelijk dat samen lopen betekent dat zelfs toen Jitschak begreep, dat hij op het altaar zou eindigen, zij nog steeds gelijk voelden en beiden bereid waren om deze onbegrijpelijke opdracht van G’d te vervullen. Juist Jitschak, die het gebod van zelfopoffering niet van G’d had gehoord, onderhoudt een diepe band met alle toekomstige generaties. Alle mensen, die in de loop der eeuwen het leven lieten, in de tijd van de kruistochten, op de brandstapels van de Inquisitie en gedurende de Holocaust, hadden zelf ook nooit gehoord dat zij hun leven moesten geven voor hun geloof. Avraham was de eerste Jood maar Jitschak was het begin van de Joodse traditie van kiddoesj HaSjeem – het heiligen van G’ds naam.
DE LAATSTE DAGEN EN DADEN VAN MOSJE RABBENOE
“Mosje ging toen en sprak deze woorden tot heel Israël; hij zei tot hen: “Ik ben nu honderd en twintig jaar oud – ik kan niet meer uitgaan of ingaan en G’d heeft tot mij gezegd: de Jordaan hier zult u niet overtrekken…Jehosjoe’a zal voor u uit overtrekken, zoals G’d geboden heeft ” (31:1-3) .
Rasjie legt uit dat de uitdrukking “Ik kan niet meer uitgaan of ingaan” op Tora-kennis slaat: “Het leert ons dat de tradities en de bronnen van wijsheid gesloten waren voor Mosje”. Dit is opmerkelijk omdat we aan het einde van de Tora leren dat “Mosje’s oog niet verduisterd was en zijn kracht niet was geweken ” (34:7). Hieruit blijkt dat Mosje fysiek nog honderd procent functioneerde. Mosje blijkt in hoofdstuk 33 nog in staat te zijn om het Joodse volk te waarschuwen, ze te zegenen en hen de geboden te onderwijzen. Ook componeerde hij het lied Ha’azienoe. Verder schrijft hij het eerste Sefer Tora af. Hoe moeten wij Rasjie’s commentaar begrijpen?
De Midrasj vertelt, dat Mosje tijdelijk geen beschikking meer had over zijn kennis. De Midrasj schetst een hartverscheurende discussie. Mosje verzocht HaSjeem, G’d om hem toe te laten tot Israël. G’d antwoordde dat hij moest sterven. Sinds Adam moet iedereen sterven. Mosje accepteerde dit in eerste instantie niet: “Adam was een zondaar, maar ik ben naar de Hemel gegaan. Ik was als een engel. Ik sprak met U en heb de Tora uit Uw handen ontvangen! Heer der wereld, neem plaats op uw genadetroon, zodat ik niet hoef te sterven!”.
G’d antwoordde dat zelfs de rechtvaardigen moeten sterven. Toen Mosje zag, dat G’d niet te vermurwen was, wendde Mosje zich tot hemel en aarde, tot de sterren en de hemellichamen, tot de bergen en de heuvels en zelfs tot de Grote Oceaan. Maar allen bevestigden dat ook zij aan het einde der dagen zouden verdwijnen.
Toen Mosje terug kwam, wilde G’d hem troosten: “Dit is de normale gang van zaken. Elke generatie heeft zijn eigen leiders. Tot nu toe was het jouw beurt om Mij te dienen. Nu is de tijd aangebroken voor je opvolger Jehosjoe’a”. Mosje sprong hier direct op in: “Als het vanwege Jehosjoe’a is dat ik moet sterven, laat mij dan leven en zijn leerling worden!”. G’d was het hiermee eens om Mosje te helpen zich te verzoenen met zijn dood. De volgende ochtend ging Mosje naar de tent van Jehosjoe’a, die Tora voorleerde. Mosje stond incognito tussen de leerlingen met gebogen hoofd. De mensen merkten hem op en verweten Jehosjoe’a “Hoe kun je Tora zitten te leren terwijl Mosje daar staat?”. Jehosjoe’a zag plotseling zijn meester en barstte in tranen uit. Iedereen vroeg aan Mosje om hen verder te onderwijzen. Maar hij antwoordde: “Ik mag niet meer”.
Jehosjoe’a moest doorgaan, terwijl Mosje naast hem zat. Mosje begreep niet, wat Jehosjoe’a onderwees, want zijn wijsheid was overgedragen. Mosje raakte helemaal in de war: “O, G’d, tot nu heb ik om leven gevraagd; nu vraag ik of U mijn ziel tot U wilt nemen”. Mosje wilde alleen het volk nog zegenen. Dit verzoek werd ingewilligd.
Mosje wilde Israël binnengaan als privé persoon, als leerling, maar G’d wist dat Mosje geen privé persoon was. Mosje ging het niet om zijn eigen kowed (eer). Hij was immers “zeer nederig” (Bemidbar 12:3). Het ging niet om zijn kowed maar om zijn existentie. Zijn hele leven had hij gewijd aan het onderwijzen en het leiden van zijn volk. Mosje kon zijn persoonlijkheid niet verloochenen en als het ware sociaal “dood” zijn. Als privé persoon was zijn raison d’etre volledig verdwenen.
Op de vooravond van Rosj Hasjana vragen we G’d ons een goed jaar te schenken. Maar wat voor soort leven vragen wij? Zoeken wij een leven, zoals Mosje, gewijd aan de groei en de spirituele welvaart van het Joodse volk of leven wij zonder hoger doel? Laten wij nadenken voordat wij G’d verbidden. Als wij enkel en alleen voor onszelf leven, wat is ons doel op aarde dan?
Ik wens u allen een sjana tova oemetoeka, een goed, gezond en voorspoedig jaar 5771 !