In een tijd dat de discussie over de AOW-leeftijd de spreekwoordelijke voorpagina’s beheerst komt Pesach eraan, en de Sederavond.
Terwijl we bij de Seder vanzelfsprekend vooral denken aan de jeugd, de vier kinderen en het jongste kind dat Ma Nisjtanna zingt, komt ook de oudere aan de orde. Uiteraard in de situatie dat we met grootouders kunnen seideren, maar ook in de tekst van de Haggada komt de oudere aan bod.
In het stukje Avadiem hajinoe, vertellen we dat we slaven waren in Egypte en vandaar zijn bevrijd. En, zegt de Haggada vervolgens, ook al zijn we zeer wijs, hebben we een grote kennis van de Tora, en zijn we zeer oud, dan rust nog steeds op ons de verplichting om te vertellen over de uittocht uit Egypte.
Dat we zeer wijs zijn en toch de plicht hebben om te vertellen over de uittocht uit Egypte, is niet zo vreemd. De wijze zal zich met veel ingewikkelder zaken bezighouden dan datgene wat we ook aan een kind, slecht of goed, eenvoudig of zelfs niet in staat te vragen, kunnen vertellen. Vertellen over de uittocht uit Egypte is op zich niet zo ingewikkeld, daar hoef je niet wijs voor te zijn. Zegt de Haggada: zelfs als je heel wijs bent, en je met veel moeilijker zaken je bezighoudt, dan ook geldt voor jou dat je de plicht hebt om te vertellen over de uittocht uit Egypte.
En hoe zit het met de oudere? Waarom staat er in Avadiem Hajinoe, zelfs als we allen heel oud zijn, dan nog rust op ons de verplichting om oer de uittocht uit Egypte te vertellen? Ook die vraag is goed te beantwoorden.
Allereerst, omdat de oudere misschien zal denken, hoe vaak al niet heb ik aan de Seder gezeten, hoe vaak hebben we dan al niet over de uittocht uit Egypte gesproken. Dus voor mij, op mijn AOW-leeftijd, is het zo zoetjesaan wel mooi geweest. Ik hoef niet meer te Seideren, ik hoef het verhaal over de uittocht uit Egypte niet meer te vertellen, niet meer te bespreken en aan te horen.
Nee, zegt de Haggada. Ook voor jou, u eigenlijk, de oudere, is er die plicht. Ook op die hoge leeftijd.
Het woord oudere is in het Hebreeuws: zakeen. Rabbi Jacob Jehosjoea Falk (Krakau, 1680 - Offenbach, 1756) die rabbijn was in onder meer Lemberg, Berlijn, Metz, Frankfurt en Worms, legt uit dat het woord ‘zakeen’ een afkorting is van Zeh kanaa – degene die heeft verworven. Waarop logischerwijs de vraag is wat het is dat degene, de oudere dus, heeft verworven?
Rabbijn Falk, auteur van Pne Jehosjoa legt uit: Er hoeft niet te worden gezegd wàt hij heeft verworven. Het volstaat om te zeggen “iemand die heeft verworven”. De Zakeen is een van de personen die wijsheid heeft verworven, Tora-wijsheid, net als de andere bezitters van grote kennis in de opsomming aan het einde van dit stuk in de Seder Haggada.
Zeh kanaa – degene die heeft verworven, dat is waar het woord Zakeen voor staat. Waarom hoeft er niet te worden gezegd wàt hij heeft verworven? Omdat de enige blijvende verwerving in deze wereld de Tora is. Al het andere is vergankelijk en vluchtig. De Tora staat voor kennis. Kennis is onvergankelijk. Wie een hoge leeftijd heeft bereikt zal beseffen dat het stoffelijke, het aardse, het materiële uiteindelijk vergankelijk is maar dat kennis van blijvende waarde is. Daarom hoort de Zakeen, de oudere, in het rijtje van profeten, wijze mensen en kenners van de Tora.
Ruben Vis
Reacties zijn uitgeschakeld voor deze post.