Parsja Kie Teetsee 5777

Dewariem/Deuteronomium  21:10-25:19

Jefat To’ar – een hoge moraal in het leger

Dat G’d met de zwakken en weerlozen is en zij Zijn speciale bescherming verdienen en krijgen, is een gevleugeld gezegde. De omgang met vrouwelijke gevangenen of burgers laat meestal veel te wensen over, hoewel de militaire tucht in beschaafde landen hieromtrent strenge regels heeft voorgeschreven.

In het Tora-leger wordt van iedere soldaat een hoge seksuele moraal verwacht. In de Tora is hier ook een speciaal hoofdstukje aan gewijd in Dewariem 21:10 e.v. “Wanneer U ten strijde zult uittrekken tegen Uw vijanden en G’d hen in Uw macht zal geven en U maakt gevangenen onder hen. En U ziet onder de gevangenen een vrouw, schoon van gestalte en U verlangt naar haar en neemt haar U tot vrouw. Dan zult U haar brengen naar het binnenste van Uw huis en zij zal haar hoofdhaar afscheren en haar nagels laten groeien. En zij moet van zich afleggen het kleed van haar gevangenschap, ze zit in Uw huis en moet haar vader en moeder bewenen een volle maand; daarna kunt U tot haar komen en haar huwen en zal zij U tot vrouw zijn. En het zal geschieden indien U geen verlangen meer naar haar hebt, dan zult U haar, overeenkomstig haar verlangen, laten heengaan maar verkopen voor geld zult U haar niet; U zult haar niet als slavin behandelen nadat U haar verkracht hebt”.

Spanningsafleiding of preventieve maatregel?

Omdat de Tora voorzag dat het verbod om met heidenen te huwen in oorlogssituaties voor sommige soldaten te moeilijk zou kunnen zijn, heeft de Tora een speciale regeling hiervoor in het leven geroepen. De Tora hoopt dat wanneer de heidense vrouw eenmaal toegestaan is, de soldaat zich zal kunnen inhouden omdat de seksuele neiging aan kracht verliest, wanneer de relatie niet langer verboden is. De Tora verbindt zoveel voorwaarden aan een huwelijk dat er duidelijk sprake is van een ontmoedigingsbeleid.

Vroeger was het de gewoonte om de vrouwen prachtig aangekleed en opgemaakt het slagveld op te sturen in een poging om de vijand af te leiden. De commentatoren vragen zich af hoe het mogelijk is dat de soldaten uit het Tora-leger, die immers op hun G’dsvrucht en G’dsvrezendheid geselecteerd werden, kunnen vallen voor de uiterlijke aantrekkingskracht van een heidense vrouw. Simpel gesteld kunnen de oorlogsomstandigheden en emotionele spanningen de soldaat uit balans brengen. Door de vele voorwaarden waaraan een huwelijk met een joods geworden heidense moest voldoen, hoopt de Tora, dat de soldaat uiteindelijk zal besluiten niet met haar te trouwen.

Een verloren ziel

Rabbi Chajiem ibn Attar (1696-1743) gaat hier dieper op in en stelt dat er ook onder de heidense volkeren veel joodse zielen verloren zijn geraakt. Wanneer de aantrekkingskracht van deze heidense vrouw geen tijdelijke zaak blijkt, is dit een teken dat deze vrouw voorbestemd was om zich los te maken van haar heidense ‘roots’.

Wil men met een krijgsgevangen vrouw trouwen dan moet zij zich eerst gedurende een maand losmaken van haar afgodische achtergronden en rouwen om het verlies van haar ouders. Dit gebeurt allemaal in het huis van haar toekomstige man. Haar aanstaande echtgenoot ziet dan hoe zij er zonder opmaak en sieraden uitziet. Bovendien moet zij haar haar scheren, dat misschien juist heel mooi en weelderig was. Ze moet ook haar nagels laten groeien zodat ze er lelijker uitziet. Haar elegante oorlogskledij moet zij ruilen voor rouwgewaden.

