Ruben Vis
In een van zijn monologen toont de komiek Modi het verschil tussen Sefaradiem en Asjkenaziem. Natuurlijk is het een uitvergroting, zo is het hoe een komiek een boodschap brengt, maar in de kern houdt hij ons, Asjkenaziem, een spiegel voor waaruit blijkt dat ons ontzag voor de Tora in ons dagelijks leven wel een extra stimulans mag krijgen in vergelijking tot hoe Sefaradiem hier tegenover staan. Een treffend voorbeeld bij Modi is hoe wij onvoldoende innigheid tonen als we voor de Tora worden geroepen. De beracha wordt te vaak op een uit sleur voortkomende toon gezegd. De voor- en naberacha worden afgeraffeld, degene die uit de Tora voorleest, de koré, leest te snel en na afloop als degene die was opgeroepen, de complimenten in ontvangst neemt, Sjkouch!, gaat dat vaak ook op de automatische pilot.
En dan wordt het Sjavoe’ot, het Wekenfeest, waarop we gedenken dat we de Tora hebben gekregen, Zeman Mattan Toraténoe, is een van de namen van het feest. Dus lezen we op Sjavoe’ot uit de Tora nog eens de Tien Geboden, de Asseret Hadibrot, de Tien Uitspraken, en hoe het Joodse volk onder leiding van Mosje Rabbénoe zich legerde aan de voet van de berg Sinai.
Maar het is niet alleen op Sjavoe’ot dat we hierbij stilstaan. Een opmerkelijke beschouwing vinden we bij rabbi dr. Joseph Ber Soloveitchik, de grote denker en leidsman van de Amerikaanse modern-orthodox beweging in het Jodendom. Soloveitchik neemt ons mee naar het moment van Aliya Letora, opgeroepen te worden voor de Tora, niet perse jaarlijks op Sjavoe’ot maar iedere keer dat uit de Tora wordt gelezen; op sjabbat, door de week of op een jomtov.
Rabbi Soloveitchik wijst erop dat weliswaar de Openbaring plaatsvond bij de berg Sinai maar dat het Joodse volk als het ware altijd bij de berg Sinai staat. Soloveitchik benadrukt dat Mattan Tora, de Openbaring, geen eenmalig historisch feit was maar een voortdurende realiteit. Dus, zegt Soloveitchik, wie Tora leert of hoort voorgelezen worden, staat als getuige tegenover de Shechina. Net zoals iedere aanwezige getuige was van een G’ddelijke openbaring bij de berg Sinai, zo ben jij, die voor de Tora wordt geroepen, op dat moment getuige van G’ddelijke openbaring.
De beracha die we voor en nadat we zijn opgeroepen zeggen, spreekt over Noteen Hatora, Degene die ons de Tora heeft gegeven. Niet uit handen gegeven, en ook niet slechts toen, op Sinai. Iedere keer opnieuw zijn wij de ontvanger van de eeuwige, tijdloze Tora. Soloveitchik benadrukt dat de Noteen haTora, Degene die ons de Tora heeft gegeven, de Tora nooit heeft verlaten. En dus, als we voor de Tora worden geroepen dan staan we in rechtstreekse ontmoeting. Tora-lezing is een ontmoeting met de Noteen haTora en de oleh, degene die wordt opgeroepen, is daarin de menselijke getuige.
Opgeroepen worden is dus allesbehalve een sleur-ding, het is iedere keer opnieuw als in ontzag onder aan de voet van de berg Sinai te staan terwijl Mosje Rabbénoe de Tora in ontvangst neemt. Dus heeft Modi wel een punt. De volgende keer dat we voor de Tora worden geroepen of het Tora-lezen horen, kan dat wel met wat meer uiterlijk ontzag.
Reacties zijn uitgeschakeld voor deze post.