De totstandkoming van een nieuw gebedenboek voor sjabbat en door de week – (Ha)pores en de meest betrouwbare weerspiegeling

Het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap geeft een nieuw gebedenboek uit, een sidoer voor sjabbat en voor door de week, in één band, met als titel: Chemdat Jamiem / Sjesjet Jamiem. Het gebedenboek is geredigeerd en geordend door Ruben Vis. Over de totstandkoming ervan schreef hij een verantwoording, dat in feuilleton-vorm verschijnt. Deze week kijken we naar: is het Hapores of Pores in de laatste beracha voor de amida van vrijdagavond en jomtov-avond? En we gaan op zoek naar gebedenboeken die de meest betrouwbare weerspiegeling vormen van wat ooit de vigerende noesach (gebedstraditie) in Nederland is geweest.
Reageren? Stuur een e-mail naar info@nik.nl
Wil je de nieuwe sidoer aanschaffen? Ga naar WIZO Giftshop

(Ha)pores

Zoals Berger opmerkt citeert Horowitz (p. 163b) de Zohar voor zijn onderbouwing voor hapores in plaats van pores, in de afsluitende beracha van Hasjkivenoe op sjabbat en jomtov. Pores is de traditie van Frankfurt[1] en de schrijfwijze in Machazor Keminhag Ha’asjkenaziem, Venetië, 1600, Seder Tefilot Mikol Hasjana Keminhag K”K Asjkenaziem, Amsterdam, 1711, Korban Mincha, Amsterdam, 1725, Rosj Chodesj Tefilot, Hirtz Levi Rofe en Kosman, Amsterdam, 1745, Seder Hatefilot Mikol Hasjana Keminhag Asjkenaz Im … Techinot, Amsterdam, 1802, uitg. Jochanan Levi Rofe en zoon Benjamin, Rosj Chodesj Tefilot van Van Embden uit 1808, het Amsterdamse TaKPeChet machzor en TaKPeChet sidoer Tikoen Sjabbat (1828), terwijl deze volgens de inleiding van G.I. Polak juist op Tikoen Sjelomo van Salomo Zalman London, en daarmee op Jitschak Luria is gebaseerd. Sidoer Tikoen Sjabbat, TaKPeChet, geeft ook een aantal Luriaanse instructies waaronder het zeggen van Sjier Hasjieriem op ingaande sjabbat, een gedicht opgedragen aan Rabbi Sjimon Bar Jochai direct aansluitend aan Lecha Dodie en te zeggen passages uit de Zohar. Nog in Polak & Mulder, 1838, staat pores. In de latere Nederlandse gebedenboeken (Aresjet Sefatajiem, Wagenaar, Vredenburg, etc.) wordt, waarschijnlijk in navolging van Baer, hapores geschreven; niet pores. Niet alleen Baer, ook Heidenheim schrijft hapores. In een van de weinige opmerkingen in zijn sidoer verwijst hij naar eerdere gebedenboeken en bij hem als laatste maar chronologisch oudste bron, de Zohar.

De meest betrouwbare weerspiegeling

Als we proberen de invloed van de sidoer van Horowitz (Sjela Hakadosj) uit 1717 die in heel Asjkenazisch Europa grote navolging kreeg, te elimineren, kom ik tot de voorzichtige conclusie dat van de door mij bekeken gebedenboeken Venetië, 1600, Seder Tefilot Mikol Hasjana Keminhag K”K Asjkenaziem, Amsterdam, 1711 en Polak & Mulder, 1838 de meest betrouwbare weerspiegeling zijn van wat mogelijk de oorspronkelijke Nederlandse Minhag is geweest. Tot dit rijtje behoort ook Korban Mincha, gedrukt in Amsterdam in 1725, maar alleen als je er ‘doorheen kijkt’ en een belangrijke aanwijzing over dit gebedenboek erbij betrekt. Venetië 1600 heeft op de verschilpunten een sterke Minhag Rheinus identificatie.

Polak & Mulder, het eerste Asjkenazische gebedenboek met Hebreeuws en daarnaast Nederlandse vertaling, uit 1838 dat dus van na Horowitz is, en van na Heidenheim, maar van voor de Baersche sidoer Avodat Jisraël, bevat weinig Safediaans-Kabbalistische uitingen in tegenstelling tot andere publicaties eerder uit Amsterdam.

