Dolf Aronson z.l. (1919-2019) was gelukkig in het Huis van de Allerhoogste

Voor de oorlog kwam Dolf Aronson wel in Nidche Jisroel Jechanes maar z’n vaste sjoel was het niet. De man die zou uitgroeien tot de verpersoonlijking van deze Oost-Europese sjoel, was zelf van huis uit geen Oost-Jood. Dolf Aronson overleed op Rosj Hasjana op 100-jarige leeftijd nadat hij op vrijdagavond in zijn sjoeltje een hartstilstand kreeg.

Ruben Vis

In het schip van de snoge
Zijn vader was geboren in Hamburg. Zijn moeder was een Alvares Vega, stammend uit een oud Portugees-Amsterdams geslacht, en dat gaf hem het recht om als Asjkenaas in het schip van de Esnoga te zitten. Op zondagmorgen behoorde hij er temidden van de snogeiros tot de vaste minjanmannen. Zijn overgrootvader was M.L. van Ameringen, jarenlange secretaris van de Nederlands Israëlietische Hoofdsynagoge in Amsterdam en van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap. Bekendheid verwierf Van Ameringen als vertaler van gebedenboeken, die hij samen met de hebraïst G.I. Polak in de tweede helft van de negentiende eeuw publiceerde. Aronson was trots op zijn afkomst maar maakte een opmerkelijke ommezwaai van het Hollandse Jodendom naar het Oost-Europese Jodendom.

Innige melodramatische Oost-Europese stijl
Het moet dertig jaar geleden zijn geweest dat ik op sjabbat werd meegetroond naar Nidche Jisroel Jechanes. De sjoel is in mijn herinnering in die tijd wel tien jaar lang een rondreizend minjan geweest. Het pand aan de Nieuwe Kerkstraat was bouwvallig geworden en de restauratie heeft vele jaren in beslag genomen waardoor de diensten onderdak kregen bij een van de sjoelgangers, in de wachtkamer van dr. Barth in de Sarphatistraat, in de Drittsjoel en soms in de sjoelruimte van het voormalige Beth Hamidrasch-gebouw in de Rapenburgerstraat. Voor de oorlog had Dolf Aronson als jongeling nog in het Beth Hamidrasch in de Rapenburgerstraat geleerd bij rabbijn Lazar Dünner, seminarium-docent en zoon van opperrabbijn dr. J.H. Dünner de jarenlange seminarium-rector en opperrabbijn van Amsterdam. In die ruimte met het fraaie plafond hoorde ik Aronson voor het eerst, na vanuit Buitenveldert minstens anderhalf uur te hebben gelopen. Er was een kiddoesj, lekowed de 70e verjaardag van rabbijn Barend Drukarch. Drukarch was aan de hand van zijn vader een vaste voor-oorlogse en later na-oorlogse sjoelganger van de Nieuwe Kerkstraat-sjoel.
Aronson had een prachtige stem waarmee hij alsof hij nooit anders gewend was geweest in een innige melodramatische Oost-Europese stijl en uitspraak voorging in de dienst. Waar een buitenstaander aan schlobberen zou denken, was dit bepaald geen onzorgvuldigheid maar welbewuste voordracht. Aronson had een geschoolde stem en had voor de oorlog declamatielessen gehad van Leo Strauss uit Overveen. Sindsdien ben ik er nog een enkele keer op sjabbatochtend geweest. Één keer, een jaar of vijf geleden heb ik mijn toenmalige tienerzoon meegenomen om op Rosj Hasjana na anderhalf uur lopen te luisteren naar Aronson. Want, vond ik, Aronson moest je gehoord hebben, al is het maar eens in je leven.

De leidende figuur
Voor de oorlog ging Aronson alleen op sjabbatmiddag naar Nidche Jisrael Jechanes, omdat men daar tussen mincha en ma’ariev zulke mooie nigoeniem zong.
In de oorlog had hij kans gezien om naar Zwitserland te vluchten. Daar heeft hij zijn al eerder ontloken interesse voor het Oost-Europese Jodendom bij rebbes en chassidiem waarmee hij daar in aanraking kwam, verder verdiept.
Na terugkeer werd Aronson van lieverlee de leidende figuur van Nidche Jisrael Jechanes, de sjoel in de Nieuwe Kerkstraat. Een verenigingssjoel zoals er voor de oorlog tientallen waren in Amsterdam, alleen in de Nieuwe Kerkstraat waren er al verscheidene. Maar met dat verschil dat het de enige sjoel zou zijn die ook een naoorlogs bestaan zou kennen tot de dag vandaag en de enige noesach Sfard-sjoel in Amsterdam en de enige in de Amsterdamse binnenstad. De sjoel was in de late negentiende eeuw als noesach Asjkenaz-sjoel gesticht door Russische emigranten. Velen reisden door naar de Verenigde Staten. Van de blijvers stichtten enkelen het sjoeltje, dat daardoor het Russische sjoeltje werd genoemd. Amsterdammer als Aronson was ergerde hij zich wanneer het het Russensjoeltje werd genoemd. Want een rus is een politieagent in goed Amsterdams.
Door de komst na de Eerste Wereldoorlog van Poolse en andere Oost-Europese Joden met de noesach Sfard-traditie kwam er een druk op de sjoel te staan om ook hen de ruimte te geven voor hun traditie. De sjoel bleef Asjkenaz maar in een tweede minjan, achter de sjoel, werd noesach Sfard geoord. Na de oorlog waren er niet meer genoeg mensen voor twee minjaniem en waren de noesach Sfard-mensen in de meerderheid. Waarop Sfard de norm werd.