Ook positief bedoeld

Deze overgangsperiode van een maand hielp de heidense vrouw ook te wennen aan haar nieuwe omgeving. Door een rouwmaand in te lassen, kan ze psychisch afscheid nemen van haar vroegere omgeving en begint ze te wennen aan haar nieuwe status. Ze moet ook haar afgodische gewoonten loslaten. In feite bereidt ze zich voor op een bekering tot het jodendom. Indien zij joods wil worden en alle Tora-geboden in acht wil nemen, wordt ze aanvaard. Niettemin moet haar man daarna nog twee maanden wachten voordat ze mogen trouwen. Nadat ze overgegaan is tot het jodendom heeft zij de volledige burgerrechten van een joodse vrouw. Als ze niet wil overgaan tot het jodendom dan mag haar toekomstige echtgenoot blijven wachten. Als ze blijft weigeren moet men haar vrij laten gaan. De Tora verbiedt het om haar tot slavin te maken of om haar te verkopen.

Het moge duidelijk zijn dat de Tora dit soort huwelijken met weerzin toestaat. De Chagamiem (joodse Wijzen) stellen dat wanneer een huwelijk alleen gebaseerd is op uiterlijkheden of passie, het geen lang leven beschoren is. Wanneer men trouwt met goede intenties zal men kinderen krijgen die tot zegen zijn van het hele volk. Amram die pure bedoelingen had bij zijn huwelijk met Jochewed, kreeg Mirjam, Mosjé en Aharon die het joodse volk de Tora en de ge- en verboden hebben onderwezen. Boaz, die trouwde met Ruth uit pure overwegingen kreeg Oweed, die de voorvader werd van koning David en de Masjie’ach.

Verzwakt moreel gevoel

Wanneer het burgerpak verwisseld wordt voor een militair uniform, bestaat bij sommige mensen de neiging om ook over te schakelen op een ander normen- en waardenpatroon. De gebruikelijke sociale beperkingen vervallen in een oorlogssituatie. Het krijgstoneel leidt soms tot een verzwakt moreel besef. De anonimiteit van de soldaat in zijn gevechtskleding doet de teugels vieren en het normbesef soms dalen. Oorlog is nu eenmaal een abnormale situatie, waar andere omgangsregels gelden. Leven en lichamelijke integriteit van de ‘vijand’ krijgen een andere betekenis. De tegenstander is in principe vogelvrij. Met name in het boek Dewariem, dat door G’d op de grens van het land Israël aan Mosje gedicteerd werd, besteedt de Tora aandacht aan het morele niveau van de joodse soldaat in zijn bijzondere situatie.

“Wanneer u met een leger tegen uw vijanden uittrekt, dan moet u zich voor elke slechte zaak in acht nemen” (Dewariem 23:10).

Uit het vervolg van de pesoekiem (verzen) blijkt, dat de Tora hier voornamelijk waarschuwt voor kuisheid en zedelijkheid in seksueel verband. Een soldaat, die door een nachtelijke zaadlozing (een ‘natte droom’) verontreinigd is, moet zich uit de legerplaats verwijderen en mag niet eerder terugkeren dan nadat hij zich door een rituele onderdompeling gereinigd heeft. Ook in angstaanjagende oorlogsomstandigheden wordt van de joodse soldaat handhaving geëist van de hoogste moraal.

Hygiëne

Daarnaast wordt in de Tora gerefereerd aan lichamelijke reinheid en hygiëne in het joodse legerkamp: “Een plaats zal er voor u zijn buiten de legerplaats, waarheen u naar buiten zult gaan. Een schepje zult u hebben bij uw wapentuig. Wanneer u buiten gaat zitten, dan zult u daarmee graven en daarna uw uitwerpselen bedekken” (Dewariem 23:13-14).

Omdat in het jodendom heel de mens G’d dient, ruimt de Tora ook een plaats in voor persoonlijke hygiëne. De legerplaats moet openstaan voor het G’ddelijke in de wereld. Uitwerpselen zijn het resultaat van zuiver lichamelijke functies, waarin de mens niet verschilt van het dier. Voor onze ‘dierlijke’ verrichtingen is plaats – maar buiten het legerkamp en niet daarbinnen. In de legerplaats behoort de G’ddelijke Aanwezigheid voelbaar te zijn. De concentratie op de hogere waarden van het leven, die de Tora van zijn belijders verwacht, verdraagt zich moeilijk met uitingen van onze animale kanten.

