Rabbi Shlomo Halberstam, de Bobover Rebbe, auteur van een Kina voor Tisja Beav

Voor de avonddienst van Tisja Beav heeft het NIK een boekje gepubliceerd dat HIER is te downloaden. Daarin staan het avondgebed, de megillat Echa die ’s avonds wordt gezegd en nog enkele Kinot- treurgedichten. De laatste Kina (blz. 36-37), treurgedicht, gaat over de Sjoa en is geschreven door Rabbi Shlomo Halberstam, de Rebbe van Bobov, die in 2000, op rosj chodesj Av overleed.

Rabbi Shlomo werd in 1907 in Bobov geboren. Bobov is de naam die de joden gaven aan hun woonplaats Bobova, in Galicië in het zuiden van Polen. Zijn vader Bentsion, was de Bobover Rebbe, zoon van de eerste Bobover Rebbe, die ook Shlomo heette die op zijn beurt een zoon was van Rabbi Meir Natan, zoon van de Divre Chaim van Sanz, de eerste Rebbe van Sanz.

Gedurende de Eerste Wereldoorlog, in 1915, verplaatste Shlomo’s vader zijn huis naar Wenen, vandaar vestigde hij zich in Marienbad in Tsjechoslowakije. Na drie jaar keerde het gezin terug naar Bobov. Shlomo trouwde met een dochter van zijn oom. In 1931 besloot Rebbe Bentsion Bobov te verlaten en vestigde zich in Trzebinia (in het Jiddisch: Tshebin) zo’n 170 kilometer westwaarts, ook in het zuiden van Polen. Shlomo werd in het rabbinale werk betrokken en als zijn plaatsvervanger in Bobov aangewezen. Daar gaf hij ook leiding aan de jesjiva en aan de chassidiem die zich over heel Galicië en daarbuiten verspreidden. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog waren er meer dan zestig filialen van de Bobover jesjiva, verspreid over Polen.

Na de inval van de nazi’s in september 1939 vluchtte Rebbe Bentsion met zijn gezin richting Roemenië en Rusland totdat zij uiteindelijk in Lemberg (thans: Lviv in Oekraïne) terecht kwamen. Daar onder het nazi-regime stierf Rebbe Bentsion evenals een zoon Rabbi Moshe Aharon en drie schoonzonen, op 4 Av 1941. Op die dag werden meer dan 20.000 joden geëxecuteerd in het Yanover woud. Zijn familie werd grotendeels omgebracht in de volgende jaren van de Sjoa. Rabbi Shlomo slaagde erin te vluchten, samen met een jonge zoon, Naftali Tsvi, in de richting van Hongarije. Zijn vrouw en twee andere kinderen werden vermoord. In Hongarije zwierf Rabbi Shlomo met zijn zoon van plaats naar plaats totdat hij erin slaagde de grens met Roemenië over te steken. In de hoofdstad Boekarest kon hij zich verborgen houden tot het einde van de oorlog. Gedurende de oorlog zou hij verzetsdaden hebben gepleegd, waaronder de smokkel van joodse kinderen. Zijn eigen zoon wist hij naar het Britse mandaatgebied Palestina te krijgen. Na de oorlog werden vader en zoon herenigd.

In het voorjaar van 1946 kwam de Bobover Rebbe aan in de Verenigde Staten. Hij was alles kwijt, zijn gezin, zijn familie, zijn instituties, zijn bibliotheek en zijn bezittingen. Van de duizenden Bobover chassidim waren er nog maar zo’n driehonderd over. Rebbe Shlomo hertrouwde en bouwde in New York het Bobov chassidisme opnieuw op. Toen hij in 2000 overleed was zijn aanhang vele malen groter zelfs dan in de vooroorlogse periode. De Britse krant The Guardian besteedde in een artikel aandacht aan zijn overlijden en meldde dat er op dat moment wereldwijd meer dan 120.000 Bobover chassidim waren. Dit moet nu, weer twintig jaar later en gelet op de vaak enorme gezinsgrootte bij chassidim, ruim boven de 300.000 liggen. Tegenwoordig zijn er Bobover centra in en om New York, Montreal en Toronto, Londen, Antwerpen en in verschillende steden in Israel.
Rebbe Shlomo was een charismatisch leider die bekend stond als een geniaal Talmoedist en als een man gericht op vrede. Daarin werd hij vaak vergeleken met Aharon Hakohen, Aharon de hoge priester, de broer van Mosjee Rabbenoe. Shlomo stierf op dezelfde dag als zijn grote voorbeeld Aharon.

De Bobover Rebbe schreef de Kina over de Sjoa in 1984. Waarom niet eerder? Toen de Rebbe werd gevraagd voor toestemming om zijn Kina met vertaling op te nemen in een uitgave van Artsscroll voor Tisja Beav zei de Rebbe het volgende.
“Jarenlang had ik het verlangen om in een speciale Kina mijn verdriet te uiten over mijn persoonlijk verlies en het verlies van Klal Jisrael. Maar ik aarzelde. Ik voelde dat om een Kina samen te stellen men op het verheven niveau van R’ Elazar HaKalir moet zijn, de auteur van veel Kinot en andere synagogale poëzie. Hij schreef met Roeach HaKodesj, met Goddelijke inspiratie. Bovendien was hij een meester in Kabbalistische geheimen en kende de mystieke formules. Toch vroegen veel chassidim mij om een middel om hun persoonlijk verdriet in woorden tot uitdrukking te brengen op deze bittere dag, maar ik weerhield me ervan om iets te dichten; ik voelde mij te onwaardig.”

“Op een dag bestudeerde ik de voorschriften van Tisja Beav in het boek Seder HaJom [door Rabbi Mosje ben Jehoeda Makir, Rosj Jesjiva in Safed, een collega van de Arizal en Rabbi Josef Karo]. Hij schrijft als volgt:”
Wie op deze dag kan jammeren, zou dat moeten doen en wie Kinot kan reciteren moet Kinot reciteren: ofwel de Kinot die al in de heilige boeken staan, of Kinot die hij zelf heeft gecomponeerd met de geestelijke capaciteiten die God hem heeft gegeven. Iemand die dit doet, wordt als zeer rechtvaardig beschouwd en is het waard beschreven te worden als één van hen die over Jeruzalem rouwen en als één van haar heilige mannen.

“Toen ik dit las, zag ik het als een duidelijke aanwijzing uit de hemel dat het moment was gekomen dat ik een Kina zou schrijven over de laatste Choerban (verwoesting). De Seder Hajom zegt dat iedereen zijn eigen gevoelens moet uiten in zijn zelf geschreven Kina.”

Reacties zijn gesloten.