Parsja Beha’alotecha 5772

BEHA’ALOTECHA (bij het aansteken): Toen de tijd gekomen was voor het Pesachoffer bleken sommige mannen onrein. Zij krijgen verlof voor een inhaalmogelijkheid, het Pesach sjenie. De stammen trekken op of blijven op hun plaats als de wolk of de vuurzuil optrekt of pas op de plaats maakt. Het optrekken geschiedt volgens een vastgestelde volgorde. Er moeten twee zilveren trompetten gemaakt worden. Alle verschillende tonen hebben een speciale betekenis.
Bij het vertrek richting Israël vraagt Mosjé zijn schoonvader mee te gaan. Jitro wil echter naar zijn eigen land terugkeren. Als het volk klaagt omdat ze geen vlees kunnen eten en het Egyptische menu in de herinnering roept, breekt een Hemels vuur uit. Mosjé is wanhopig en beklaagt zich om de zware last die het volk op hem legt. HaSjeem besluit de leiderslast te verdelen over 70 oudsten. Het volk wordt beloofd dat ze een maand lang vlees zullen eten, totdat het hun neus uitkomt omdat ze G’d versmaad hebben. Inderdaad komen geweldig veel kwartels neer maar de G’ds woede treft het volk zwaar. Mirjam spreekt met haar broer Aharon kwaad over Mosjé; HaSjeem maakt duidelijk dat Hij direct met Mosjé, een zeer bescheiden mens, spreekt. Mirjam wordt melaats en Mosjé davvent (bidt) voor haar.

Beha’alotecha is de 36e parsja van de Tora, de derde van het vierde Tora-boek, Bamidbar. Parsja Beha’alotecha bestaat uit 16 parsjiot, afdelingen waarvan 11 open en 5 gesloten zijn, telt 136 pesoekiem, verzen, 1840 woorden, 7055 letters en is hiermee de 12 na langste parsja. Beha’alotecha bevat 5 mitsvot, waarvan 3 ge- en 2 verboden.

Verdieping I: Waarom een Pesach Sjenie, een inhaalmogelijkheid voor Pesach?
“Ieder mens, wanneer die onrein of op verre weg zal zijn, moet een Pesach voor HaSjeem, G’d maken, in de tweede maand op de veertiende” (9: 10-11).
Men is niet alleen gerechtigd tot een tweede Pesach wanneer men onrein – en de Tempel niet mocht betreden – was of ver weg. Ook wanneer men per ongeluk of zelfs opzettelijk had nagelaten het eerste Pesach te brengen, mag men dit op het Pesach sjenie – het tweede Pesach inhalen (B.T. Pesachiem 93a).
Een van de achtergronden van deze mitsva is, dat het Pesach-offer een duidelijk teken is voor alle wereldburgers, dat de wereld vanuit het niets geschapen werd. Bij de uittocht uit Egypte deed G’d voor ons duidelijke wonderen en heeft Hij ten overstaan van vele volkeren ingegrepen in de natuur. Alle wereldburgers hebben gezien, dat G’ds invloed en macht zich zelfs uitstrekken over dit materiële universum.
Bij de uittocht uit Egypte geloofde iedereen weer, dat G’d de wereld had geschapen. Dat de wereld nieuw is, vormt een belangrijk geloofsfundament.
Daarom wilde G’d een inhaalmogelijkheid. G’d wilde niet, dat wij door oponthoud of overmacht hier niet aan zouden kunnen deelnemen. Omdat besef van G’ds almacht zo essentieel is, is ook iemand die tussen de eerste en de tweede Pesach Bar mitswa (volwassen) of Joods wordt, verplicht om deze mitswa van Pesach sjenie te vervullen.

