Tasjliech – de diepten der wateren doen ons terugkeren tot de Schepper der wereld

Ieder jaar, aan het eind van de eerste dag Rosj Hasjana, na het Mincha-gebed, hebben wij de gewoonte naar een plaats met stromend water te gaan. Daar, aan de waterkant, spreken wij het Tasjliech-gebed uit.
De tekst van deze Tefilla bestaat uit de laatste drie verzen van het boek Micha en de verzen 5 tot 9 van Psalm 118.
Valt de eerste dag Rosj Hasjana op Sjabbat, dan wordt de hele ceremonie naar de tweede dag Rosj Hasjana verplaatst. Dit is de Tasjliech-ceremonie, zoals wij die kennen.

Volgens een mededeling in ,,De Vrijdagavond” (Jaarg. 4, no: 26, 26 elloel 5687/23 september 1927; blijkens het embleem waarmede ,,ondertekend” is, van de hand van de hoofdredacteur, wijlen J. S. da Silva Rosa), zou de veronderstelling gewettigd zijn, dat Chacham Azulai (1727—1806) bij zijn bezoeken, aan Amsterdam gebracht, het gebruik, waarvan in het oude Rosj Hasjana—rituaal der Portugese Gemeente niets blijkt, hier in Sefardische kring heeft geïntroduceerd.
Vroeger werd in Amsterdam veelal tasjliech ,,gemaakt” op het voorplein van de diamantsljperij der firma Boas in de Uilenburgerstraat. In de latere jaren, nadat de trek van de Joodse bevolking naar Amsterdam- Zuid was ingezet, ging men natuurlijk naar andere plaatsen, toen dichter bij huis gelegen.

Gebruiken
Er bestaan echter verschillende variaties op deze gang van zaken. Velen kennen o.a. het gebruik om tijdens de ceremonie brood in het water te gooien om de vissen te voeren. Dit gebruik zou zijn voortgekomen uit de gedachte, de demonen der wateren gunstig te stemmen, opdat zij vervolgens de mensen niet om hun zon- den bij G’d zouden aanklagen. Men geeft daarom de voorkeur aan een watermassa, waarin zich vissen bevinden, en men laat de ceremonie vaak na het middageten in plaats van na het Mincha-gebed plaats hebben om etensresten van de maaltijd mee te kunnen nemen. Het is dan begrijpelijk, dat, indien Rosj Hasjana op Sjabbat valt, onze geleerden waarschuwen geen brood mee te nemen in verband met het draagverbod op Sjabbat. Daaruit vloeit voort, dat sommige geleerden de hele ceremonie naar de tweede dag Rosj Hasjana verschuiven.
Het gebruik om tijdens de Tasjliech-ceremonie de vissen in het water met brood te voeren, zoals hierboven verklaard, kan gemakkelijk tot bijgeloof leiden. Het is daarom begrijpelijk, dat er tijden waren, waarin de Tasjliech-ceremonie werd afgeschaft, uit angst voor bijgeloof.

Betekenis
De eerste geleerde, die officieel melding maakt van het Tasjlich-gebruik is de Maharil. Rabbi Jacob ben Mozes Moelin (1360-1427) tracht in zijn werk “Minhagei Maharil”, de Tasjliech-ceremonie te verklaren met de bekende “Midrasj Tanchoema” (Wajera XXII), waarin Abraham en Isaac op hun weg naar de berg Moria in verband met de “Akeda” door de Satan worden gehinderd in de vorm van een rivier. Als Abraham er tot zijn schouders in staat, roept hij uit: “Verlos mij, oh G’d, want het water is gekomen tot aan de lippen” (Psalm 69:2).
Deze midrasj verhaalt ons: Toen onze aartsvader Abraham heenging, om zijn zoon Izak ten offer te brengen, plaatste Satan zich op zijn weg. Hij nam de vorm aan van een stroom. Deze was zo diep, dat, toen Abraham de stroom doorwaadde, het water hem tot de hals kwam. Op dat ogenblik sloeg Abraham de ogen hemelwaarts, en zei: ,,Heer der wereld, Gij hebt mij uitverkoren, hebt U aan mij geopenbaard en tot mij gezegd”: ,,Door Uw toedoen zal Mijn naam gekend worden in Mijn wereld. En nu: Het water is gestegen tot aan de hals, als ik of mijn zoon Izak ten onder gaat — door wie zal dan nog de eenheid van Uw naam verkondigd worden?” Toen zeide de Heilige, geprezen zij Hij: ,,Zo waar gij leeft, door uw toedoen zal de eenheid van Mijn Naam op aarde worden verkondigd.” Onmiddellijk bracht Gd de stroom tot rust — en Abraham was gered.
Volgens een in Midrasj voorkomende opvatting, heeft, nadat Erets Jisraeel eenmaal de specifieke wijding heeft gekregen, die het door alle tijden heen heeft behouden, buiten het eigen land geen openbaring meer plaatsgehad, dan aan stromend water. Vandaar dat water beschouwd wordt als de geschiktste achtergrond voor een ceremonieel dat in dienst staat van het streven, ontferming te verkrijgen.
Aan de waterkant worden wij opgewekt om zoveel vertrouwen in G’d te tonen, dat wij net als Abraham bereid zijn ons leven volledig in Zijn dienst te stellen.

