Hoort het zesde Maoz Tsoer-couplet er wel of niet bij?

Maoz Tsoer, het lied dat we na het aansteken van de Chanoekia zingen, bestaat uit zes coupletten, of zijn het er oorspronkelijk maar vijf? Om te begrijpen waarom het zesde couplet er wel of niet bij zou horen moet je oog hebben voor de timing. Wanneer ontstond de discussie over de authenticiteit van het zesde couplet?

Ruben Vis

Biddend en niet vertellend

Het laatste couplet van Maoz Tsoer begint met de woorden Chasof Zeroa Kodsjecha. De Duitse laat negentiende-eeuwse Tefilla-redacteur Seligman Baer meent dat Chasof Zeroa later aan het Maoz Tsoer-gedicht zou zijn toegevoegd. Het hoort er dus niet bij, vindt Baer. Hij heeft het dan ook niet in de gewone tekst afgedrukt, maar vermeldt het in de kleine lettertjes van zijn commentaar onderaan de bladzijde van zijn Sidoer Avodat Israel. De Amsterdamse opperrabbijn Mayer Just wijst er in een artikel dat hij in de jaren ’60 schreef voor het Bne Akiwa-blad Zeraim op dat het zesde couplet zich van de eerste vijf onderscheidt omdat het ‘biddend’ is, en niet ‘vertellend’. De eerste vijf coupletten van Maoz Tsoer gaan over verschillende tijden van onderdrukking; door de Babyloniërs, Grieken en ten tijde van Haman bijvoorbeeld; gebeurtenissen uit het verleden. Rav Just: “Deze strofe gaat uit van het heden en smeekt G’d om hulp uit de actuele nood.” Hij verwerpt de mening die Baer brengt dat het zesde couplet niet tot het oorspronkelijke lied zou behoren en er later bij is gemaakt.

Just: “… men in sommige tijdvakken en landen de inhoud niet meer passend vond en daarom deze strofe wilde weglaten. Deze behoorde ongetwijfeld ook bij het lied, ook al stond het niet in de in Duitsland vanaf de emancipatieperiode gedrukte sidoeriem.” Opperrabbijn Wagenaar, in navolging van Baer, maakt in zijn sidoer typografisch duidelijk dat het laatste couplet niet bij het oorspronkelijke lied hoort. Op youtube staat een opname van een Chanoekadienst in de synagoge IGB te Bazel, waar chazzan Issachar Heilman (sinds begin jaren ’90 chazzan van Bazel) en het koor Maoz Tsoer zingen. Het Chasof Zeroa-couplet laten ze weg.

Kwaadaardige natie

De Maoz Tsoer-tekst kenmerkt zich door een acrostichon. De eerste letter van ieder van de eerste vijf coupletten vormen samen een woord: Mordechai. Rav Just ziet in het feit dat in het zesde couplet in de eerste drie woorden het woord chazak kan worden gevormd juist een bewijs dat het zesde onderdeel van Maoz Tsoer authentiek is:

“… het bij onze Middeleeuwse godsdienstdichters een gewoonte was om in hun gedichten niet alleen hun naam maar ook het woord chazak – sterk – in te vlechten. Zo heeft Mordechai, de maker van ons lied, na zijn eigen naam (in de beginletters van de eerste vijf strofen) het woord chazak in de beginletters van de eerste drie woorden van deze laatste strofe gevormd: ‘Chassof Zeroa Kodsjecha’.

We kunnen gemakkelijk de verklaring vinden waarom Duitse of andere West-Europese Joden deze strofe als gedateerd zagen, of zelfs niet authentiek, en haar daarom wilden weglaten. De strofe spreekt namelijk van een ‘oema’ of ‘malchoet haresja’a’– ‘een kwaardaardige natie’. En dit staat niet in de verleden tijd, maar in de tegenwoordige tijd! Ze smeekt om nekama – wraak op de natie voor het vergieten van Joods bloed. De auteur van het lied, Rabbi Mordechai, had alle redenen om de woorden Nekom nikmat dam awadecha me’oema haresja’a in zijn lied te zetten. Dit betekent: ‘Neem wraak op het kwaardaardige volk, omwille van het vergoten bloed van diegenen die U dienen’. Hij leefde namelijk in de tijd van de kruistochten toen in Mainz (om slechts één van de plaatsen te noemen waar toen Joods bloed vloeide, in de naam van de christelijke religie) temidden van vele anderen ook leden van zijn familie omgekomen zouden zijn.

