Loeach, de Joodse kalender

 

De Joodse kalender telt twaalf maanden. Zeven jaren in een cyclus van negentien jaar kennen een extra, dertiende, schrikkelmaand. Iedere maand telt 29 dagen, sommige maanden hebben steeds dertig dagen. Andere maanden hebben soms 29, soms 30 dagen. De Joodse dag begint op het moment van zonsondergang. Dit moment varieert door het jaar heen en ligt in Nederland tussen ca. 17.15 en 23.14 uur. De dag heeft 24 uren en 60 minuten per uur. De minuut is niet verdeeld in zestig seconden, maar in achttien chalakiem (delen). Iedere chelek bestaat uit het equivalent van 3 1/3 seconde.

Het Joodse jaar telt 12 maanden, en zeven keer in de 19 jaar een schrikkelmaand (Adar I).
De namen van de Joodse maanden:
Niesan (30 dagen) – maart – april
Ijar (29 dagen) april – mei
Sievan (30 dagen) mei – juni
Tammoez (29 dagen) juni – juli
Av (30 dagen) juli – augustus
Eloel (29 dagen) augustus – september
Tisjri (30 dagen) september – oktober
Mar-Chesjwan (29 of 30 dagen) oktober-november
Kislev (29 of 30 dagen) november – december
Tevet (29 dagen) december – januari
Sjevat (30 dagen) januari – februari
Adar (29 of 30 dagen) februari – maart
Adar II (29 dagen) maart – april



Bestel nu de Loeach, een echte Joodse Agenda
Loeach 5774
De loeach is de joodse agenda, die je alles vertelt over wat wanneer in het nieuwe joodse jaar staat te gebeuren. En de loeach van dit jaar vermeldt ook nog welk bijzonder jaar het voor het NIK is.

Voor wie thuis wil zijn in Joods Nederland is de loeach onmisbaar met zijn betrouwbare informatie over de Joodse feest- en treurdagen, de begin- en eindtijden er van, de kasjroetinformatie etc.

De Loeach 5774 wordt door de Joodse Gemeenten gratis aan de leden verstrekt. Niet-leden kunnen de loeach bestellen via www.jadachat.nl (€ 9,95 per ex., excl. verzendkosten).

 

Waarin onderscheidt zich de Joodse kalender van de niet-Joodse?

De Joodse kalender is altijd een toonbeeld van astronomische kennis geweest. Het burgerlijk jaar is een zonnejaar.
De Joodse kalender die door Hillel II is vastgesteld in ca. 360, is zeer gecompliceerd, maar in tegenstelling tot de Juliaanse en de Gregoriaanse kalender zo nauwkeurig dat het nooit een aanpassing heeft hoeven ondergaan.
Haar complexiteit ontstaat doordat het primair een maan-gerelateerde kalender is, in plaats van een zon-georiënteerde kalender, die, uit oogpunt van viering van de feestdagen in de juiste seizoenen ook een zon-gerelateerde binding of beperking kent die er voor moet zorgen dat de feesten niet door het jaar heen gaan zweven.
Pesach heet ook Chag Ha-aviv – Lentefeest, en moet dan ook steeds in dat voorjaarsseizoen worden gevierd. Een zon-gerelateerde kalender geeft die zekerheid wel, een uitsluitend op de maan gefixeerde kalender niet. Daarom kent de Joodse maan-kalender een aantal reguleringen; met name door het zeven keer in de negentien jaar inbouwen van een schrikkelmaand. Deze maand ontstaat uit ‘opgespaarde’ schrikkeldagen.
Door de Romeinse keizer Julius Caesar werd de omlooptijd van de zon op precies 365 en een kwart dagen gesteld. De islamitische kalender is gebaseerd op de omlooptijd die de maan nodig heeft om één keer in de maand weer dezelfde positie in te nemen tussen zon en aarde. De synodische maand duurt 29 dagen, 12 uur, 44 minuten en bijna 3 seconden.
Helaas bleek na 1600 jaar dat het jaar van Julius Caesar bijna 12 minuten te lang was. In 1582 werd daarom een kalenderhervorming ingevoerd en werden 10 dagen uit het jaar geschrapt. Na 4 oktober 1582 kwam direct 15 oktober. Het bezwaar tegen het mohammedaanse maanjaar is dat het binnen het zonnejaar roteert. De maanden doorlopen binnen dertig jaar alle seizoenen. In het Jodendom hebben wij een combinatie van het lunaire en het zonnejaar, omdat Pesach in de lente moet vallen en Soekot in de herfst. Daarom moeten wij het zonnejaar harmoniseren met het maanjaar.

