Hoogste rabbinale graad voor rabbijn Evers

Aan rabbijn Raphael Evers is de hoogste rabbinale graad binnen het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap uitgereikt. De uitreiking van het diploma werd verricht door NIK-voorzitter Robert Heijmans; het Semicha-certificaat werd uitgereikt door opperrabbijn Aryeh Ralbag, voorzitter van het Rabbinaal College van Examen. Het Semicha-certificaat werd aan Evers toegekend door opperrabbijn Aryeh Ralbag, opperrabbijn Jonathan Sacks van Groot-Brittannië en rabbijn Chanoch Ehrentreu, voormalig hoofd van het Beth Din van Londen en voorzitter van het Europees Rabbinaal Hof van de Conferentie van Europese Rabbijnen.
Weliswaar beschikte Evers reeds lang over Rabbinale bevoegdheid op basis van hem uitgereikte Rabbinale diploma’s, waaronder die na het afleggen van examens bij het Opperrabbinaat van Israel. Daar is nu het Nederlandse examen aan toegevoegd.

Bijzonder moment
NIK-voorzitter Robert Heijmans sprak voor dat hij het diploma uitreikte de volgende woorden tot rabbijn Evers:
Een bijzonder moment is aangebroken, n.l. de uitreiking van het diploma van Moré, de hoogste Rabbinale graad, aan rabbijn Raphael Evers. De bijzonderheid schuilt er in dat het behalen van een dergelijk examen tot de zeldzaamheden is gaan behoren.

Allereerste
Na de oorlog hernam het Seminarium zijn activiteiten en dit gold ook voor de moederorganisatie, het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap, met de Permanente Commissie als bestuur. Waarmee hield de Permanente Commissie zich in zijn eerste na-oorlogse vergadering bezig? Ik citeer uit de notulen van die allereerste vergadering het allereerste wat is opgetekend.

“De voorzitter opent de vergadering, en stelt voor een oproep te plaatsen in de Joodsche pers, waarin zij, die een examen wenschen af te leggen als godsdienstonderwijzer(es) of godsdiensthoofdonderwijzer(es) en zij die zich aan een examen wenschen te onderwerpen ter verkrijging van een godgeleerde graad, zich kunnen wenden tot de Permanente Commissie. Aldus besloten.”
Vervolgens besluit de vergadering een Rabbinaal Examencollege samen te stellen bestaande uit de drie in Nederland op dat moment fungerende opperrabbijnen, te weten: Tal, Rodrigues Pereira en Heertjes, alsmede rabbijn Schuster en opperrabbijn Lewenstein te Zürich. Hieruit moge blijken dat ten aanzien van de Examencommissie zoals deze in het geval van rabbijn Evers is geweest, men niet voor het eerst is uitgeweken naar de gedachte deze een internationaal karakter te geven.
Uiteindelijk liep het iets anders, en werd besloten om, zoals het in het verslag is omschreven “gelet op den nood der tijden”, een Rabbinaal College van Examen samen te stellen bestaande uit drie leden in plaats van vijf, waardoor in de praktijk het internationale karakter destijds niet doorging, maar waardoor wel een andere parallel is ontstaan, n.l. zoals nu ook het geval is geweest een commissie uit drie leden: de opperrabbijnen Tal en Heertjes, alsmede rabbijn Schuster.

Een woord van dank wil ik richten aan de leden van het College van Examen, waarvan de voorzitter, opperrabbijn Ralbag, hier aanwezig is, en aan diegenen die anderszins een bijdrage aan de totstandkoming van dit prachtige resultaat hebben geleverd.

Dit maal is onder meer de Opperrabbijn van het Britse Gemenebest, Lord Jonathan Sacks, een van de examinatoren geweest. Ik zou willen eindigen met te verwijzen naar diens motto, dat hij heeft ontleend aan Pirkée Awot, de Spreuken der Vaderen:

Lo alecha hamelacha ligmor – van jou wordt niet verwacht dat je het werk afmaakt, maar ook niet dat je je er aan onttrekt.

Uw werk, rabbijn Evers, aan de verkrijging van de graad van Moré, onze hoogste godgeleerde graad, is wel af en aan het bereiken er van hebt u zich nimmer onttrokken; in tegendeel.

We weten dat het werk in en voor het Jodendom nooit af is. Daar op heeft de uitspraak die Chiefrabbi Sacks hanteert betrekking.