Internationale oriëntatie
Aronson ontwikkelde zich na de oorlog in een zeer godsdienstige richting met een internationale oriëntatie. In de Kerkeraad van de Joodse Gemeente Amsterdam vertolkte hij het religieus-gefundeerde geluid. Internationaal was hij sterkt verwant met de Agoedat Israel-beweging. Voor de Europese afdeling was hij de internationaal vertegenwoordiger. Begin september deelden we nog een tafel in het bijlokaal van de Lekstraatsjoel waar Gemore werd geleerd onder leiding van de Rosj Kollel.

Centrumfunctie
Na de oorlog kreeg Nidche Jisrael Jechanes een centrumfunctie. Dr. Aron Neuwirth, een van de voor de oorlog uit Duitsland gevluchte rabbijnen en de vader van Jehoshua Jeshaya Neuwirth (auteur van Shemirat Shabbat Kehilchata) werd tot zijn aliya in 1947 de geestelijk leider van het chewresjoeltje. Neuwirth werd opgevolgd door rav Jacob Katz (auteur van Leket Hakemach Hechadasj). Aronson trok daarna Daniel Kahn aan om de geestelijke leiding op zich te nemen. De uit Denemarken afkomstige Kahn was tot dan korte tijd opperrabbijn van Rotterdam geweest.

Steun verlenen
Ongeveer in dezelfde tijd ontstond het Cheider, een internationaal georiënteerde school op streng-religieuze grondslag. Aronson verleende er zijn steun aan. Steun verlenen aan het streng-religieuze Jodendom deed Aronson zolang zijn financiële mogelijkheden dit toe stonden. Buitenlandse rabbijnen en sjnorrers voor goede doelen wisten de weg naar hem te vinden en werden een welkom onderdak geboden. Zelf trad hij rabbijnen steeds met groot respect tegemoet; ze vertegenwoordigen de Tora, de Leer.

Selichot-nacht
Door de steeds excentrischer ligging van de sjoel, bleef het altijd een uitdaging om minjan bij elkaar te krijgen. Één keer per jaar stroomde het sjoeltje wel vol, en dat was op de eerste nacht van de selichot, de dagen voorafgaand aan Joods Nieuwjaar waarop selichot, smeekgebeden, worden gezegd. In Nederland en West-Europa worden in de week voor Rosj Hasjana en de dagen tot Jom Kippoer de selichot ’s ochtends voorafgaand aan de dienst gezegd. In Oost-Europese kringen begint men de selichot in de nacht van zaterdag op zondag te zeggen. In Nidche Jisrael Jechanes is die traditie door Aronson in 1969 geïntroduceerd (zelfs voor de oorlog werd dit in het Oost-Europese sjoeltje niet gedaan). Uit Buitenveldert en vaak zelfs uit Antwerpen werd een rabbijn gevraagd te komen om een droosje te geven. Daarna startte de dienst, in de meeste jaren geleid door Mosje Krakauer, de sjochet. De laatste jaren ging Aronson voor in de dienst. Op die zaterdagnacht stroomde het sjoeltje jaarlijks vol. Ook de afgelopen eerste nacht van de Selichot. Ik was al bij Bne Akiwa geweest waar de shaliach een enorm inspirerende dienst op de mat had gelegd. Maar toch wilde ik nog daarna naar de Nieuwe Kerkstraat gaan om ook daar de selichot-dienst mee te maken, de selichot-dienst van Aronson. [Nevenstaande foto genomen op Selichot-nacht, 21 september 2019]

Mozes Kwieser
Ik had al een drukke dag achter de rug. ’s Middags had ik een presentatie gegeven in sjoel over de veranderingen in de Loeach. De laatste keer dat er een grote verandering is geweest in de Loeach was in 1937. De opperrabbijnen werden toen geadviseerd door twee natuurkundigen. Een van de twee was Mozes Kwieser. Kwieser? Ik had nooit van zijn naam gehoord. Wie was deze man? In de oorlog vermoord, met zijn moeder en zijn zus. Ze woonden in een huis in de Nieuwe Kerkstraat, niet ver van het Russische sjoeltje dus. Wie zou nog weten wie Mozes Kwieser was. Zijn lichaam opgegaan in rook, zijn naam en zijn persoon …, niemand die het nog weet. ’s Avonds laat liep ik de Nieuwe Kerkstraatsjoel binnen. Zou Aronson het weten. “Mozes Kwieser? Jazeker, hij was leraar aan het Seminarium.” Aronson en ik spraken verder over Mozes Kwieser, natuurkundige, leraar aan het seminarium in de Rapenburgerstraat, medewerker radiologie bij het Nederlands Kanker Instituut in de Sarphatistraat, allebei niet ver van zijn huis. Nog één keer werd er over Mozes Kwieser gesproken. Ik filmde ons gesprek. Enkele minuten later nam hij plaats voor het Omoed, talliet over zijn hoofd, loep voor zijn oog, en zette hij zich aan Asjre om daarmee de selichot in te luiden. Asjre josjewee wetecha – gelukkig zij die zich in Uw huis bevinden.

In wat eens de Amsterdamse Jodenhoek was
De volgende vrijdag voor sjabbat is Dolf Aronson met zijn zoon, zoals iedere vrijdag, naar de Nieuwe Kerkstraat sjoel gegaan. Een uur na aanvang van sjabbat kreeg hij een hartstilstand en was meteen buiten kennis. Hij is overgebracht naar het nabij gelegen OLVG-ziekenhuis en niet meer bij kennis gekomen. De eerste avond Rosj Hasjana na nacht is hij, daar in wat eens de Amsterdamse Jodenhoek was, rustig overleden in aanwezigheid van zijn beide zoons. Dolf Aronson, schakel met het vooroorlogse Amsterdams-religieuze Jodendom en aanhanger van de streng-religieuze Joodse levenssfeer, is op de Olijfberg te Jeruzalem begraven.

Reacties zijn gesloten.