De totstandkoming van een nieuw gebedenboek voor sjabbat en door de week – Kabbala en mystiek in West-Asjkenaz

Het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap geeft een nieuw gebedenboek uit, een sidoer voor sjabbat en voor door de week, in één band, met als titel: Chemdat Jamiem / Sjesjet Jamiem. Het gebedenboek is geredigeerd en geordend door Ruben Vis. Over de totstandkoming ervan schreef hij een verantwoording, dat in feuilleton-vorm verschijnt. Deze week kijken we naar Kabbala en mystiek in West-Asjkenaz.
Reageren? Stuur een e-mail naar info@nik.nl
Wil je de nieuwe sidoer aanschaffen? Ga naar WIZO Giftshop

Kabbala

Kabbala, Joodse mystiek, heeft in het Nederlandse Jodendom een slechte reuk – gekregen. De episode rondom Sjabtai Tswie heeft in Joods Amsterdam een grote crisis veroorzaakt wat de verklaring zou zijn dat Nederland en Kabbala geen vrienden zijn, terwijl juist vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw drukkers gebeden begonnen in te voegen in de gebedenboeken afkomstig van mystieke en piëtistische gebruiken van de kabbalisten uit Safed (Tsfat).

Heidenheim, Baer en in Nederland auteurs zoals Lutomirski, Mulder, Polak en Van Ameringen, en daarna vooral rector en opperrabbijn dr. J.H. Dünner en zijn leerlingen, zullen in het kader van de emancipatie en mogelijk beïnvloed door de Calvinistische cultuur, er voor hebben gezorgd dat de Nederlands-Joodse liturgie van veel wat op Kabbala is gebaseerd, is ontdaan[1]. Elbogen gaat zelfs zo ver de toevoegingen niet alleen ‘schwere Belastung des religiösen Lebens’ te noemen maar deze ook te bestempelen als ‘einen Hohn auf jeden echten Gottesdienst’[2].

Polak spreekt lovend over Baer in zijn boek over Ijov, Misjle en Tehilim, en Vredenburg zegt Baer te volgen in zijn sidoer[3]. Mulder publiceert in Israëlietisch Jaarboekje 5619 (1858/1859) biografische schetsen over Heidenheim. Polak baseert zijn Seder Tefilat Jeme Hachol oder Wochengebet op Heidenheim en diens sidoer Sapha Berura[4].

Meijer, kleurrijk beeldend: “De zeuvmstuversfille stond aan het begin van een nieuwe fase. Daarin was opruiming gehouden onder talloze, vooral mystieke gebruiken en gebeden. Wat voordien het meest karakteristieke uitmaakte van het joodse leven thuis en in de synagoge, is niet zelden nog alleen in moeilijk achterhaalbare resten aanwezig. De editie van Gabriël Izak (Eisek) Polak werd gestandaardiseerd. En zelfs daarin manifesteerde zich nogmaals een evolutie. Wat aan mystiek aanwezig was, werd stelselmatig geëlimineerd.”[5]

Veel mag dan door Heidenheim en zijn volgers zijn geschrapt of aangepast, daarin zijn zij zeker niet volledig geweest.

Een voorbeeld is het buigen van de chazzan als hij de priesterzegen uitspreekt. De chazzan buigt zijn hoofd wanneer hij Birkat Kohaniem zegt bij vejisjmerècha naar rechts, bij vichoenèka naar links; elècha naar rechts, vejasem lecha naar links, sjalom naar rechts. Zo schrijven diverse negentiende-eeuwse auteurs: Baer, Polak en Parser[6]. Ook de Misjna Beroera (1904), vermeldt dit, en geeft als bron ervoor de Zohar[7]. Dat de Misjna Beroera de Zohar als bron voor dit buigen noemt, hoeft niet te betekenen dat de Zohar de enige bron is; andere, minder als Luriaans gepercipieerde bronnen zouden er ook kunnen zijn.

Parser, 1857: buiginstructies in het uitspreken van de priesterzegen door de voorzanger

Mordechai Recanati (ca. 1250–ca. 1310) citeert de Zohar. De eerste druk van de Zohar stamt uit Mantua, 1558. Het bestuderen en becommentariëren van de Zohar werd gepopulariseerd door de zestiende-eeuwse Kabbalisten uit Safed (Tsfat) zoals Shlomo Alkabets (auteur van Lecha Dodie), Moshe Cordovero, Jitschak Luria en Josef Karo, auteur van Beth Josef en Sjoelchan Aroech en vandaaruit verspreid, ook naar Asjkenaz. Karo gebruikt de Zohar op enkele plaatsen in de Sjoelchan Aroech[8].

