Ruben Vis
Op 2 augustus was er politie in sjoel. Niet in uniform maar in burger. Niet vanwege een gevaarlijk incident maar om iets aan de sjoel te geven. Plaats delict: de sjoel in Apeldoorn.
De synagoge aan de Paslaan in Apeldoorn werd in de nacht van 1 op 2 augustus 1941 door NSB'ers in brand gestoken. Het was een gecoördineerde actie want het verzetsblad Het Parool berichtte (met vertraging) op 23 augustus 1941 over plunderingen en brandstichtingen door NSB'ers bij de "Joodsche kerken" in Borculo, Hengelo, Apeldoorn en Deventer.
Op de dag af 85 jaar later stond een politiefunctionaris van een afdeling die belast is met opsporing van antiek in de sjoel om een koperen Chanoekia (of Menora) over te dragen aan de voorzitter van de Joodse Gemeente De Stedendriehoek, waarin de Joodse Gemeente Apeldoorn een jaar of 25 geleden is opgegaan. Een vrijwilligster van de sjoel had op Marktplaats een menora te koop zien staan, met daarbij vermeld: afkomstig uit de sjoel in Apeldoorn. Dat zou kunnen want de sjoel was in brand gestoken; een koperen Chanoekia brandt niet en is er mogelijk uit geroofd.
Het NIK werd om advies gevraagd. We deden twee dingen: contact leggen met de in de opsporing van gestolen antiek gespecialiseerde landelijke afdeling van de politie en we keken in de archieven. Kort na de bevrijding in 1945 was er een commissie die oorlogsschade in kaart bracht en de architect Abraham Osnowicz dor het hele lanfd liet gaan om de schade op te nemen bij alle sjoels en andere Joodse gemeenschappelijke gebouwen. In Apeldoorn was de schade enorm. Hij noteerde ook wat de inventaris was geweest. Bij Apeldoorn betrof het onder meer in zijn woorden: 1 Makkabeeënlamp. Een term die we nu niet meer gebruiken, maar wel precies omschrijft waar het om gaat. Het is de kandelaar die we jaarlijks op Chanoeka aansteken ter herinnering aan de geschiedenis waarin de Makkabeeën de helden waren, de Tempel weer inwijdden en de Tempel-Menora weer wisten aan te steken met reine, door de hogepriester gecertificeerde olie.
Of het voor 100 procent zeker de kandelaar uit de toenmalige sjoel in Apeldoorn is, dat weten we niet. Er is geen afbeelding van het interieur van de sjoel gevonden met daarop een Menora, dus we kunnen niet anders dan afgaan op wat de aanbieder op Marktplaats er over schreef.
“Het komt niet vaak voor dat we 85 jaar later nog iets terugkrijgen,” zei ik op die zonnige zomerse zondagmiddag in de Apeldoornse sjoel, wijzend op de kandelaar die op de Duchan, de verhoging voor de heilige arke, stond. Het koperen voorwerp was zojuist overgedragen aan Rob Lezer, de voorzitter van de Joodse Gemeente. Opperrabbijn Jacobs sprak over de samenleving waar antisemitisme steeds manifester wordt en de boodschap die zijn vader hem kort na de oorlog had meegegeven. Daarna sprak hij een rouwgebed uit. Het was de week van de Sidra Re’e, waarin we lezen Kie im bamakom asher jivchar … alleen op de plaats die HKB”H zal kiezen; kiezen om datgene te doen dat Ik, Hashem, je zal opdragen.
Die plaats is de plaats waar de Tempel werd gebouwd, waar de Menora brandde en waar het wonder van de herinwijding en het acht dagen brandend houden van de Tempel-Menora plaatsvond. Maar het is ook de plaats waar wij als een Mikdasj me’at – een klein beetje heiligdom onze sjoels bouwen, waar ook ter wereld, dus ook in Apeldoorn.
Het woord Makkabeeën komt van het woord Maccabi wat staat voor: Mie Kamocha Ba-elim – wie is er als U, G’d. Tegelijkertijd is er een andere Mie, een Mie die complementair is aan die van Maccabi, nl.: Mie Keamcha Jisrael – wie is er zoals Uw Volk Israel. Een volk dat ondanks de diepsten der diepsten te hebben ervaren, hier in Apeldoorn bijeen komt, overal nog steeds bijeen komt, in sjoels wereldwijd, om te erkennen en te uiten: Maccabi, wie is er zoals U, o G’d. We zijn dankbaar voor de terugkeer van de Makkabeeënlamp in de sjoel van Apeldoorn. Het vertelt het verhaal van ondergang van Joods leven en opkomst van Jodendom, telkens weer.
Reacties zijn uitgeschakeld voor deze post.