Juist omdat het leger een toonbeeld van hogere aspiraties hoort te zijn, moeten wij op weg naar de oorlog onze meest aardse behoeften bedekken en begraven: “Want uw G’d verkeert temidden van uw leger, om u te beschermen en uw vijanden in uw macht te geven; daarom moet uw legerplaats heilig zijn, opdat Hij niet iets onbetamelijks onder u zal zien en G’d u niet meer zou volgen” (Dewariem 23:15). G’d verkeert als het ware in uw kamp. Iedere soldaat moet steeds rekening houden met Zijn Aanwezigheid. Morele onachtzaamheid leidt er kennelijk toe, dat G’d Zich afwendt van het leger met alle rampzalige gevolgen van dien.

Een klein heiligdom

Een leger, dat ten strijde trekt wordt in de Tora beschouwd als een klein heiligdom. Daarom mogen eigenlijk alleen gave, vrome mensen, die vrij zijn van spirituele smetten. deelnemen aan de strijd. Vanuit Tora-perspectief gaat het eerder om de kwaliteit van het leger dan om de kwantiteit. De nabijheid van de Sjechiena – G’ddelijke Aanwezigheid – moet gewaarborgd blijven. Het zedelijk niveau van de militairen moet in opperste staat van paraatheid blijven, opdat G’d hen blijft volgen.

Om verzekerd te blijven van de G’ddelijke Aanwezigheid en bescherming dienen de dagelijkse religieuze voorschriften stipt nagekomen te worden. Wanneer men niet bezig is met voorbereidingen op de strijd, mag de Torastudie niet verwaarloosd worden. In Bijbelse tijden, toen er ‘s nachts niet gestreden werd, waren de nachtelijke uren bestemd voor intensieve Torastudie. Tijdens de verovering van Kanaän verscheen een Engel aan Jehosjoe’a om hem juist op dit punt terecht te wijzen (vgl. B.T. Megilla 3a en B.T. Sanhedrien 45b. De Engel zei Jozua: “Nu het nacht is en er niet gevochten wordt, moeten jullie bezig zijn met Tora-studie”).

In de Talmoed wordt aangegeven, dat ook de Torabeoefening van de achterblijvers belangrijk is. De nationale slagkracht van het joodse volk ligt in zijn gehechtheid aan de Tora. Verzekerd van de vervulling van de G’ddelijke opdracht hoeft men de vijand niet te vrezen.

De `briefing’

De Tora draagt op om een speciale koheen (priester) aan te stellen, de ‘masjoe’ach milchama’ (gezalfde voor de oorlog), die de militairen de rechten en plichten in oorlogssituaties uitlegt en hen een hart onder de riem steekt.

Deze speciale koheen spreekt het leger tweemaal toe. De eerste keer richt hij zich tot het militaire apparaat bij de grens – met de volgende verzen uit de Tora (Dewariem 20:5-7): “Wie heeft een nieuw huis gebouwd, maar het nog niet in gebruik genomen? Hij mag heengaan en naar zijn huis terugkeren, opdat hij niet in de strijd zal omkomen en een ander het in gebruik neemt. En wie heeft een wijngaard geplant, maar de vrucht daarvan nog niet genoten? Hij mag heengaan en naar zijn huis terugkeren, opdat hij niet in de strijd zal omkomen en een ander de vrucht ervan geniet.

En wie heeft een vrouw getrouwd? Hij mag heengaan en naar zijn huis terugkeren, opdat hij niet zal omkomen in de strijd en een ander met haar trouwt.”

De gronden voor vrijstelling

De commentatoren lichten de achtergrond van de vrijstellingen toe. Op eenvoudig niveau bezien, zouden deze mannen geen goede soldaten zijn. De huiseigenaar zou vertwijfeld raken bij de gedachte, dat hij zijn pasgebouwde huis nooit zal kunnen inwijden, wanneer hij sneuvelt en de aanstaande bruidegom zal snel geneigd zijn te vluchten van het slagveld (vgl. de verklaring van Nachmanides ter plekke).