Interessant voor de betekenis van de Sjoelchan Aroech en de voor de Asjkenazische wereld bestemde aanvulling erop van Mosje Isserles (ReMA), is David ben Jitschak uit Fulda (ca. 1540-1607)[9]. David stamt uit een familie van Torageleerden die zich bezighouden met Kabbala. Zelf schrijft hij Migdal David (1595), een boek over Kabbala. Maar opvallend is dat het boek geheel gebaseerd is op de mystiek van de Chasside Asjkenaz. Luriaanse mystiek was blijkbaar toen nog onbekend in Duitsland. Een jaar later rond hij David Maskil af, een halachisch handboek. Daarin ontbreekt iedere verwijzing naar Karo of Isserles. Volgens Berkovitz waarschijnlijk omdat deze voorbij gaan aan de uniciteit en het belang van Duitse riten en gebruiken. Ook Davids leraar Chaim ben Betsalel Friedberg was gekant tegen codices (zie Ter inleiding).

Wat ook de storm heeft doorstaan is Kabbalat Sjabbat – de psalmen en Lecha Dodi ter introductie van het vrijdagavondgebed[10]. Dit voorportaal van de vrijdagavonddienst is zo niet door Safediaanse kabbalisten als Mozes Cordovero, Salomo Alkabets, Isaac Luria en Joseph Karo geïntroduceerd dan wel door de leerlingen van Cordovero. Het zeggen ervan was redelijk nieuw toen Heidenheim zijn eerste gebedenboek publiceerde[11]. Nog in Machazor Keminhag Ha’asjkenaziem van de chazzan Isaac ben Jacob Yozvel Segal uit Herrlisheim (Venetië, 1600) ontbreekt Kabbalat Sjabbat. In Hadrat Kodesj dat in het Machazor staat afgedrukt staat dat er enkele sjoels zijn waar voor Barachoe men Mizmor Sjier Lejom Hasjabbat zegt[12]. Maar niet meer dan dat.

Pas sinds 1631 (27 Sivan 5391) werd het voor het eerst in Worms gezegd[13]. Maar zowel in Worms als in Frankfurt (waar het al in of voor 1629 werd gezegd) lijkt het te gaan om zgn. Kabbalat Sjabbat Chewres, kleine informele groepen die voor dat de sjoeldienst op vrijdagavond begon, in sjoel bijeen kwamen om Kabbalat Sjabbat te zeggen. Ook Magen Awraham (SA OC 132:2) spreekt over chewra sjel kabbalat sjabbat. Volgens Maarsen[14] is het gebruik nooit in Worms geformaliseerd en is het op een gegeven moment zelfs gestaakt. Berger suggereert op basis van een opmerking van rabbi Benjamin Hamburger in diens bezorging van Minhage Warmaiza, dat dit is gebeurd mogelijk omdat de leden van de chewre waren verhuisd, waren gestorven of omdat de kehilla in 1689 werd verwoest.

De eerste keer dat Kabbalat Sjabbat in een Nederlands gebedenboek is afgedrukt is in Tefilot Mikol Hasjana Keminhag Asjkenaziem, drukker: Immanuel Benveniste, met instructies in Jiddisj en Hebreeuws, Amsterdam, 1646[15].

De reden dat Lecha Dodie nog steeds vanaf de bima wordt gezongen en niet voor het Amoed is om aan te geven dat het geen origineel onderdeel uitmaakt van de dienst.


[1] Jaap Meijer, Erfenis der Emancipatie

[2] Ismar Elbogen, Der jüdische Gottesdienst in seiner geschichtlichen Entwicklung, p. 391

[3] J. Vredenburg, Voorwoord p. I, Tefilat Jisraël, Volledig gebedenboek der Nederlandsche Israëlieten voor het geheele jaar: “Wat den Hebreeuwschen tekst betreft, is Bär’s Avodat Jisraël tot grondslag gekozen, zonder daarom slaafs te zijn gevolgd. Waar zijne veranderingen in punctuatie enz. mij niet voldoende schenen vast te staan, behield ik liever de vroegere lezingen, vooral waar het passages gold, waarbij de oude lezing, doordien zij luide wordt voorgedragen, geacht mag worden burgerrecht te hebben verkregen.”

[4] Gabriel Polak, Seder Tefilat Jeme Hachol oder Wochengebet, Inleiding 1e pag.

