Nummer 5: opperrabbijn Evers publiceert nieuwste deel van zijn halacha-serie

Opperrabbijn Raphael Evers heeft het vijfde deel van zijn halachische serie Vasjav Verafa gepubliceerd. Net als de andere vier delen bevat het antwoorden op Joods-wettelijke vragen.
Sinds de codificatie van de Mondelinge leer in de Misjna en de bediscussiëring daarvan in de Talmoed, de Gemara, heeft de rabbijnse literatuur een lange weg afgelegd. Responsaliteratuur als serieus literair en historisch fenomeen dateert uit het mid­den van de periode van de Geoniem (±750-1040). De Geoniem waren Babylonische en soms Egyptische lera­ren die zich bezighielden met de overdracht en prak­tische toepassing van de tal­moedische halacha. Zij waren de directe opvolgers en erf­ge­na­men van de Talmoed­geleerden. Rabbijnen kregen vragen, en de vraag met het antwoord (respons) werd gebundeld samen met andere vragen en het antwoord dat de rabbijn er op had gegeven. Zo gaat het tot de dag van vandaag. Nederland kende geen traditie van responsa, van het publiceren van Sje’elot oetesjoevot. Uitzonderringen zijn Chacham Zvi Asjkenazi die publiceerde zijn Sje’elot oetesjoevot in 1712, en de Rotterdamse opperrabbijn Aryeh Breslau in 1790. Studenten aan het Portugees-Israëlietisch Seminarium Ets Haim schreven tesjoevot voor hun examinering als rabbijn. Deze werden gepubliceerd onder de titel Pri (de vruchten van) Ets Haim. Sindsdien werd het stil. Rabbijn Evers publiceert wel Sje’elot oetesjoevot. In inmiddels vijf delen van zijn serie Vasjav Verafa behandelt hij allerlei onderwerpen en geeft antwoord op de meest uiteenlopende vragen.

De delen 3, 4 en 5 van Vasjav Verafa.

Het eerste exemplaar biedt opperrabbijn Evers aan, aan opperrabbijn Israel Meir Lau, opperrabbijn van Tel Aviv en voormalig opperrabbijn van Israel.

Evers heeft in 2016 Nederland verruild voor Düsseldorf. De Joodse Gemeente Düsseldorf is een van de drie grootste Joodse Gemeenten in de Bondsrepubliek. Waarschijnlijk vanwege zijn vertrek uit Nederland is in deel 5 meer nog dan in ieder van de vier eerdere delen op een aantal terreinen de Nederlandse minhag (manier) beschreven en daarmee voor zijn opvolgers in het Nederlandse rabbinaat vastgelegd. Het toont meteen de breedte en veelzijdigheid van Evers op de meest gecompliceerde rabbinale terreinen. Dus zijn in het vijfde deel van Vasjav Verafa paginalange handleidingen te vinden voor het maken van het kalendarium van de Nederlandse Loeach, de Nederlandse huwelijksvoltrekking, beschrijving van de halachische omstandigheden bij het bakproces van fabrieksmatzes, de Nederlandse traditie van Nikoer (het ontdoen van vetdelen en spierweefsels) en het zouten van kosjer vlees, de bouw van een mikwe, etc. Van de wijze hoe tachrichin (doodskleding) worden gemaakt is een handleiding opgenomen van de Amsterdamse naaichewre. Hoe dit buiten Amsterdam gaat, waar ook uiteenlopende gebruiken en naaipatronen voor de kledingstukken bestaan, heeft Evers niet beschreven.

Zoals in al zijn eerdere delen codificeert Evers antwoorden op specifiek Hollandse vragen. De rabbijn behandelt dus een probleem met betrekking tot het vooral in Nederland toegepaste dak over het sechach van een soeka ter bescherming tegen regen. Een ander vooral Nederlands gebruik dat Evers behandelt, is het toelaten van extracten uit kitniot (kitniot is het verbod op peulvruchten en aanverwanten waarmee het chamets-verbod op Pesach is uitgebreid). Elders wordt dit niet geaccepteerd. Evers noemt het een minhag hajasjan, een overoud gebruik, van hier.
Opmerkelijk, want voor steeds meer mensen relevant, is een uitvoerige verhandeling over tal van aspecten over gluten-vrij dieet dat moet worden gevolgd door coeliakie-patiënten. Ook andere moderne onderwerpen komen aan de orde zoals een sjoel met bewakingscamera’s op sjabbat, het gebruik van een slow cooker, sushi maken op sjabbat en de vraag of de quinoa onder het verbod valt van kitniot op Pesach. Hier haalt Evers de Amsterdamse opperrabbijn Chacham Zvi (1656-1718) en diens zoon rabbi Jacob Emden aan. Evers vermeldt op het titelblad van Vasjav Verafa dat hij een afstammeling is van Jacob Emden. Chacham Zvi liet in zijn tijd aardappelen toe; het was geen kitniot onder meer niet omdat het nooit onder het kitniot-verbod had gevallen. Aardappelen waren nieuw in Europa geïntroduceerd vanuit het rond 1500 ontdekte Amerika. En zo redeneert Evers nu ook. Quinoa heeft hier nooit bestaan dus net als aardappelen is het geen kitniot.
Een ander opvallend hoofdstuk is de behandeling van astronomie (sterrenkunde) en astrologie (toekomstvoorspelling op basis van de stand van de sterren).

In dit deel, evenals in deel 4, is goed merkbaar dat Evers de afgelopen jaren lid is geweest van het Beth Din van het Rabbinaat van de Joodse Gemeente Amsterdam. Evers heeft de tekst van een chowerdiploma dat het Rabbinaat uit heeft gereikt overgenomen. Inclusief de verkeerde (Tikvat in plaats van Tesjoeat) benaming van de sjoel waarvoor de betreffende chower actief was. Het is een voorbeeld van de enkele onzorgvuldigheid die op een paar plaatsen in het boek voorkomt. Op de titelpagina staat Rotterdam met één en met twee keer de letter tet gespeld.
Rav Evers ondertekent ieder antwoord met zijn naam, voorafgegaan door de aanduiding ‘de kleine’. Daarmee aangevend hoe bescheiden hij zijn bijdrage beschouwt aan de zee van Joodse wetgevingsliteratuur.
De vijf delen van Vasjav Verafa omspannen een periode van ruim 25 jaar. Opperrabbijn Pinchas Goldschmidt van Moskou, tevens president van de Conference of European Rabbis, was de gastspreker bij de afscheidsreceptie toen rabbijn Evers van Nederland naar Düsseldorf vertrok. Rav Goldschmidt benadrukte dat rav Evers tot slechts een vijftal rabbijnen in heel Europa behoort die in staat zijn dergelijke literatuur te publiceren.

Reacties zijn gesloten.