Parasja Wajisjlach 5783

Rabbijn Shimon Evers

Bereesjiet/Genesis 32:4 – 36:43

Het gevecht met de engel

Nadat Ja’akov ruim 20 jaar weg is geweest, keerde hij terug naar het land Kena’an. Een van de meest intrigerende verhalen in de Torah is het gevecht van Ja’akov met de engel. Nadat hij zijn hele familie over de rivier had gezet, ging Ja’akov terug om nog wat kleine kruikjes op te halen. Hij werd geconfronteerd met een engel die de hele nacht met hem vocht tot aan het ochtendgloren. Uiteindelijk kon de engel Ja’akov niet aan en gaf een ruk aan de zijde van Ja’akov waardoor diens heup ontwricht werd en hij mank liep. De engel zegende Ja’akov en gaf Ja’akov een vooraankondiging dat hij een toevoeging aan zijn naam zal krijgen, namelijk de naam Jisrael. De Torah vertelt daarna dat de zon voor hem scheen in de plaats Pni’él.                            

Een joods wettelijk gevolg van dit verhaal is het verbod op het eten van de verwrongen heupspier die in de achtervoet van een dier zit. In sommige landen wordt deze ‘gid hanasjé’  verwijderd uit de achtervoet en wordt de rest van de achtervoet gebruikt. In Nederland is de traditie om de achtervoet in zijn geheel te verkopen aan de niet- koshere slager, waardoor wij alleen vlees eten van de voorvoet.

Al met al een opmerkelijk verhaal dat om toelichting vraagt.

Wie was deze engel?

Waarom wilde hij Ja’akov tegenhouden?

Waarom mogen we de heupspier niet eten?

Waarom ging de zon voor hem schijnen?

De eeuwige strijd

Onze geleerden vertellen dat deze engel de beschermengel van Esav was. De tweelingbroer van Ja’akov, die de personificatie is van het kwaad. Ja’akov is op weg naar Israël, naar zijn bestemming. Op dat moment wordt hij geconfronteerd met deze engel, die hem tegen wil houden. Eigenlijk is dit een voortdurende strijd waarmee wij geconfronteerd worden door de eeuwen heen. Wanneer wij op weg zijn naar het goede, dan worden we geconfronteerd met tegenstand. Soms komt die tegenstand van buiten en soms komt die tegenstand van binnen. En helaas kan het gebeuren dat we getroffen worden, waardoor we mank lopen.

Een positieve boodschap

Maar, daarna scheen de zon voor Ja’akov. Die zon had een helende werking, waardoor Ja’akov hersteld is. Helaas, het joodse volk is in de loop der eeuwen getroffen, waardoor we als het ware mank lopen, maar we hebben het vertrouwen dat we zullen herstellen en niet meer mank zullen lopen.

Daarom is de regel van de verwrongen heupspier een regel geworden voor alle generaties. Het is een regel, waar we hoop uit kunnen putten.

Jisraël

Ja’akov krijgt de naam Jisraël toegevoegd, deze naam betekent dat hij gevochten heeft met mannen en met een engel en dat hij overwonnen heeft. Ook dit is een teken van hoop. Later in deze parasja bevestigt Hashem deze naam Jisraël. Sindsdien wordt het joodse volk genoemd de Bné Jisraël, de kinderen van Jisraël. En aansluitend aan deze naams-bevestiging, geeft Hashem ook de bevestiging dat Hij dit land aan Jisraël en aan zijn nakomelingen geeft. Daarmee heeft het land ook zijn naam gekregen tot de dag van vandaag Erets Jisraël, Het land van Jisraël.                                            Moge het zo zijn, dat net zoals de zon scheen voor Ja’akov, ook voor de Bné Jisraël de zon zal schijnen, zowel in Erets Jisraël als daarbuiten. En iedereen zal daarvan profiteren, zoals Hashem heeft beloofd aan onze aartsvader Awraham: Door jou zullen gezegend worden alle volkeren der aarde.

Reacties zijn gesloten.