Op een dieper niveau geschouwd, refereert de frase “Is er soms een man, die bevreesd is en week van hart” (Dewariem 20:8) aan de zondige mens, die vreest te sneuvelen in de strijd als straf voor zijn overtredingen. Gezien het feit, dat de Tora voornamelijk het religieuze mensaspect belicht, moge deze uitleg ons niet verwonderen. Om nu de religieuze zondaar publieke beschaming te besparen, stelt de Tora ook andere personen – zoals degene, die zojuist een huis gebouwd heeft of degene, die nog niet getrouwd is – vrij van actieve dienst. In deze uitleg fungeren de eerste drie categorieën als dekmantel voor de zondaren die werkelijk iets te vrezen hebben van het oorlogsgeweld.

Klein maar fijn

De Tora heeft liever een klein, select leger van G’dvrezende militairen. De Tora streeft niet naar een leger met zoveel mogelijk manschappen, maar prefereert een hoog moreel bij de troepen. In het boek Richteren (hoofdstuk 7) vinden wij hiervan een treffend voorbeeld. Nadat G’d Gideon opdracht had gegeven om de strijd aan te binden met de Midjanitische verdrukker, vertelde Hij hem: “Je leger is Mij te groot om Midjan in hun handen over te leveren, opdat de Joden niet trots zullen menen, dat zij door hun eigen kracht hebben overwonnen. Zeg daarom tegen je mannen: “Hij die angstig is geweest en vreest, moet terugkeren. Zij moeten de berg Gilead vroeg in de ochtend verlaten” (wanneer iedereen nog slaapt om de vertrekkende manschappen niet te beschamen).

Na deze aankondiging vertrokken 22.000 mannen. Er bleven 10.000 soldaten over. Daarop zei G’d tegen Gideon: “Er zijn nog steeds teveel soldaten. Breng ze naar het water en daar zal Ik ze voor je ‘screenen”. Gideon leidde het volk naar het water en G’d gaf Gideon de volgende instructie: “Verzamel alle mensen die plat op de grond liggen wanneer ze water drinken en stuur de mensen die knielen bij het drinken weg”. Slechts driehonderd mannen hadden zonder knielen water gedronken, alle anderen hadden hun knieën gebogen. G’d zei toen tegen Gideon: “Ik zal de overwinning brengen door deze driehonderd man omdat zij vrome, oprechte soldaten zijn. Zij die geknield hebben bij het drinken waren er aan gewend om te knielen voor afgoden”.

We zien dat in Tenach een groot leger niet geprefereerd wordt. Beter is een klein leger met alleen oprechte, goede en vrome mensen. De politiek van de Tora is anders dan het beleid van de meeste generaals. Dienstplichtweigeraars worden meestal gestraft. De Tora kondigt aan dat alle ongemotiveerde soldaten de slagorden moeten verlaten.

Het aanbieden van vrede

G’d is vredelievend en daarom heeft Hij opgedragen om geen oorlog te maken voordat de vrede is aangeboden aan de vijand. Bij verovering van het Heilige Land heeft Jehosjoe’a dit gebod nageleefd. Voor de invasie in Israël riep hij de inwoners van Kana’an op om een vredesverdrag te sluiten waarin stond dat ze zich zouden onderwerpen en de zeven Noachidische geboden in acht zouden nemen. Hij stelde ze ook in de gelegenheid om te emigreren. Dit was een algemeen vredesaanbod aan alle inwoners van het Heilige Land. Daarna heeft Jehosjoe’a bij de aanval op iedere stad apart wederom het vredesaanbod herhaald. Bovendien gold bij belegering van steden de G’ddelijke instructie dat een stad niet aan alle vier kanten belegerd mocht worden. Zo werd een vluchtweg opengelaten voor allen die zich uit de voeten wilden maken.

 

Reacties zijn gesloten.