Verdieping II: Racisme en jodendom
“Mirjam en Aharon spraken over Mosje vanwege de Ethiopische vrouw, die hij gehuwd had want hij had een Ethiopische vrouw getrouwd. Zij zeiden: `Heeft Hasjeem dan alleen met Mosje gesproken? Hij sprak toch ook met ons? G’d hoorde dit’. De man Mosje was de bescheidenste mens, die op aarde leefde” (12:1-2).
Rasjie legt hier uit, dat wij het bericht over een Ethiopische vrouw niet letterlijk moeten nemen. Mosje had maar een vrouw, Tsippora, en die was een Midjanitische. Nu kan Ethiopische ook zwart betekenen en zou men kunnen vertalen, dat Mirjam en Aharon spraken over de zwarte huidskleur van Tsippora. Sommige Midjanieten waren wellicht heel donker. Daar het Jodendom niet racistisch is – iedereen kan Joods worden – en uit de context niet blijkt, dat Mirjam aanmerkingen maakte over Tsippora’s zwarte uiterlijk neemt Rasji hier aan, dat zij spraken over Tsippora’s uitzonderlijke schoonheid.

Black is beautiful. Maar bestaan er voorbeelden uit de Tora, waaruit blijkt dat racisme verboden is?
Toch willen wij onze eigen identiteit handhaven. Hoe doen wij dit?

Bestaan er verschillende voorbeelden uit de Tora waaruit blijkt dat racisme verboden is?
De Tora gaat niet direct en duidelijk op dit onderwerp in omdat dit niet werkelijk van religieus belang is. Maar uit verschillende regels kan men overduidelijk opmaken dat de Tora kleurenblind is en geen onderscheid maakt naar kleur of achtergrond.
Dit zien we onder andere in het gioer-proces, wanneer een niet Jood Joods wil worden. Dan vraagt het Beet Dien, het Joodse gerechtshof niet naar ras, huidskleur, afstamming, of nationale, religieuze of etnische oorsprong. Iedere serieuze kandidaat wordt in principe aanvaard. De Joden zelf zijn ook geen homogene groep qua ras, huidskleur, afstamming, of nationale of etnische oorsprong. Er bestaan zwarte Joden, witte Joden en gele Joden met veel verschillende afstammingen en oorsprongen.
Regelmatig wordt verder in de Tora de regel gesteld, dat `er een en dezelfde wet voor iedereen geldt, voor de geer, de proseliet, de vreemdeling en de burger’. Racisme, dat leidt tot een verschillende juridische behandeling, is dus geen optie in het Jodendom.
Wat betekent de uitdrukking: “Wat jij niet wil dat jou geschiedt, doe dat ook een ander niet”?

Niemand wil beroddeld en besproken worden in negatieve zin. Tegen het Joodse volk werd en wordt doorlopend gehetzt en geroddeld. Joden worden van de meest waanzinnige complotten beticht en van de meest gruwelijke en slechte eigenschappen beschuldigd. Wij weten als geen ander wat racisme is in zijn meest gruwelijke uitingen.

De Tora is hier duidelijk in:

“Ga niet als overbrenger van lasterpraatjes onder je volksgenoten rond” (Vajikra/Lev.19:16). Dit is het verbod van ‘lasjon hara’ en ‘rechiloet’. Dat is nu exact wat racisten doen. Lasjon hara is een kwetsende opmerking. Rechiloet betekent `het rondgaan als een marskramer en bij iedereen de (negatieve) praatjes over een ander neerleggen’. Zoals een venter van deur tot deur gaat om zijn koopwaar te slijten, zo gaat ook dagelijks geroddel van persoon tot persoon met achterlating van vemederende informatie over anderen. Lasjon hara en rechiloet zijn beide verboden, zelfs wanneer ze waar zijn.
Letterlijk levensvernietigend

De Chafeets Chaim (20e eeuw, Polen) liet zien hoe slecht en verderfelijk kwaadspreken is en dat dit in letterlijke zin het leven uiteindelijk kan vernietigen. Het is begrijpelijk waarom afzien van lasjon hara een levensverlengend effect heeft. Racisten willen dit willens en wetens niet begrijpen. De Tora is revolutionair en voedt de mens onder alle omstandigheden op.
Onze vrijheid van meningsuiting is beperkt Het is verboden een vernederende en geringschattende opmerking over anderen te maken. Als zo’n opmerking op waarheid berust wordt zij lasjon hara genoemd. Berust zij ook maar gedeeltelijk op een leugen dan is dat ‘motsie sjem ra’, karaktermoord. Karaktermoord is vele malen erger dan ‘gewone’ lasjon hara. Racisten doen vaak niet anders.
Men kan het niet vaak genoeg herhalen, dat ook op waarheid gebaseerde opmerkingen lasjon hara zijn. De verdediging luidt vaak “Ja, maar ‘t is waar”. En dat is nu precies wat men beschouwt als een bevestiging van lasjon hara. Men mag de ander niet kwetsen. Onze vrijheid van meningsuiting is dus beperkt.