Rabbi Mozes Isserlis (Rema, 1520-1572) rabbijn en halachist, bekend om zijn Mappa, een commentaar op de “Sjoelchan Aroech” van Josef Karo, geeft in zijn “Torat Ha’ola” een meer rationele betekenis aan de Tasjliech-ceremonie. Bij de diepten van de zee wordt men zich de wonderen der schepping weer bewust. Men wil wederom de Grootheid van G’d erkennen. Men voelt het verlangen om tot volledige inkeer te komen, “Tesjoewa”! Daar, bij de diepten van de zee roept men uit: “Moge U al hun zonden in de diepten der zee werpen! “
Ook voor ons, twintigste-eeuwers, is deze gedachte volkomen aanvaardbaar. Wij behoeven ons maar voor te stellen hoe overweldigend de aanblik van de zee is, die ieder denkend mens weer voor de grote kosmische en religieuze vragen stelt. Waarvandaan? Waarheen? Waartoe? De golven van de zee dwingen als het ware, ons bezig te houden met de vragen: wat is de zin van het voortdurende up and down, van opkomst en verval, bloei en ondergang?
En de Schepper, die wij in het bijzonder op Rosj Hasjana als Koning huldigen, geeft met en door Zijn schepping het antwoord: Evenals het menselijk lot in Gds handen ligt, is al het bewegen der natuur Zijn werk, het werk van Hem, Die ,,alles schiep voor Zijn eer”.

Verder schrijft de Rema, dat men bij het uitspreken van het Tasjliech-gebed naar de vissen in het water zal kijken. Vissen nemen immers een bijzondere plaats in in de dierenwereld. Naar een oude voorstelling zijn zij niet vatbaar voor het Boze Oog. Kijkend naar de vissen hoopt men, dat ook op de mensen geen “Ayin Hara” zal rusten en dat zij zich — als de vissen — zullen mogen vermenigvuldigen.
Rabbi Jesaja Horowitz (1555-1630) rabbijn en kabbalist, bekend om zijn boek “Sjene Loechot Haberit”, geeft nog een andere uitleg voor het gebruik om juist bij een stroom met vissen het Tasjliech-gebed uit te spreken. Hij wijst erop, dat vissen de ogen voortdurend geopend hebben. Door naar de vissen te kijken, worden wij ons wederom bewust, dat het oog van G’d steeds geopend is: “Zie, de Bewaarder van Israel sluimert noch slaapt! “ (Psalm 121:4).
Andere geleerden menen, dat dit gebruik gebaseerd is op de vergelijking van het lot van de mens met het onzekere lot der vissen (Kohelet: 9:12; Spreuken der Vaderen: 3:17).
Rabbi Eliyahu uit Wilna (1720-1 797), beter bekend als de “Wilner Gaon”, ziet geheel van het Tasjliech-gebruik af, waarschijnlijk uit angst voor bijgeloof, vreest hij, dat het Tasjliech-gebruik zou kunnen voeren tot gedachten in strijd met de monotheistische grondbeginselen van het Jodendom.

Conclusie
Hoewel er verschillende betekenissen aan de Tasjliech-ceremonie zijn gegeven, en parallel daarmee verschillende gebruiken zijn ontstaan, ten grondslag liggend aan nu eens een mystieke, dan weer een rationele benadering, doet dit toch geen afbreuk aan de grondbetekenis van de ceremonie: de bezinning.
Door het aandachtig uitspreken der gebeden aan de waterkant, komen wij tot bezinning. De vissen wekken ons op tot het wederom erkennen van het altijd toezien- de Oog van de Eeuwige. De diepten der wateren doen ons terugkeren tot de Schepper der wereld. Wij doen Tesjoewa!

Erla Broekema

Reacties zijn gesloten.