[5] Jaap Meijer, Tolk van ’t Olle Volk, Joods Supplement op het Nieuw Groninger Woordenboek van K. ter Laan, p. 28, Heemstede, 1984

[6] Polak, 1828, p. 6; 1842, 1852, p. 20a; Parser, Seder Tefilot Lechol Hasjana p. 20; Parser, seder Tefilat Jom Kipoer Katan, p. 24, Amsterdam, 1855; Avodat Jisraël, instructies, p. 18-19

[7] Misjna Beroera, OCh, 127

[8] SA OCh, 4

[9] Eric Zimmer, R. David b. Isaac of Fulda: The Trials and Tribulations of a Sixteenth Century German Rabbi, in Jewish Social Studies, Vol. 45, no. 3/4, 1983 p. 217-232; Jay R. Berkovitz, Jewish Law and Ritual in Early Modern Germany

[10] Chemdat Jamiem, p. 14; Zie: Issues and Developments in the Liturgy of Ashkenaz during the Sixteenth and Seventeenth Centuries: The Arvit Service, Kenneth E. Berger, diss., Jewish Theological Seminary, 2006, h. 8, p. 165 e.v.; Tradition, Interpretation, and Change, Developments in the Liturgy of Medieval and Early Modern Ashkenaz, Kenneth E. Berger, p. 237 e.v., 2019

[11] In 1800 zijn eerste Machzor, in 1806 zijn sidoer Sapha Beroera.

Aryeh Leib Breslau, opperrabbijn van Rotterdam, schrijft een aanbeveling die voorin het Pesach-machzor van 1800 is afgedrukt. Hausdorff vermeldt in Jizkor deze aanbeveling en citeert er ook uit. Het machzor van Heidenheim is ook ruim beschikbaar want veel herdrukt. Efraim Fishel Roitman, vermeldt enkele door Breslau gegeven aanbevelingen maar deze haskama niet [“ve’od haskamot rabot sjelo higioe lejadenoe – en vele andere aanbevelingen die niet in onze handen terecht zijngekomen.”] Mogelijk dat de signatuur die Heidenheim heeft of wordt toegedicht, voor Roitman bezwaarlijk is. Toledot Rabenoe in Pene Arye Hasjalem, p. 280, Jeruzalem, 2010

[12] P. 325

[13] Scheinberg, h. 6, noot 29: Avodat Jisraël, inleiding, op basis van Minhage Warmaisa, noot op p. 41

[14] Isaac Maarsen, Kabbalat Sjabbat, bikoret historit, in: Jeschurun, Monatsschrift …, 1922, p. 85-86

[15] Ets Haim, kast 23; Berger: “Siddur Amsterdam 1649 is primarily Ashkenazic, but it is more of a hybrid than the others. The absence of both Ein khamokha and hamalakh hago’el oti establishes its Ashkenazic credentials. However, it also includes tov lehodot and both versions of the intro to Vayhi Binsoa, and it has the Torah blessings early in birkhot hashahar.”

Mystiek in West-Asjkenaz

In West-Asjkenaz speelde mystiek wel degelijk een rol. De Chasside Asjkenaz waaronder Elazar van Worms hielden zich bezig met mystiek. Hetzelfde geldt vierhonderd jaar later voor Jacob Ettlinger (1798-1871), de grondlegger van de neo-orthodoxie, die door zijn vader Aaron Ettlinger (1768-1849), Klausrabbiner in Karlsruhe, en door zijn leraar Abraham Bing bekend werd gemaakt met de joodse mystiek. Bing was daar op zijn beurt toe geïntroduceerd door de excentrieke Kabbalist Nathan Adler in Frankfurt[15].

Scheinberg besteedt een van zijn acht hoofdstukken aan de rol van Kabbala in de Seder Avodat Jisraël sidoer. Baer vindt het in een gebedenboek opnemen van op Kabbala gebaseerde gebeden geen goede zaak en zegt dat het zeggen ervan niet is zoals het hoort voor iemand die niet thuis is bechadre cheen penima, in het binnenste van de kamers van genade. Met andere woorden: de gewone man die niet thuis is in Kabbala, zegt deze gebeden zonder te begrijpen wat hij zegt en daarom horen ze niet thuis in een gebedenboek dat voor iedereen bestemd is[16]. Baer gebruikt een uitdrukking die ook is te vinden in BT Chagiga 18a “Eén lánoe osek benistarot”- we houden ons niet bezig met geheimzinnige leringen, om te beargumenteren dat Kabbala geen of zo min mogelijk plaats heeft in zijn sidoer[17].

Als we proberen de invloed van de sidoer van Horowitz uit 1717 die in heel Asjkenazisch Europa grote navolging kreeg, te elimineren, kom ik tot de voorzichtige conclusie dat van de door mij bekeken gebedenboeken Venetië, 1600 en Polak & Mulder, 1838 de meest betrouwbare weerspiegeling zijn van wat mogelijk de oorspronkelijke Nederlandse Minhag is geweest. Venetië 1600 heeft op de verschilpunten een sterke Minhag Rheinus identificatie. Polak & Mulder, 1838 dat dus van na Horowitz is, bevat weinig Kabbalistische uitingen in tegenstelling tot de publicaties eerder uit Amsterdam, waaronder het volgens het sjoelreglement voorgeschreven gebedenboek Korban Mincha uit 1725. Zo ontbreken in Polak & Mulder de Kabbalistische Horowitz-introducties voor bepaalde handelingen zoals het aan doen van het talliet en de tefillien, het Omer-tellen en het Loelav-bensjen, de uitgebreide collectie Tora-teksten te lezen in het begin van het dagelijkse ochtendgebed en het voorvoegsel ha in het woord haporees op vrijdagavond.