Slechts zeven schrikkeljaren
De Joodse geleerden, die zeer bekwaam waren in astronomie, hebben voor deze harmonisering een zonnejaar op 365 dagen, 5 uur, 55 minuten en 25 9 /19de seconde gesteld en een maand op 29 dagen, 12 uur, 44 minuten en 3 1/ 3de seconde. Zo werd de tijdsduur van 235 maanden precies gelijk aan 19 jaar. Slechts zeven schrikkelmaanden waren in 19 jaar nodig om de beide kalenders gelijk te laten sporen. In de jaren 3, 6, 8, 11, 14, 17 en 19 wordt daarom een extra maand Adar II ingevoerd.
In het Joodse jaar telt iedere maand 29 dagen, 12 uur en 793/1000. Dit aantal van 29 dagen wordt verdeeld in 12 maanden, en dat levert een jaar op van 354 dagen. Dit aantal creëert de ruimte tussen 354 en 365 dagen. Dat aantal van 11 dagen wordt ingedeeld in zeven schrikkelmaanden die in een cyclus van negentien jaar wordt toegevoegd aan het jaar en vóór de maand Adar wordt geplaatst. Wanneer dat niet gebeurt, zoals in het islamitische (ook) maanjaar gebeurt, verliezen de feestdagen hun vaste plek op de kalender. De islamitische Ramadanmaand schuift door het jaar heen. De feestdagen in tisjrie daarentegen zijn steeds een aaneenschakeling van najaarsgebeurtenissen.
Ook de losse 12 uren van iedere maand worden opgespaard en gebruikt om een extra dag toe te voegen aan een aantal maanden waardoor er maanden ontstaan van 30 dagen, in plaats van de reguliere 29.

Het primaat van het maanjaar
De Joodse kalenderberekening volgt in eerste instantie de loop van de maan om de aarde en is in principe een maanjaar maar wordt vervolgens zoveel mogelijk in overeenstemming gebracht met het zonnejaar. Het primaat van de maankalender is filosofisch geinspireerd: het wassen en afnemen van de maan staat symbool voor de Israëls vernieuwing. “Gelijk de maan gaat het Joodse volk nooit verloren, zelfs niet in de duisterste perioden. Hernieuwde opbloei en revival zijn te allen tijde verzekerd, zolang G’ds kinderen Hem loyaal blijven”, aldus de negentiende-eeuw¬se Rabbiner Hirsch, die de Joodse kalender de catechismus van het Jodendom noemde.

Schrikkeljaren
De Opperrabbijn van Algiers, Rabbi Sjimon ben Zemach Duran, die omstreeks 1400 leefde, werd eens brutaal gevraagd waarom de Joodse tijdberekening de loop van de maan volgt waardoor wij “genoodzaakt zijn schrikkeljaren in te stellen om tot overeenstemming te komen met het zonnejaar?”. Rabbi Sjimon antwoordde scherp, dat onze tijdrekening een teken van grote wijsheid is: “De kringloop van de zon is niet in maanden in te delen. De christelijke indeling van de maanden is iets kunstmatigs, dat volgens afspraak gebeurt maar geen rekening houdt met de loop van de natuur. Vele wijzen van de oude volkeren hebben onze tijdrekening geprezen… U neemt dus aanstoot aan iets, dat juist een bijzondere verdienste en voortreffelijkheid van onze heilige Leer is en u zou wensen, dat wij zouden worden als zij, die in duisternis gaan terwijl ‘het voor alle kinderen Israels licht is’!?”.

Totale harmonie in het universum
Het Joodse lunisolaire kalendersysteem heeft nog een dieper aspect van mystieke aard. In de Kabbala wordt gesteld, dat G’ds Aanwezigheid dusdanig overweldigend is, dat Hij Zich als het ware moest terugtrekken om een ‘onafhankelijk’ aards leven mogelijk te maken. G’ds terugtrekking dient om Zijn expansie van Licht en Leven verborgen te houden. Slechts een minimale ‘straal’ van het G’ddelijk Licht bereikt de schepselen. De wereld wordt bestuurd en gecategoriseerd in de Tien Sefirot, de tien sferen of uitstralingen, die G’ds instrumenten vormen om het aardse leven te regelen. Het mannelijke element hierin is het ‘gevende’ en het vrouwelijke wordt het ‘ontvangende’ genoemd. In dit mystieke systeem wordt de zon geplaatst in de zesde sfeer, die ook naar onze Aartsvader Ja’akov wordt genoemd. De maan – ontvanger van het zonlicht – staat in de tiende sfeer, die ook wel getooid wordt met de naam van onze Aartsmoeder Racheel. Het lunisolaire systeem harmoniseert dus niet alleen natuurwetenschappelijke gegevens maar ook het mannelijke en het vrouwelijke element in de Hemelsfeer. De Joodse kalender weerspiegelt dus in wiskundige termen het centrale ideaal van totale harmonie in het universum, van hoog tot laag.

