De soeka, als het beschermende wolkendek

Het feest Soekot kent twee tastbare verplichtingen: in de soeka, de loofhut, verblijven en de mitswa van Loelav, het opnemen en in zes richtingen schudden van de palmtak, etrog-vrucht, hadas of mirtetakken en beekwilgtakjes. Het is gebruikelijk om op de eerste dag Soekot te spreken over de Loelav en op de tweede dag Soekot over de Soeka. Allereerst omdat de mitswa van Loelav eerst voorkomt in de Tora, gevolgd door de verplichting om in de Soeka te zitten. Daarnaast: de mitswa van Loelav geldt met name op de eerste dag, de rest van de dagen schudden we ook de Loelav, maar is de verplichting eigenlijk van minder belang. Dit geldt niet voor het zitten in de Soeka. Zeven dagen zul je in de Soeka zitten, dus die mitswa geldt gedurende het Soekot-feest iedere dag even sterk.

Ruben Vis, tweede dag Soekot, CIZ-sjoel, Amstelveen

We zien het al meteen als Soekot begint. De ma’arawiot, de ingevoegde gedichtjes in het avondgebed op de eerste avond, begint al meteen met Ochaze bejadam arba’a minim – zij die de arba’a minim, de vier soorten, waaruit de Loelav bestaat, in hun handen houden. En als de eerste avond op vrijdagavond valt, en we op sjabbat geen Loelav schudden, … in dat geval gaat het gedicht op de eerste avond niet over de Loelav maar over de Soeka. Soeka tijeh letseel – de loofhut zal tot schaduw zijn.

We zijn aangekomen bij deel III van de feestdagen in Tisjrie. Opperrabbijn Lord Jonathan Sacks, de waarschijnlijk meest geciteerde millenial rabbijn, maakt een treffende observatie.
Rosh Hashanah, the anniversary of creation, is about what it means to be human under the sovereignty of God.
Yom Kippur is about what it means to be me, this unique person that I am. It makes us ask, What have I done with my life? Whom have I hurt or harmed? How have I behaved? What have I done with God’s greatest gift, life itself?
En dan komt Soekot. Daarover zegt Rabbi Sacks:
Sukkot is a celebration of Jewish memory and history. With Pesach and Shavuot it reminds us of what it means to be a member of the Jewish people, sharing its past, its present and its hopes.

Soekot is dus om Rabbi Sacks te parafraseren, niet iets individueels, mijn eigen ik, zoals Jom Kipoer, niet iets voor de hele wereld, zoals Rosj Hasjana, maar het doet ons beseffen wat het betekent onderdeel uit te maken van het Joodse volk. Het volk dat uit Egypte werd gevoerd – Pesach. Het volk dat de Tora kreeg – Sjavoe’ot. En het volk dat de 40 jaar durende tocht door de woestijn heeft gemaakt – Soekot.

Schaduw
De soeka is een bescherming. Soeka tijeh letseel. De soeka zal tot schaduw zijn. Bescherming tegen de felle zon. We zien dat in de haftara van mincha lejom Kipoer, Jona de profeet die naar Ninveh wordt gestuurd. Hij gaat op enige afstand zitten van de stad. Om de felle zon te trotseren groeit er een kikajon, een boom, naast hem. Zodat hij schaduw krijgt. Maar de boom verdwijnt ook weer even snel als hij is opgegroeid. G’d heeft Jona naar Ninveh gestuurd, eerst liep Jona weg voor die verantwoordelijkheid, en G’d zorgt er voor dat hij schaduw krijgt; of Hij neemt de bescherming tegen de zon juist weer weg door de boom even snel te laten verdwijnen als hij is opgegroeid.

Wolken
De verklaring waarom we is Soekot zitten is tweeërlei. Allereerst, zoals de Tora ook zegt, omdat je in hutten hebt gewoond in de woestijn – kie basoekot hosjavtie et benee jisrael behotsi otam me’erets mitsrajiem – want in hutten heb Ik de benee jisrael laten wonen toen Ik hen uit het land Egypte heb gevoerd.
En is de soeka niet ook een verwijzing naar de bescherming die de Joden in de woestijn hadden en die zich op een veel bijzonderder manier manifesteerde. Iedereen woont in hutten, tenten of iets tijdelijks als je in de woestijn bent en daar door heen trekt. Moet je je daarom herinneren dat je in hutten hebt gewoond?!
Wat maakte het wonen in de woestijn echt bijzonder? Dat je werd begeleid door de wolken die zich steeds boven het kamp van het Joodse volk bevonden. Die wolkenpartij trok met het Joodse volk mee van plek naar plek. Dat was een wonder en dat is de bescherming die lema’an jedoe dorotechem – opdat jullie toekomstige geslachten het zullen weten, ons verplicht om dit te herinneren en dat doen we door middel van de soeka. Daarvan is het schach, de dakbedekking het belangrijkste.
Het schach moet zodanig zijn dat, als we ons in de woestijnhutten wanen, we de hemel zien en ons realiseren dat de Joden in de woestijn hemelse bescherming kregen door de zich met het Joodse volk mee verplaatsende wolken. De bescherming tegen de felle zon. Ook hier, net als bij Jona.