1933: sterfjaar van de Chafeets Chaim, Hitler komt aan de macht
Hitler begon zijn `Endlosung’, de massamoord op de Joden door hen eerst te belasteren en te beschuldigen van alle kwaad, ze later uit te sluiten en te discrimineren, ze daarna van hun menselijke waardigheid te ontdoen waarna het niet meer moeilijk was om `gewillige moordenaars’ te vinden om het `Joodse ongedierte’ te vernietigen.
Uiteindelijk was al zijn propaganda niets anders dan continue lasjon hara, kwaadsprekerij. Schelden doet geen pijn, is een bekend gezegde.
Maar het kan wel leiden tot de meest verwerpelijke vormen van discriminatie. Daarom is de Tora hier zo streng in.

HAFTARA: Zecharja 2, 3 & 4
De profeet Zecharja is het elfde boek van de `tree asar’, de twaalf kleine profeten. In de haftara wordt er gesproken over een menora, hetgeen aansluit bij de menora uit het begin van de parsja.
Aan het einde van de parsja worden er fouten gemaakt over het niveau van Mosje’s profetie. Een verkeerde inschatting van andermans niveau is meestal het resultaat van `projectie’, het toedichten van eigen eigenschappen aan een ander.
Volgens de eerste pasoek, vers van zijn profetie was Zecharja bij de herbouw van de Tweede Tempel in Jeroesjalajiem actief. Na de verwoesting van de Eerste Tempel was het niveau van profetie zo gedaald, dat de profeet Zecharja bij de interpretatie van zijn profetie de hulp van een engel nodig had.

In Beha’alotecha krijgen de levi’iem een speciale taak en wijding. De twee hoofdrolspelers in deze periode waren de Hogepriester Jehosjoea, zoon van Jehotsadak en Zeroebavel, de zoon van Sjealti’eel, de legendarische Nechemja, die meer een staatkundige en politiek-religieuze rol had. In het oude Israel werden beide leiders, de koning en de Hogepriester gezalfd als teken van gedoela, grootheid.
Het was een moeilijke tijd omdat de Samaritanen door roddel en achterklap de herbouw van de Tempel probeerden te dwarsbomen. Zecharja ondersteunde zijn geloofsgenoten met zijn profetieën maar in de haftara wordt tegelijkertijd kritiek geuit op de Hogepriester Jehosjoea omdat zijn zoons gemengd huwden.

Aan het einde van de haftara staat: “Toen antwoordde Hij, en sprak tot mij, zeggende: Dit is het woord Hasjeem aan Zeroebavel, zeggende: Niet door kracht noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het gebeuren, zegt Hasjeem”.
De bedoeling van deze pasoek is drieledig:
De Tweede Tempel zal niet herbouwd worden met geweld maar door tussenkomst van G’d. G’d inspireerde koning Darius om de Tweede Tempel te laten herbouwen.
Deze woorden kunnen ook slaan op de tijd van de Masjiach, die niet door macht of kracht maar alleen door zijn inspiratie zal regeren. De geest is G’ds geest, die de wereld regeert en door middel van het Joodse volk geopenbaard wordt aan de wereld, zij het dat het daarna verschillende kanalen doorgaat, die G’ds woorden anders uitlegden en interpreteerden. Via het Joodse volk bij de berg Sinai kwam het monotheïsme naar de wereld en werd dit overgedragen aan de mensheid, die zowel de boodschap als de boodschapper nogal eens geweld aan deden. Ons volk bleef echter het volk van het Boek.

Reacties zijn gesloten.