Korban Mincha (Proops, 1725), waarvan er één exemplaar in een openbare bibliotheek bekend is (NLI, Jeruzalem), lijkt afgaand op de titelomschrijving qua inhoud sterk vergelijkbaar met Tikoen Sjelomo en Tikoen Sjabbat die een Luriaans beïnvloed lijken te zijn. Al in het voorwoord van Korban Mincha wordt verwezen naar Jitschak Luria, ‘der getlicher un heiliger man’. De opname van tikoen sjabbat-gebeden in het boek is daar mee in lijn.

In het algemeen lijkt Korban Mincha uit 1725 sterk op het veertien jaar oudere Amsterdam 1711 gebedenboek, maar dan met een voorwoord, pagina’s instructies voor het gebed, en als meest in het oogspringend verschil is ieder gebedsgedeelte voorzien van een vertaling in het Joods-Duits. Wellicht om de investering terug te verdienen is het boek voor een bredere afzetmarkt, nl. Minhag Polin, afgestemd dan de editie uit 1711.

In het voorwoord van Korban Mincha wordt grote nadruk gelegd op de aandacht die bij het maken van het gebedenboek is uitgegaan naar de correcte spelling. De drukker heeft daarbij de hulp gehad van ‘ansje jechide zera emmet sjel asjkenazim k”k amsterdam’ – individuen, waarachtig voortbrengsel van Asjkenaziem [van] de heilige gemeente Amsterdam. Als ‘k”k’ niet na maar voor ‘asjkenaziem’ zou staan, luidt de vertaling: individuen, waarachtig voortbrengsel van de heilige gemeente van Asjkenaziem Amsterdam. Dit laatste lijkt mij de bedoeling. Op sommige plaatsen wordt nog eens gewezen op de juiste uitspraak, omdat de verkeerde lezing een verkeerde betekenis aan de woorden geeft. Bijvoorbeeld: lees kie le’olam chasdo, zoals er ook staat, en niet, kele’olam chasdo.

In het Sjoelreglement van Amsterdam uit 1814 vinden we een belangrijke aanwijzing over Korban Mincha. Er zijn Sjoelreglementen van 1716, voor de publicatie van Korban Mincha en van 1776. In de editie van 1776 wordt niets vermeld over een bepaald gebedenboek dat de maatstaf is voor de sjoeldiensten. Eerst volgens het sjoelreglement 1815 is Korban Mincha uit 1725 het voorgeschreven gebedenboek. Op de vraag waar de Amsterdamse noesach is terug te vinden zou het antwoord dus moeten luiden: Korban Mincha. Het reglementsartikel maakt wel drie voorbehouden. De zinsnede Goalenoe die in Korban Mincha kleiner staat afgedrukt, wordt niet gezegd; voorafgaand aan Vajhi Binsoa wordt niet gezegd: de tweede zinscombinatie met daarin ‘… al tasteer panecha mimenoe’, in plaats van ‘al beapecha tochichenoe’; en iedere plek waarbij het woord ‘Polin’ staat wordt overgeslagen.

Dat men in 1814 Korban Mincha voorschrijft te hanteren is wel opmerkelijk. Het boek is dan al negentig jaar oud. Zouden er sindsdien geen nieuwere gebedenboeken in Joodse boekdrukhoofdstad Amsterdam zijn verschenen die de lokale noesach aanhouden. En waarom is het in 1814 nodig om aan te geven wat ons gebedenboek is (inclusief drie uitzonderingen in het boek) en in de voorgaande edities van het synagogereglement nog niet. Begon er discussie, twist wellicht, te ontstaan en moest die door opname van een reglementsartikel een halt worden toegeroepen? Het reglementsartikel schrijft ook voor welk machzor en welk selichotboek het onze is. In 1814 woedde de strijd tussen traditionelen en verlichters. Mogelijk dat te bepalen dat een negentig jaar oude editie de maatstaf is, een uiting van de traditionelen is geweest die hun vaandel liefst zo ver mogelijk in het verleden hebben willen plaatsen.

Dat het nu, in 1814, een punt was waar over duidelijkheid moest worden verschaft, kan verklaard worden doordat in 1810 er in Amsterdam een gebedenboek werd gepubliceerd. Dat gebedenboek, nog geen vijf jaar oud dus en waar je van zou verwachten dat het op de dan geldende praktijk is toegesneden, wordt … gepasseerd. Het sjoelreglement grijpt terug op het veel oudere en waarschijnlijk veel minder verkrijgbare Korban Mincha uit 1725.