Ten tijde van de emancipatie van de Joden in West-Europa dacht men dat de woorden uit de genoemde strofe verouderd waren. Men leefde in de veronderstelling dat in de nieuwe ‘lichtvolle periode’ Joden voorgoed verlost waren van vervolgingen. Daarom is deze strofe hetzij weggelaten, hetzij aangepast in de verschillende uitgaven van de sidoer in de West-Europese landen. Dat de Nederlandse Joden nog steeds de zesde strofe zingen mag hier met genoegen worden vermeld.”

Vervolgens vergelijkt Just de gebedenboeken van Vredenburg en Wagenaar. Just: “Rabbijn Vredenburg drukt de bewuste strofe af en vertaalt haar ook, maar verandert me’oema haresja’a in mizeediem weharesja’a, dus in plaats van ‘kwaardaardige natie, de ‘boosdoeners en de boosheid’. Rabbijn Wagenaar brengt in zijn sidoer deze strofe zonder vertaling en beweert dat die niet bij het oorspronkelijke lied behoort.”

Feit is dat Vredenburg in 1897 met deze tekstaanpassing naar mizeediem weharesja’a voortborduurt op eerdere Nederlandse gebedenboeken zoals Aresjet Sefatajiem uit 1890 en Rosj Chodesj Tefillot van Gabriel Eizek Polak uit 1852. In Rosj Chodesj Tefillot Amsterdam 1808 is het nog wel me’oema haresja’a. In ieder geval staat daar het zesde couplet steeds vermeld. Gabriel Izak Polak was geen rabbijn. Joel Vredenburg en Lion Wagenaar waren dat wel. Mogelijk vond Just een oordeel over wat Polak had vervaardigd daarom niet noodzakelijk.

Ontbreekt

In 1832 publiceerde Mozes Lemans een Nederlandse vertaling van het Asjkenazische gebedenboek, overigens zonder de Hebreeuwse tekst. Bij Lemans ontbreekt Maoz Tsoer in zijn gebedenboek-vertaling. Ook in de sidoer van G.I. Polak en S.I. Mulder uit 1838 staat Maoz Tsoer in het geheel niet. In latere Mulder-edities is het wel gedrukt, evenals het Chanoeka-vrijdagavondlied Ezkera Rachamècha van de Amsterdamse sjammasj Leib ben Ozer dat ook is te vinden in Polak (1828, 1842, 1852), Parser, 1856, Vredenburg, 1897 en Wagenaar, 1901 en in Aresjet Sefatajiem pas vanaf 1937. Het lied is niet in Chemdat Jamiem/Sjesjet Jamiem is opgenomen omdat daarin alleen datgene staat dat op sjabbat in sjoel, en niet thuis, wordt gezegd. Vredenburg en de Dordtse godsdienstonderwijzer Barend J. Katan (Besjier Vekol Toda, Gezangen, Lofzeggingen en Gebeden voor vrijdagavond en zaterdagavond, 1940) voegen er het elders in de Asjkenazische wereld ook bekende Ichloe Masjmaniem-lied, ook voor vrijdagavond Chanoeka, aan toe. Zij doen dat in navolging van Rosj Chodesj Tefillot, 1808 dat wel Ichloe Masjmaniem maar Ezkera Rachamècha niet heeft opgenomen.

Wintermaanden

Nog over het boekje van Katan en buiten het bestek van Maoz Tsoer: Katan schrijft dat de zemirot (tafelliederen) van vrijdagavond slechts worden gezongen vanaf sjabbat Beresjiet tot sjabbat Hagadol, dus in de wintermaanden wanneer de vrijdagavonden lang waren. Het is een vrij algemeen toegepast gebruik, maar een andere bron voor dit gebruik dan deze heb ik niet gezien. Ook opvallend: het boekje van Katan bevat geen zemirot voor de sjabbatochtend-maaltijd. Katan geeft voor het ontbreken ook geen verklaring, en dus ook geen instructie voor het bijvoorbeeld uitsluitend in het zomerhalfjaar zingen van deze tafelliederen.

Reacties zijn gesloten.