[1] Jaap Meijer, Erfenis der Emancipatie

[2] J. Vredenburg, Voorwoord p. I, Tefilat Jisraël, Volledig gebedenboek der Nederlandsche Israëlieten voor het geheele jaar: “Wat den Hebreeuwschen tekst betreft, is Bär’s Avodat Jisraël tot grondslag gekozen, zonder daarom slaafs te zijn gevolgd. Waar zijne veranderingen in punctuatie enz. mij niet voldoende schenen vast te staan, behield ik liever de vroegere lezingen, vooral waar het passages gold, waarbij de oude lezing, doordien zij luide wordt voorgedragen, geacht mag worden burgerrecht te hebben verkregen.”

[3] Gabriel Polak, Seder Tefilat Jeme Hachol oder Wochengebet, Inleiding 1e pag.

[4] Jaap Meijer, Tolk van ’t Olle Volk, Joods Supplement op het Nieuw Groninger Woordenboek van K. ter Laan, p. 28, Heemstede, 1984

[5] Polak, 1828, p. 6; 1842, 1852, p. 20a; Parser, Seder Tefilot Lechol Hasjana p. 20; Parser, seder Tefilat Jom Kipoer Katan, p. 24, Amsterdam, 1855; Avodat Jisraël, instructies, p. 18-19

[6] Misjna Beroera, OCh, 127

[7] SA OCh, 4

[8] Eric Zimmer, R. David b. Isaac of Fulda: The Trials and Tribulations of a Sixteenth Century German Rabbi, in Jewish Social Studies, Vol. 45, no. 3/4, 1983 p. 217-232; Jay R. Berkovitz, Jewish Law and Ritual in Early Modern Germany

[9] Chemdat Jamiem, p. 14; Zie: Issues and Developments in the Liturgy of Ashkenaz during the Sixteenth and Seventeenth Centuries: The Arvit Service, Kenneth E. Berger, diss., Jewish Theological Seminary, 2006, h. 8, p. 165 e.v.; Tradition, Interpretation, and Change, Developments in the Liturgy of Medieval and Early Modern Ashkenaz, Kenneth E. Berger, p. 237 e.v., 2019

[10] In 1800 zijn eerste Machzor, in 1806 zijn sidoer Sapha Beroera.

Aryeh Leib Breslau, opperrabbijn van Rotterdam, schrijft een aanbeveling die voorin het Pesach-machzor van 1800 is afgedrukt. Hausdorff vermeldt in Jizkor deze aanbeveling en citeert er ook uit. Het machzor van Heidenheim is ook ruim beschikbaar want veel herdrukt. Efraim Fishel Roitman, vermeldt enkele door Breslau gegeven aanbevelingen maar deze haskama niet [“ve’od haskamot rabot sjelo higioe lejadenoe – en vele andere aanbevelingen die niet in onze handen terecht zijngekomen.”] Mogelijk dat de signatuur die Heidenheim heeft of wordt toegedicht, voor Roitman bezwaarlijk is. Toledot Rabenoe in Pene Arye Hasjalem, p. 280, Jeruzalem, 2010

[11] P. 325

[12] Scheinberg, h. 6, noot 29: Avodat Jisraël, inleiding, op basis van Minhage Warmaisa, noot op p. 41

[13] Isaac Maarsen, Kabbalat Sjabbat, bikoret historit, in: Jeschurun, Monatsschrift …, 1922, p. 85-86

[14] Ets Haim, kast 23; Berger: “Siddur Amsterdam 1649 is primarily Ashkenazic, but it is more of a hybrid than the others. The absence of both Ein khamokha and hamalakh hago’el oti establishes its Ashkenazic credentials. However, it also includes tov lehodot and both versions of the intro to Vayhi Binsoa, and it has the Torah blessings early in birkhot hashahar.”

[15]The blending of Talmudism and Kabbalah was to remain a distinguishing feature of Jacob’s own scholarship. Ettlinger’s work is replete with references to Kabbalistic sources.” Jacob Ettlinger, his life and works: The Emergence of Modern Orthodoxy in Germany, Judith Bleich, diss., New York University, p. 15, 1974

[16] Avodat Jisraël, p. 367

[17] Avodat Jisraël, p. 198

Reacties zijn gesloten.