Maoz Tsoer – De Sterke Rots

Rabbijn Shimon Evers

Het lied dat we zingen na het aansteken van de menora. Het lied beschrijft de ballingschappen van het joodse volk en hoe we daaruit gered zijn. In het laatste couplet kijken we vooruit naar de toekomstige ge’oela, verlossing. Het lied is een acrostichon, waarbij de eerste letter van de vijf coupletten samen de naam van de auteur vormen, Mordechai. Zie hieronder een bewerking in het Nederlands.

Sinds meer dan 19 eeuwen is ons streven,
hopen wij dit te mogen beleven,
dat de tempel in ere wordt hersteld
en het altaar weer wordt opgesteld.
Dankliederen zullen wij voor U zingen,
als de dienst daar weer kan beginnen.

Heel veel hebben onze voorouders geleden
onder alles wat de Egyptenaren hen aandeden.
Na 210 jaar kwam eindelijk de tijd,
dat U ons met sterke hand heeft bevrijd.
De Egyptenaren bleven ons achtervolgen.
De kolkende zee heeft hen echter verzwolgen.

In ballingschap werden wij weggevoerd,
naar Bawel zijn de stammen ontvoerd.
De eerste tempel ging op in vuur en vlam,
waarmee een eind aan deze periode kwam.
Na 70 jaar keerde het volk terug naar zijn land
En herstelde de tempel met vaste hand.

Mordechai de jood liet zich niet overtuigen,
onder geen beding wilde hij voor Haman buigen.
Haman wilde ons volk laten uitroeien.
Maar Mordechai was niet te vermoeien.
Samen met Esther stond hij pal
en bracht de wrede Haman ten val.

Onder Griekse heerschappij werd de tempel besmeurd.
U kent de geschiedenis die toen is gebeurd.
Alle oliën maakten zij onrein en ongeschikt.
Maar G’d had het geheel anders beschikt.
De Makkabeeën streden en hebben gewonnen.
Daarna is het Chanoekawonder begonnen.Nu tot slot hebben wij nog een dringende vraag:
Stuur ons spoedig de langverwachte Mashiach!
Dan komt er eindelijk een eind aan deze nacht:
De Ge’oela waar wij al eeuwen op hebben gewacht,
een tijd van voorspoed en shalom, echte vrede.
Dat is dan geen toekomst meer, maar heden.

Reacties zijn gesloten.