Zonne-energie
Vandaag de dag begrijpen we dat beter dan ooit. Door de klimatologische ontwikkelingen is het zonlicht feller geworden, is het gevaar van de zon voor de mens en het leven op aarde toegenomen. En aan de andere kant betekent meer zonlicht, feller zonlicht, dat we daaruit energie kunnen putten, zonne-energie. De technische ontwikkeling en de beschikbaarheid van veel meer zonlicht dan ooit biedt dus ook kansen. Aan ons is het om die kansen te grijpen: is zon iets positiefs voor ons of een gevaar. Het zal altijd beide elementen in zich houden. Wij moeten de zon grijpen en tegelijkertijd ons er tegen beschermen. Het leven is een vat vol dualiteit. Zoals het schach. Het moet bedekken, maar niet te veel zodat we het zonlicht, de hemel en de wolken ook steeds zullen kunnen zien. Het is en – en; niet: of – of.

Het verlangen doorbreken
Net zo geldt het voor het Soekot-feest zoals Rabbi Sacks dat beschouwt: it reminds us of what it means to be a member of the Jewish people, sharing its past, its present and its hopes.
Its past, het verleden, zoals de Joden in de woestijn zaten, zoals de Joden naar Jeroesjalajim trokken om er Soekot te vieren, in de Beth Hamikdasj de Loelav te schudden.
Maar niet iedereen ziet die lijn zo. Theoloog Stefan Paas, verbonden aan de VU en aan de Theologische Universiteit Kampen, ontneemt de rechtstreekse band van het Jodendom met Tora en TeNaCh. Paas zegt: “Denk niet dat het religieus Jodendom net zoiets is als het oudtestamentisch Israel. Het is een eigen traditie, een afzonderlijke religie.” Daarmee doorbreekt Paas het verlangen dat wij hebben, zich in het Joodse land te vestigen, ons te houden aan de mitswot en datgene te doen wat Avraham onze aartsvader deed, Mosje Rabbenoe in de woestijn en koning David in het land Israel. Nee zegt Paas, er is geen sprake van een vanaf aartsvader Abraham ononderbroken lijn. Het verlangen naar Israel, de hoop, Hatikwa!, het niets meer dan een modegril. Zo meent Paas.
Maar zo is het niet. Voor de hedendaagse Jood is zijn geloof en de uitvoering die we aan het geloof geven, de Loelav, de Soeka, weldegelijk in een rechte lijn op die illustere voorgangers terug te voeren.

Gezegend
Soekot reminds us of what it means to be a member of the Jewish people, sharing its past, its present and its hopes.
Het heden, waarin ook wij vandaag in Soekot zitten. Het heden waarin ook wij vandaag onze loelavim schudden. Het heden waarin we geconfronteerd worden met de fellere zonnestralen, het extremere weer met forse regenbuien en het heden, sprekend, over wat het is om lid te zijn van het Joodse volk, waarin we deelachtig zijn van een ongelofelijke ontwikkeling op Joods-intellectueel gebied, en gezegend zijn met toepassing van technologieën die ons Joodse leven een stuk makkelijker maken dan honderd, vijftig of tien jaar geleden.
En its hopes. De hoop die we koesteren voor de toekomst. Dan moeten we kijken naar wat de profeten zeggen. Zij spreken over de toekomst.
De haftara van de eerste dag Soekot van de profeet Zecharja, spreekt over natuurverschijnselen die G’d op Zijn commando zal loslaten om daarmee de vijanden van het Joodse volk, zij die niet naar Zijn stem luisteren te treffen.
Zo zegt de profeet: De Olijfberg zal splijten tot een zeer groot dal. Er zal een dag zijn waarop er geen verschil is tussen licht en duisternis, geen verschil tussen dag en nacht. Opwellend water zal Hij naar de zee in het oosten en naar de zee in het westen laten stromen, zowel in de zomer als in de winter zal dit zijn. Het zijn extreme natuurverschijnselen die G’d op de wereld loslaat. Waarop de profetie overgaat in de bekende zin waarmee we ook Alenoe lesjabe’ach afsluiten: Bajom hahoe jihejeh Hasjem echad oesjemo echad.

Soeka tijhe letseel. In het heden verblijven we in de Soeka die ons schaduw biedt, om ook in deze generatie te beseffen dat onze voorouders in de woestijn in hutten, tenten en onder G’ds beschermende wolkenpartij leefden.
Onze hoop is gevestigd op de toekomst, op de dag dat de hele wereld G’ds Eenheid zal erkennen. Onze hoop is gevestigd op het aanbreken van die dag bajom hahoe, waarop er geen verschil zal zijn tussen licht en duisternis, waarin het felle zonlicht ons niet schaadt en waarop de duisternis, de slechtheid, uit de wereld is uitgebannen. Spoedig in onze dagen. Bimhera vejamenoe – ameen.

Reacties zijn gesloten.