Samuel Berisch Berenstein was opperrabbijn van Amsterdam 1815-1838. In 1814 waren rabbijn in Amsterdam: R. Aharon ben Zoesman Bachrach ook genoemd R. Aharon Krein; R. Lipman Boechtel, R. Yosef ben R. Uri Hakohen Onderwijzer; Eljakiem Getschlik Wanefrieden; en R. Josef Zanwil[2].

Wanneer we kijken naar de inhoud van deze gebedenboeken dan zien we een aantal overeenkomende afwijkingen. In 1711, Korban Mincha 1725 en in Polak & Mulder, ontbreken de Horowitz-introducties voor bepaalde handelingen, zoals de Jehi ratson na de Hosjanot op Hosjanna Rabba. Ook ontbreken de uitgebreide collectie Tora-teksten te lezen in het begin van het dagelijkse ochtendgebed en het voorvoegsel ha in het woord haporees op vrijdagavond. Verder in Amsterdam, 1711 en 1725: de plaats van de Tora-berachot; de West-Asjkenazische versie van de drie zinnen voor Vajhi Binsoa; Sim Sjalom in de Amida van Mincha lesjabbat. Ook geldt dat in Amsterdam 1711 en 1725 Tov lehodot ontbreekt. In 1711 ontbreekt Go’alenoe, in het Amsterdamse sjoelreglement 1815 zien we dat dit in 1725 weliswaar staat afgedrukt, klein, maar dat het wordt overgeslagen; wat in 1711 en 1725 verder in de tien bekeringsdagen ontbreekt (maar in 1711 niet op Rosj Hasjana en Jom Kippoer in alle tefillot, daar staat het wel): het woordje Kol in Oechetov lechajim tovim bene berietecha, Sjema bij het Ausheben (in 1725 wel, met het opschrift Bepolin); Jehi Ratson … Sjetechadesj. De volgorde in Jechadesjehoe is de afwijkende. Interessant is ook dat de Gemeente daar Baroech … leolam va’ed antwoordt op Barachoe (met een sjeva) en de chazzan dit niet herhaalt, hetgeen eigenlijk is zoals het hoort (als compromis zegt de chazzan het mee met de Gemeente in plaats van het te herhalen)[3]. De invoegingen in Vejiten lecha ontbreken (1711) of staan er met het opschrift dat het in Polin wordt gezegd (1725).

Op een aantal van deze punten wijkt 1810 af. Zo staat Tov lehodot er zonder meer; staat er Oechetov lechajiem toviem kol benee verietecha. Ook is de zinsnede in Retse vimnoechatenoe veranderd van Vejismechoe vecha Jisrael ohave sjemecha in Vejanoechoe vo [niet: ] Jisrael mekadesje sjemecha. De volgorde in Jechadesjehoe is dit keer niet de afwijkende. De Amida-beracha Velamalsjiniem heeft in 1810 een verandering ondergaan vergeleken met de tekst uit 1725. In 1810 is het jom menoecha waar het voordien menoecha is in de Amida van Mincha van sjabbat. In 1725 staat alleen de Asjkenaz-versie van Avinoe Malkenoe erin, in 1810 staat daaraan voorafgaand Avinoe Malkenoe keminhag Polin.

De vraag hoe het kan dat Korban Mincha het standaard gebedenboek zou moeten zijn, terwijl het ogenschijnlijk van Luriaans-mystieke snit is, moet nog worden beantwoord. Een mogelijke verklaring is dat het erop lijkt dat het boek twee gezichten heeft. Wat in sjoel gezamenlijk wordt gezegd is gespeend van vrijwel al het Luriaanse. In de privaat-gebeden is er ruimte voor tikoen-gebeden, voor techinot, jehi ratson– en ribon-gebeden van allerlei soort waarbij soms ook staat aangegeven dat het uitspreken ervan bepaalde resultaten heeft. Mogelijk dat Korban Mincha voor de synagogedienst als de maatstaf kon worden verklaard omdat het voor in sjoel voldeed aan de eisen; wat er thuis mee werd gedaan daar gaat het sjoelreglement niet over.


[1] Minhage Yeshurun 2:6

[2] Lijst Bart Wallet, ongepubliceerd

[3] Zie o.a. Rabbi Shimon Schwab on Prayer

Reacties zijn gesloten.