De totstandkoming van een nieuw gebedenboek voor sjabbat en door de week – Nederlandse minhag in het buitenland

Het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap geeft een nieuw gebedenboek uit, een sidoer voor sjabbat en voor door de week, in één band, met als titel: Chemdat Jamiem / Sjesjet Jamiem. Het gebedenboek is geredigeerd en geordend door Ruben Vis. Over de totstandkoming ervan schreef hij een verantwoording, dat in feuilleton-vorm verschijnt. Deze week kijken we naar de Nederlandse minhag in het buitenland.
Reageren? Stuur een e-mail naar info@nik.nl
Wil je de nieuwe sidoer aanschaffen? Ga naar WIZO Giftshop.

Nederlandse minhag in het buitenland

Zoals Polak en Mulder het werk van Heidenheim en Baer in Nederland navolgden, zo werd hun arbeid ook weer geëxporteerd. In dit geval niet slechts over een gezamenlijke landsgrens heen maar veel verder, naar een ander continent.

In de Verenigde Staten hadden zich Asjkenazische emigranten gevestigd waaronder ook een verhoudingsgewijs groot contingent dat uit Nederland afkomstig was. Joden vormden tussen 1800 en 1880 in Nederland minder dan twee procent van de bevolking maar daarentegen bijna tien procent van de emigrées naar de VS. Voordat protestanten en katholieken in de negentiende eeuw vanuit Nederland naar de VS trokken, emigreerden al verhoudingsgewijs grote groepen joden naar de nieuwe wereld waar zij zich vooral vestigden in een aantal steden.

In New York, Philadelphia en Boston stichtten de Nederlanders zelfs eigen sjoels. Die Hollander sjoels hebben bestaan vanaf 1847. Ze hielden uiteindelijk geen stand door de overweldiging van andere meest Duitse Asjkenazische groepen en door de snelle assimilatie in de Amerikaanse maatschappij – veelal al binnen twee à drie generaties. Ook de Tree of Life synagoge in Pittsburgh, in 2018 doelwit was van een verschrikkelijke aanslag, is als Etz Chayim synagoge mede door Nederlanders opgericht, als afscheiding van de Rodeph Shalom synagoge die de Conservative signatuur aannam.

Een Joodse Gemeente te Philadelphia met de Nederlandse minhag
Weekblad voor Israëlieten, 4 september 1857

Er heeft dus gedurende bijna de hele tweede helft van de negentiende eeuw een emigrantengemeenschap van Nederlandse Joden bestaan met hun eigen Nederlands-Joodse gebruiken met het Nederlands-Jiddisch als voertaal[1], en met sjoels waarin zij de minhag Amsterdam beoogden aan te houden. Dit laatste zou betekenen dat de gebedenboeken en Pentateuch-uitgaven van Polak en van Mulder ook in de Verenigde Staten terecht zijn gekomen en daar als de maatstaf in sjoels zijn gebruikt. Geestelijk leiders of voorgangers van deze sjoelgemeenschappen waren diverse ex-Nederlanders, die soms speciaal vanuit Amsterdam werden aangetrokken[2].

Veel Nederlandse Joden die zich in de negentiende eeuw in de VS vestigden, waren eerst uit economische motieven naar Londen vertrokken. In 1853 stichtten zo’n vijftig hoofden van naar Londen geëmigreerde Nederlands-Joodse gezinnen, voornamelijk Amsterdamse sigarenmakers, diamantslijpers en hoedenmakers, een chewresjoel in de East End die bekend kwam te staan als de Dutch Congregation. De in totaal zo’n duizend Nederlandse Joden weigerden zich aan te sluiten bij bestaande sjoels. Zij wilden hun eigen gebruiken en tradities handhaven – iets wat ook het motief was voor de oprichting van Hollander sjoels in de VS. De sjoel in Sandys Row bestaat nog steeds maar heeft haar Nederlandse karakter al heel lang verloren, en is opgegaan in de Anglo-Joodse gebedstraditie.

Antwerpen heeft nog steeds een Hollandse sjoel, een imposant gebouw uit 1893 waar exemplaren van de Aresjet Sefatajiem/Siach Jitschak in sjoelkastjes liggen. Een Asjkenazische kehilla kwam in Antwerpen eerst in 1816 van de grond, door vanuit Noord-Nederland afkomstige Joden. Het heeft uiteindelijk tot de bouw van de Hollandse sjoel geleid.

In de koloniën moet de Nederlandse noesach ook geplant zijn geweest. Zowel in Suriname als in Nederlands-Indië waren Nederlands-Asjkenazische sjoels waar Hollandse tefilles stuk zijn geoord[3].


[1] Dit zegt mogelijk iets over het sociale milieu waaruit zij in Nederland afkomstig waren, alhoewel ook in gegoede kringen nog Jiddisj werd gesproken. Bij de installatie van Isaac Heymann op 8 juni 1856 tot nieuwe oppervoorzanger in Amsterdam werd hij door M.I. Goudsmit, vice-voorzitter van het Kerkbestuur van de Hoofdsynagoge, in het Jiddisch toegesproken. De toespraak, in Hebreeuwse karakters is bewaard gebleven. Dat de vice-voorzitter sprak en niet de voorzitter, kan betekenen dat hij nog wel het Jiddisch beheerste maar de voorzitter niet meer. Zie: Bijlage II Documenten in de envelop van Tajtelbaum aan het NIK uit 1980, in: ‘En omtrent Joseph zei hij: zijn land is door God gezegend’, de bewijzen van Joseph Hirsch Dünners geleerdheid eindelijk boven water, Ruben Vis, nog ongepubliceerd. Een verkorte versie is gepubliceerd in: Bitachon Amsterdam, Liber Amicorum voor A.M. Aronson, 2019

[2] Robert P. Swierenga, Dutch Jewish Immigration and Religious Life in the Nineteenth Century, in: American Jewish History, Vol. 80-1, 1990, p 56-73; Swierenga, The Forerunners, Dutch Jewry in the North American Diaspora, 1994. Swierenga heeft niet bevestigd gekregen dat het om voor hun examen geslaagde godsdienstonderwijzers gaat. Ook Henny van het Hoofd in het kader van haar promotieonderzoek naar joods onderwijs, heeft de namen die Swierenga noemt, evenmin als de aan Sandys Row in Londen verbonden voorganger Fontyn, niet kunnen plaatsen als bevoegde godsdienstonderwijzers of studenten aan het Nederlands Israëlietisch Seminarium.

[3] Voor de oorlog was er een leraar B.J. Stein in Rotterdam, (1883 – Sobibor, 7 mei 1943), die kinderen lesgaf en over een uitelkaar gevallen gebedenboek zei: ‘stukgeoord, die tefille is stukgeoord” [oren = een nog maar weinig gebezigde uitdrukking voor bidden, tegenwoordig zegt men veelal dawwenen]. De uitdrukking is hier gebruikt om de naam van een Sjoaslachtoffer te kunnen noemen en hem en zijn uitdrukking een heel klein beetje aan de vergetelheid te ontrukken. Maar het is ook ietwat cynisch gebruikt omdat het veelal niet de trouwste sjoelgangers onder de Nederlandse Asjkenazim waren die zich in de koloniën vestigden, zie: https://www.nik.nl/2013/06/nederlandse-sjoel-op-java-afgebroken/.

Reacties zijn gesloten.