Met het behalen van deze graad, die u meer dan verdient, treedt u in de voetsporen van illustere voorgangers, en, kunt u er toe bijdragen dat wij ook aan anderen het zelfde certificaat uit zullen kunnen reiken.

Dankwoord
In zijn dankwoord zei rabbijn Evers: Dank aan allen, die deze toch vrij unieke gelegenheid hebben mogelijk gemaakt.

Onze preoccupatie met de Tora staat aangeduid bij de sidra van deze week. In de Midrasjiem, de verhalende achtergrondverklaringen wordt een aandoenlijk tafereel in de Hemelhoogte geschetst. De Sjabbat beklaagt zich bij G’d, dat zij aandacht te kort komt.
“Er was eens een koning die totaal gepreoccupeerd was met de bouw van zijn nieuwe paleis. De koningin  – de Sjabbat wordt vaak vergeleken met een vorstin – beklaagt zich over het liefdesverlies van haar man: ‘Je bent zo bezig met je architecten en de inrichting van je koninklijk verblijf, dat je mij totaal verwaarloost!’.
De koning was hevig geschrokken en richtte direct een groot banket aan ter ere van de koningin.”
Dat gaan wij dan ook doen na afloop van deze heugelijke gebeurtenis. Om jou, Channa, mijn vrouw en kinderen te danken voor jullie geweldige inzet alle jaren lang.

Mijn moeder dank ik eveneens. Zij heeft mij van jongs af aan het belang van Tora leren bijgebracht. Nu was de sfeer bij ons thuis in Amsterdam-West gemoedelijk en gezellig maar ook ik werd door het van het voetbalveld gehaald om Tora te leren met mijn moeder. Ook jou, Mama, dank ik op deze bijzondere dag met in mijn achterhoofd Papa en Sem zichronam liwracha, die wij hier dierbaar missen.

De voorzitter van de Examencommissie, Opperrabbijn Rav Ralbag, wil ik ook hartelijk danken voor zijn niet aflatende inzet voor Joods Nederland in het algemeen, voor het oude instituut van het Seminarium in het bijzonder.

En last but not least dank ik de bestuurderen en secretaris van het NIK en het NIS voor hun niet aflatende inzet om deze hetter hora’a mogelijk te maken.

Bouwen
Juist hier in het Joods Cultureel Centrum waar het centrum van Joods Nederland gevestigd is, en Joods Nederland bestuurd wordt, is het de plaats om stil te staan bij het bouwen van de nationale Joodse infrastructuur, die moet lijken op het Misjkan in de woestijn.

G’d zegt tegen het Joodse volk: “Hoe enthousiast jullie ook zijn over de bouw van dit nationale Huis van G’ddelijke inspiratie, toch is de Sjabbat belangrijker”. In de Tora is het eerste dat heilig wordt verklaard niet een boom, gebouw of berg maar een brok uit de tijd. De hele gemeente werd bijeengeroepen om het belang van de Sjabbat te benadrukken.

Wat is het verband tussen Sjabbat en de Misjkan?
Sjabbat is een dag van rust. We rusten van het dagelijkse werk. Het Joodse dagelijkse werk is kedoesja (heiligheid) creëren in deze aardse, fysieke realiteit. Ons levensdoel is G’ds Koninkrijk op aarde te vestigen. Het Misjkan was een grote concentratie kedoesja in deze concrete wereld.

Imiteren
Hasjeem wil, dat wij Hem erkennen, ook in de meest aardse bezigheden. Maar eens per week imiteren wij G’d door alle aardsheid links te laten liggen en ons te concentreren op de essentie, waar het werkelijk om draait. G’d rustte en wij rusten. G’d had deze rust niet nodig. Maar wij wel. Als we al te intensief bezig zijn met allerlei aardse zaken, hoe heilig deze ook zijn, verliezen wij onze nesjomme, hoe hoog verheven onze intenties ook zijn. Juist door de Sjabbat laten we zien waar onze ambities werkelijk liggen. De kedoesja van het centrum van het Joodse leven, ons gezin en familie.

Dank, dank aan allen, die hebben bijgedragen aan deze dag lesjeem oeletiferet van het Nederlandse Jodendom, ad biat go’eel tsedek bimhera bejamenoe Omein!

Reacties zijn gesloten.