Waarom beginnen we de maanden te tellen vanaf niesan? Tisjrie is toch het moment waarop het jaar begint.
Niesan is de eerste maand van het Joodse jaar. Vreemd, omdat we weten dat de jaren beginnen op Rosj Hasjana en dat is in de herfst op de eerste dag van de maand tisjrie. Wanneer de Tora spreekt over Pesach staat er: “Hachodesj haze lachem rosj chodasjiem – deze maand zal voor jullie het begin van de maanden zijn”. Rasjie verklaart dat dit moet worden begrepen dat van nu af de maanden van het jaar beginnen met niesan en niet met tisjrie.
De Amerikaanse 20ste eeuwse geleerde rabbi Moshe Feinstein legt uit dat er twee niveaus van geloof zijn. Het basisniveau is dat HKB”H de Schepper is van alles dat bestaat in het universum, in de hemel en op de aarde. Maar we moeten begrijpen dat Zijn rol in de wereld veel verder strekt en niet is opgehouden bij de schepping van de wereld. Dat is het hogere niveau van geloof. Hij is doorgegaan een actieve rol te spelen in deze wereld en de zaken die gebeuren te regelen, of de natuur en de loop daar van naar Zijn hand te zetten. Juist Zijn daden, Zijn bijzondere wonderen en tekens die Hij toepaste bij de miraculeuze Uittocht uit Egypte, tonen aan dat HKB”H ook na de Schepping full swing actief is en de loop van de geschiedenis naar Zijn hand kan zetten.
Dit geeft ook het antwoord op de vraag waarom HKB”H Zich in de Tien Geboden manifesteert als degene die ons uit Egypte heeft gevoerd, zoals in de eerste pasoek van de Asseret Hadibrot staat te lezen. Waarom verklaarde HKB”H Zijn identiteit niet met een verwijzing naar de Schepping.
De eerste zin van de Tien Geboden bevat meer een acceptatie van HKB”H dan een verplichting, zoals in de andere geboden: je zult sjabbat houden, je ouders eren, niet stelen en niet moorden.
De acceptatie die van ons wordt verwacht is niet slechts de erkenning dat HKB”H de wereld heeft geschapen, maar daar nog steeds de hand in heeft. De zelfde hand waarvan we zeggen bejad chazaka – met sterke hand heeft Hij ons uit Egypte gevoerd. Want het gaat er om dat de Jood of Jodin beseft dat Zijn werk niet ophield bij de Schepping maar door is gegaan. Door is gegaan in de opdracht aan Noach om zich met dieren in een ark op te sluiten, in de beproevingen aan Awraham en de offering van Jitschak, in de uitleg die Joseef kon geven over de dromen aan de bakker en de schenker, in de slavernij die Hij het Joodse volk oplegde en in hun uiteindelijke Uittocht. En als we goed, heel goed, kijken, dan zien we die Hand ook in de moderne tijd, in ons eigen leven of de gebeurtenissen om ons heen. Soms leuk, soms ook minder leuk, soms heel duidelijk, soms is het misschien Zijn hand geweest.

Waarom is men in Joodse kring geen voorstander van kalenderhervorming, als er toch een niet-Joodse en een los daarvan staande Joodse kalender bestaan?
Omdat de Joodse kalender niet geheel los kan worden gezien van de niet-Joodse. Uit het antwoord op de eerste vraag blijkt dat de Joodse kalender uitgaat van het maanjaar, maar ingebouwde aanpassingen heeft om niet uit de pas te lopen met het zonnejaar. Wanneer zoals kalenderhervormers wel hebben gesuggereerd dat een week niet meer uit zeven dagen hoeft te bestaan, zal voor wie met name in zijn dagelijks leven de niet-Joodse kalender hanteert niet meer duidelijk zijn op welke dag het sjabbat is; een wekelijks terugkerend probleem doemt daarmee op. Het is daarom ook dat enige jaren geleden het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap zich schaarde tegen de pogingen om een 24-uurs economie voor alle arbeid tot stand te brengen. Het NIK meende dat een gezamenlijk rustpunt in de week goed is. Onze eeuwenoude sjabbat heeft zijn functie meer dan voldoende bewezen!

Hoe wordt Rosj Chodesj beleefd?
Rosj Chodesj is de eerste dag van de nieuwe maand, en wanneer Rosj Chodesj twee dagen telt, de laatste dag van de voorafgaande maand en de eerste dag van de nieuwe maand. Het is de dag waarop de maansikkel voor het eerst zichtbaar is. Nu is Rosj Chodesj een berekende dag, in vroeger tijden werd de aankondiging dat het Rosj Chodesj was, door het Sanhedrin gedaan zodra een getuige de nieuwe maan had waargenomen.
In de tijd van de Eerste Tempel werden er geen zaken gedaan, werden er in familiekring feestelijkheden gehouden en werd de profeet die dan leefde, bezocht. Er is een voor Rosj Chodesj voorgeschreven offer dat in de Tempel werd gebracht.
Waar de moderne maatschappij eens per jaar de door de winkeliers in stand gehouden Moederdag kent, was Rosj Chodesj een maandelijks moment waarop zij geen huishoudelijk werk verrichten; als uiting van waardering voor het feit dat de vrouwen niet stonden te popelen om hun gouden sieraden te geven voor de bouw van het Gouden Kalf.
Op Rosj Chodesj wordt half hallel gezegd. Er wordt gelajend over het offer dat werd toegevoegd voor de nieuwemaandsdag en ja’ale wejawo wordt ingevoegd in de Amieda en in het bensjen. De ochtenddienst wordt in plaats van het toegevoegde offer met een toegevoegd gebed – moesaf – afgerond.

Reacties zijn gesloten.