Joodse, christelijke en moslim organisaties eensgezind in gesprek met Nationaal Comité 4 en 5 mei

De moord op slachtoffers in de Tweede Wereldoorlog moet ieder jaar centraal staan bij de nationale herdenkingen van 4 en 5 mei. Een delegatie van het Caïro-overleg voerde daarover een gesprek met een vertegenwoordiging van het Nationaal Comité 4 en 5 mei.

Organisaties van christenen, joden en moslims willen dat de Nationale Dodenherdenking op 4 mei terugkeert naar de herdenking van slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Volgens de Raad van Kerken, het Nederlands Verbond voor Progressief Jodendom, het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap en het Contactorgaan Moslims en Overheid komt de boodschap van het Nationaal Comité 4 en 5 mei “niet meer helder over”. Dat komt, schrijven ze aan het comité, doordat tijdens de dodenherdenking ook slachtoffers worden herdacht van andere oorlogen. “Verbreding leidt tot veralgemenisering en vervlakking; tot verwatering en het wegvallen van het onderscheid tussen daders en slachtoffers.”

Onlangs spraken het Caïro-overleg en het Nationaal Comité met elkaar, naar aanleiding van een brief die de Cairo-groep aan het Nationaal Comité had gestuurd. Aan deze bespreking nam ook NIK-rabbijn R. Evers deel. In het gesprek werd naar zijn waarneming serieus omgegaan met de boodschap van de Joods-christelijke-moslim delegatie. Het comité beloofde bij monde van bestuurslid Jacques Wallage de kritiek en het Caïro-overleg te betrekken in een komend vijfjarenplan. Rabbijn Evers: “Wat het eindresultaat zal zijn van dit gesprek zal pas veel later blijken.”

Het Nationaal Comité 4 en 5 mei opereert op basis van een memorandum uit 1961, waarin staat dat tijdens Nationale Dodenherdenking alle burgers en militairen worden herdacht die zijn omgekomen of vermoord sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, in oorlogssituaties en bij vredesoperaties.
Hanneke Gelderblom-Lankhout, oud-D66-senator en lid van het Caïro-overleg, zei in een vraaggesprek met NRC-H dit achterhaald te vinden: “De boodschap wordt nu zo breed opgevat dat er onduidelijkheid is of ook omgekomen Duitsers herdacht mogen worden, zoals we in Vorden zagen. Dat is nooit de bedoeling geweest.”

In het Cairo-overleg vindt samenwerking plaats van organisaties van drie monotheistische religies, aangehangen door zo’n 4 à 5 miljoen Nederlanders. Na afloop wees de Cairo-delegatie er op dat het een spannend punt blijft of het gegeven van racisme, uitsluiting en de industriële moord op miljoenen mensen omwille van hun identiteit bepalend is in de herdenking of alleen in het voorbijgaan een plaats kan krijgen. “In formele zin is in 1961 weliswaar opdracht gegeven vanuit de overheid dat slachtoffers herdacht worden die ‘sinds’ de Tweede Wereldoorlog zijn gevallen, maar het is pas van de laatste jaren dat sommigen bij de uitwerking de verbreding dominant willen maken; dat is althans de vrees van de leden van het Caïro-overleg.”

 

 

 

Reacties zijn gesloten.